Petruskerk Woerden, 2 november 2016

Liturgie naar aanleiding van Exodus 3:14-17 uit Tora. De onderwijzing van Mosje (vert. Lineke Buijs en Marianne Storm) en Marcus 4:26-34 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus (vert. dr. Marie H. van der Zeyde) voor de gezamenlijke viering van dankdag voor gewas en arbeid op woensdag 2 november 2016 om 19.30 uur in de Petruskerk te Woerden

Gemeente,

Is uw werk uw passie? Geeft u in uw arbeid gehoor aan dat wat u het liefste doet en waarvan u weet dat uw kwaliteiten er tot hun recht komen? En iets heel anders: heeft het zin te zeggen ‘dat God gebeurt’ waar u uw meest innerlijke drang verwerkelijkt? Er kan voor een mens reden zijn de relatie tussen arbeid en zelfontplooiing te betreuren. Het is wellicht niet een ieder gegeven de eigen verlangens en talenten te verweven in het werk.  Als arbeid wel vervlochten is met wat een mens graag doet en goed kan dan draagt het veelal bij aan de intellectuele en spirituele identiteit van een werknemer.

Wanneer in Exodus 3 vers 14 tot 17 een zoektocht wordt ondernomen naar de onbekende naam van ‘wat invloed heeft’ dan is het antwoord de formule ‘Ik zal er zijn, zoals ik er ben’. Het heeft er veel van weg dat de queeste naar macht hier wordt doorzien en als ongepast wordt gekwalificeerd. Alsof Mozes en de zijnen vooraleerst aan het werk moeten gaan en als God zich gaandeweg presenteert in dat werk dan zullen zij die herkennen. Het initiatief ligt niet zozeer bij de persoon die vragen stelt over de organisatie van invloed maar in de werkhouding die erop volgt. Binnen het raamwerk van Exodus 3 vers 14 tot 17 is God verbonden met dat wat een mens op weg stuurt. De godsnaam bevat een mandaat dat je uitzendt een activiteit te ondernemen, aan het werk te gaan. Het verhaal kunnen we dan ook lezen als een roepingsverhaal. Wie gehoor geeft aan haar of zijn roeping doet dat vaak met passie en ervaart voldoening. Wellicht ontstaan gevoelens van vervulling juist als we onze daden niet verrichten omdat het doelgericht is, er een markt voor is, het cultureel relevant is of het bijdraagt aan de maatschappij. Als een mens de roepstem van de ene wil volgt simpelweg omdat de eigen belangstelling er naar uitgaat, je je met bepaalde materie wel de hele dag kunt bezighouden enkel om een liefde voor de materie zelf dan blijft God bestaan.

Die ‘roepstem’ of ‘het hart volgen’ plaatst een mens vaak voor een uitdaging. De lat wordt net iets hoger gelegd dan je nu aankan. Vergelijk het met verantwoordelijkheden die meekomen met het aanvaarden en uitoefenen van een functie en waar je opleidingsachtergrond en werkervaring niet geheel op zijn afgestemd. In een periode van verzoeking kan je passie dan overschaduwd worden door het inbrengen van bezwaren. Denk in dit verband aan Mozes die aan zichzelf twijfelt. “Kan ik dit wel? Ben ik hier wel geschikt voor? Wie ben ik dat ik …?” Op die ogenblikken dat het jou ontbreekt aan geloof zegt God: “Ik zal er zijn.” Is deze geruststelling niet voldoende? Voor Mozes niet, weer formuleert hij een tegenwerping. “Als mij straks tijdens een sollicitatiegesprek wordt gevraagd naar mijn drijfveren, wat zal ik dan zeggen? Hoe kan ik tegemoet komen aan eisen die van mij misschien wel het onmogelijke vragen? Als de kinderen van Israël lastige vragen gaan stellen hoe zal ik die dan beantwoorden?” Aan de bezwaren van Mozes kun je het belang zien van de openbaring van de godsnaam. De godsnaam is geen loze kreet of holle formule maar een ‘naam’ die telkens in je op mag komen als een weerwoord op een bedenking.

