Zondag 5 mei 2019, ‘Dorpskerk’ Zandvoort, zondag 12 mei 2019, ‘Ontmoetingskerk’ Melissant, zondag 19 mei 2019, ‘Het Trefpunt’ Bennebroek & zondag 26 mei 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum

Preek naar aanleiding van Ezechiël 33:7-11 en Romeinen 12:9-21 uit de Naardense Bijbel voor de viering op de derde zondag van Pasen op 5 mei 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Zandvoort, voor de viering op de vierde zondag van Pasen op 12 mei  2019 om 09.30 uur in de Ontmoetingskerk te Melissant, voor de JOOST-viering in het teken van Tolerantie in perspectief op 19 mei 2019 om 10.00 uur in de Protestantse gemeente Het Trefpunt te Bennebroek en uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op de zesde zondag van Pasen op 26 mei 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum

Gemeente,

Wie een bijbelse tekst leest, doet er goed aan zich de vragen te stellen: wie spreekt hier? En, wie zegt wat tegen wie? Dergelijke vragen maken je als lezer(es) gevoelig voor context en de betekenis van taal in een specifieke setting. De tekst uit Ezechiël drieëndertig vers zeven tot elf is onbegrijpelijk zonder kennis te nemen van de historische situatie die aanleiding gaf tot dit schrijven. Ezechiël drieëndertig vers zeven tot elf is een zelfvisiedocument, waarin Ezechiël, via een omweg, God, tot klaarheid komt over zijn functioneren en identiteit, na een ingrijpende gebeurtenis.

In de tekst fungeert God als de spiegel waartegenover Ezechiël zichzelf plaatst. Nadat hij er goed is voor gaan zitten, ontspint zich een innerlijk gesprek, dat enkel tot stand kan komen, doordat Ezechiël zichzelf in gesprek brengt met ‘een tegenover’. De profielschets die hij maakt, komt tot stand, nadat zich in zijn omgeving een ramp voltrekt. In zijn optreden vóór die ramp, had Ezechiël zijn persoonlijke gevoelens en gedachten voor zichzelf gehouden. Zijn gereserveerde attitude en teruggetrokken levensstijl gaven blijk van een bescheidenheid en gepaste afstand ten aanzien van de medemens. Die medemens was hem heilig en Ezechiël had vrees de ander te direct te benaderen en haar of hem in haar of zijn andersheid té na te komen. Nu is hij van inzicht veranderd.

De val van een stad had een grote storing in Ezechiëls leven teweeggebracht of liever, betekende dé coming out van Ezechiël. Want, in en na zijn optreden, is Ezechiël gedwongen zichzelf bloot te geven, en vergaart hij zich een veel grotere vrijheid van expressie dan voorheen. En misschien kun je zijn daad van mensenliefde eraan herkennen, dat hij tijdens dat stedelijke drama in Jeruzalem gaat doen, wat hij van huis uit liever uit de weg zou gaan of achterwege zou laten: alarm slaan, de aandacht op zich vestigen en de profeet van de dwaze en onredelijke hoop spelen.

In Castricum, Leiden en andere dorpen en steden in de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland, en op plaatsen in geheel Nederland, klinkt op de eerste maandag van de maand een luchtalarm. Het is een geluidssignaal dat wordt getest om de bevolking bij mogelijk gevaar te waarschuwen en zichzelf in veiligheid te laten brengen. Over een dergelijk alarmsysteem beschikten Ezechiël en zijn tijdgenoten niet. Ook bestond er niet zoiets als een rampenwet met een rampenplan, waarbij met een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines en met behulp van hulpmiddelen, een situatie te beëindigen is.

Ezechiël is Israëls sirene en die taak neemt hij op zich op basis van een intuïtie, een innerlijke noodzaak, een onweerstaanbare drang, vanwege een zaak die als een klap zal aankomen bij de ethisch en orthodox denkende jood. De jood namelijk die denkt dat hij verloren is vanwege misstappen, én de jood met een zondebesef, voor wie het leven zijn glans heeft verloren en die in zichzelf verkromd dreigt te raken, krijgen van Ezechiël woorden aangereikt, waardoor zij een nieuwe visie op de werkelijkheid ontwikkelen. De joden die na de instorting van de tempel zijn achtergebleven, de overlevenden, verkeren in een omstandigheid, waarin ze zich nog beroepen op een oude orde. Dat beroep laat zien dat de gebeurtenis zelf nog helemaal niet aan hun referentiekaders en schemata heeft geschud.

Ezechiël moet wel een drempel over en vindt daartoe de kracht, doordat hij onaangenaam getroffen is door de ravage die de verwoesting van de tempel heeft aangericht. Het is de liefde, waardoor hij het in zich heeft het kwaad te verafschuwen en zich vastklampt aan ‘het goede’. Hij probeert de gedeprimeerde jood, die stem krijgt in vers tien vanuit zijn situatie te begrijpen en vanuit dat begrip aan te raken. In de bittere en wanhopige noodklacht van de jood: “Voor ons is er geen sprake van leven”, hoor je de existentiële pijn van ieder mens voor wie leven en dood op het spel staan. Deze jammerklacht is de collectieve reactie van een volk op een toestand, waarin mens- en wereldbeeld in duigen zijn gevallen, en er behoefte is aan een stem die van binnenuit en van buitenaf betekenis gaat verlenen aan dat grootschalige drama.

In het Oude Testament zie je vaak een profeet opduiken bij situaties die een spoedeisend karakter hebben. Ezechiël gaat de liefde, waar de jood op wacht, in praktijk brengen, protest aantekenen tegen de zelfondermijnende denkbeelden van de getraumatiseerde en depressieve jood, en zal pogen een weg te wijzen. Hij is de wachter en waker van Israël en zal, al spiedend, de gebeurtenissen in zijn tijd in het oog houden, om dan, als er gevaar dreigt, groot alarm te slaan.

Het sleutelwoord dat de parabel uit Ezechiël verbindt met de tekst uit de brief aan de Romeinen is: bekering. Het Nieuwe Testament gebruikt er het Griekse woord metanoia voor. Bekering is een religieus begrip, dat zoveel betekent als ‘tot inkeer brengen’. In een act van bekering ontzegt een mens zich iets, en wordt tot een nieuw inzicht gebracht, waardoor zij of hij zich tot een andere levensrichting wendt. Vaak gaat er een sterke religieuze ervaring aan die nieuwe oriëntatie vooraf. Bekering is niet een eenmalige act, maar een levenslang aanhoudend proces. Als je theologisch over ‘bekering’ wilt spreken, dan zeg je dat bekering niet het gevolg is van menselijke inspanning of prestatie, maar dat ze is bewerkt door de genade van God.

Wat een bekering doet, is een mens helpen af te zien van bepaalde prioriteiten in het leven, deze af te gelasten, af te zeggen en het leven in te richten naar een hoop en levensvervulling in een toekomst die wortelt ‘in God’, dat wil zeggen dat wat je zelf niet bent en hebt kunnen uitdenken. Een bekering is te vergelijken met een TomTom die een uitgestippelde route herberekend en een alternatief parcours voorstelt. Het autonavigatiesysteem, waarbij je een koers hebt bepaald, blijkt tijdens het volgen van de aanwijzingen namelijk niet berekend te zijn op lokale wijzigingen, en ziet af van de ingeslagen weg, gaat terug naar het vertrekpunt en stelt alles in werking te anticiperen op een onvoorzien voorland.

De tekst uit de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen beschrijft hoe ‘bekering’ eruit kan zien door concrete invullingen van de liefde, de agapè, als een groot contrast neer te zetten ten opzichte van de begeerte, de eros. Eros is in de Griekse mythologie de god van de liefde en heeft als kind van poros – het opportunisme – en penia – de armoede – altijd honger. Eros is onverzadigbaar, permanent ontevreden, rusteloos en is continu bezig vervulling na te jagen. Eros heeft een biologische functie. Een mens houdt met eros de soort in leven. Paulus kende de werking van eros en zijn bezwaar is dat eros momentaan en onkritisch is, doordat eros alleen zichzelf in de ander ziet. Paulus gaat eros overrulen door eros te onderscheiden van een niet-zinnelijke en onzelfzuchtig begrip van liefde: de agapè.