Want al die bedenkingen en het gewicht die je er zonder de overtuigingskracht van de godsnaam aan toekent zorgen ervoor dat je niet aan een ‘onweerstaanbare’ drang gaat voldoen. De confrontatie met de godsnaam zorgt voor een expansie van jezelf. De lettercombinatie van het tetragrammaton (het vierletterwoord JHWH) staat voor de autoriteit van de bevestiging door de zender dat jij als mens een heel specifieke arbeid mag gaan verrichten.

De godsnaam zoals die in het Oude Testament wordt gebezigd maakt geen deel uit van een economisch of ethisch vocabulaire maar van een woordenschat van het zijn. ‘Ik zal er zijn’ is het equivalent van ‘mijn natuur bestaat eruit te zijn en niet te zeggen’. Wat de God van Israël scheidt van andere goden is wat ‘wat is’ onderscheidt van ‘wat niet is’, wat het echte bestaan scheidt van een schijnbestaan. En terwijl alles om de mens heen verandert, blijft God onveranderlijk. Het woord ‘God’ geeft uitdrukking aan ‘datgene’ waar je altijd van op aan kan. Voor God is het bestaan niet ondergeschikt aan een genesis, een ontstaan dat onderhevig is aan vergankelijkheid. De godsnaam is een aansporend woord dat je op weg stuurt zodat jij jezelf gaat overtreffen, in je arbeid tot de ontdekking komt dat je over capaciteiten beschikt waarvan je daarvoor niet wist dat je ze in je had.

God openbaart aan Mozes niet zijn naam maar zijn bestaan. De invulling van de godsnaam als staande voor de God van het zijn wordt in het Nieuwe Testament met name hernomen in het boek Openbaring en in het Johannesevangelie. Het evangelie op naam van Marcus doet dat in bescheidener mate. Maar ook Marcus 4 vers 26 tot 34 getuigt van de visie dat speculeren over het zijn de mens niet tot het inzicht brengt van het geheim van de essentie van God. Het zijn is de naam van God maar dat zijn zelf is ondefinieerbaar. God gaat in de intimiteit van zijn binnenste over zichzelf gehuld in onwetendheid. Maar in ontkenningen, aan limieten die aan God worden gesteld wordt Hij zich van zichzelf bewust en zal Hij zijn bestaan via zijn werking bewijzen. Als wij opklimmen tot wat ons overstijgt door een beslissende stap te maken in ons werk dan leidt ons dat naar de God van de exodus. Het zijn is allereerst synoniem met onveranderlijkheid. De God op wiens CV staat ‘ik ben’ is tegelijkertijd ‘degene die niet verandert’.

In Marcus 4 leidt verstrooid zaad op een raadselachtige wijze tot een rijke oogst. En alle elementen worden uitgelegd behalve de figuur van de zaaier. De identiteit van de zaaier is een geheim dat oproept tot vragen, een reactie en interpretatie die ons op hun beurt bij onze identiteit bepalen. Zowel in Exodus 3 vers 14 tot 17 als in Marcus 4 vers 26 tot 34 is de wijze om God te kennen een modus van onwetendheid die ons verstand te boven gaat. In het Hebreeuws vertegenwoordigt de godsnaam een hiaat, een afwezigheid die een overbeladen zijn ontledigt. Eigen aan de manier waarop God in het Grieks van Marcus in zijn werk gaat is dat het ontkiemt in het komende. Je kunt God bij wijze van spreken zien aan wat opkomt. De evangelist richt onze blik op de toekomst en met betrekking tot werk op te ontwikkelen beroepsperspectieven. Dan word ik langs de weg van mijn arbeid wie ik ben omdat ik er zal worden wie ik nog niet ben.

Amen