Agapè is niet kortstondig, houdt niet op, omdat ze deel heeft aan de eeuwigheid. Agapè is het protest tegen de stroom waar de mens in drijft en zichzelf in mee laat voeren. Agapè is de uitwerplijn die de mens, die horig is aan haar of zijn driften, en daardoor onvrij is, vanaf de kade wordt toegeworpen. Agapè steekt als het ware een stokje voor de ‘automatische’ opvolging van begeertes en leert een mens daarboven te staan. Ze is waardig, belichaamt een positief ethos en hult zich in een gedaante, waarin ze zich van huis uit niet zou hullen. Agapè is een tegennatuurlijk soort liefde. Het druist in tegen biologie en treedt op als een grote stoorzender van de psychologie, omdat ze pneumatologisch dat wil zeggen, geestelijk van aard is. Agapè is een bereflecteerd soort liefde. Ze haalt je uit de flow van het leven, maakt daar inbreuk op, is een interruptie, een onderbreking die je in staat stelt vanuit een beschouwelijke optiek naar je eigen verlangens en handelen te kijken. Ze ziet af van haar eigen eerste neigingen en belangen, omdat zij, bijvoorbeeld in het geval van Ezechiël, een groep joden uit het slop wil trekken, en in het geval van Paulus, geen wij-zij-cultuur wil scheppen, en de geest een stap verder wil helpen.

Paulus had gezien hoe in een Grieks-Romeinse stad waar een christenbeweging leefde, aan beide kanten groepsdenken vijandbeelden kan creëren, en hoe funest dat kan zijn voor een vreedzame, pluriforme samenleving. Paulus betoont zich in Romeinen twaalf vers negen tot eenentwintig een iconoclast dat wil zeggen een beeldenstormer avant la lettre. Paulus had voor die stedelijke problematiek geen oplossing gevonden binnen de ethiek, omdat ethiek volgens hem geen positieve, nieuwe mogelijkheden schept. De ethiek leert je vooral wat je níet moet doen en volgens haar heb je het altijd bij het verkeerde eind.

Sterker nog, ethiek was voor Paulus een sta in de weg, doordat veel moraal denkwijzen verried die teruggingen op een economie van wederkerigheid. Dat wil zeggen, calculaties als ‘ik verleen jou wat jij wilt en jij geeft mij wat ik beoog’ en, ‘ik geef, opdat u geeft’. Van die principes was het recht en de religie van de Romeinen doortrokken. In dat geval wordt in de jaarrekening van een cultuur evenveel uitgegeven als dat er aan inkomsten wordt gegenereerd, en kan een samenleving niet een volgende stap zetten. Ze blijft bij het oude.

Agapè is niet ethisch, ze is een onlogische, ondenkbare liefde die daar plaatsvindt waar het leven van de mens in haar normale gang wordt verstoord, en die een nieuwe mogelijkheid voorstelt. Die liefde kan een mens onaangenaam verrassen, ze kan onverbiddelijk zijn en de strijd aanbinden met bestaande structuren, juist, omdat ze geen genoegen kan nemen met de status quo, en een hartstochtelijke afkeer heeft van het kwaad en wat daarop kan volgen. Die liefde kan worden aangezwengeld, doordat een concrete medemens mijn pad kruist, die de grondslagen van mijn denken opnieuw gaat bestraten door mij anders te leren denken. Het is een plaveisel dat telkens weer dient te worden gelegd. De bereidheid de eigen denkkaders te herzien in de relatie die ik met de ander aanga, kun je kwalificeren als een offer dat agapè onderscheidt van eros.

Tot slot, als je die paulinische opvatting van agapè doortrekt naar het eigen leven, dan kan dat betekenen dat je kritisch gaat kijken naar criteria en beoordelingsinstrumenten aan de hand waarvan een gebeurtenis, proces of ontwikkeling wordt geëvalueerd. Zo kan, ik noem maar een voorbeeld, de levenskwaliteit van een religieuze geloofsgemeenschap of cultuur worden afgemeten aan de mogelijkheden die zij individuen te bieden heeft, in plaats van naar ledenaantallen of het nationaal bruto product te kijken. Vragen als: wat kan ik in deze omgeving doen? Hoe kan ik er zijn? En, welke mogelijkheden staan op deze plaats voor mij open? kunnen aan die kwaliteit bijdragen. Agapè is dan een wijze van in de wereld zijn, waarbij je een omslag in een manier van denken maakt.

Amen