Zondag 9 juni 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum

Preek naar aanleiding van Ezechiël 11:17-20 en Handelingen 2:1-14 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op zondag 9 juni 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente Castricum

Zeer gewaardeerde gemeente,

In onze eerste tekstlezing is een auteur aan het woord die de eenheid van een afgebakende religieuze gemeenschap voorstaat. Met behulp van spraakklanken, schrifttekens, gebaren en symbolen waren de joden in staat elkaar te verstaan en een leefgemeenschap op te bouwen en te ontwikkelen. Het (in)voeren van een gemeenschappelijke taal zou je wel ‘het genie van de soort’ kunnen noemen. Het spreken van elkaars taal vormt dan het luik waardoor je de eigen behoeften kenbaar maakt en de noden van de ander aanhoort en ‘vertaalt’.

Als een mens zichzelf via een collectieve taal verstaanbaar maakt en niet in aanraking komt met andere talen, dan kan die gesproken taal een vanzelfsprekend karakter krijgen en een mens er in het uiterste geval onvrij door worden. Haar of zijn blikveld en interpretatiekaders worden dan voornamelijk bepaald door die ene gemeenschappelijke taal.

De jood die in de diaspora leefde, had zich voor die volksverspreiding als een vis in het water van zijn taal gevoeld. Nu hij tussen andere volken woont en niet kan bogen op een gedeeld Semitisch idioom, waarin hij zijn gedachten en gevoelens kenbaar kan maken, staat hij voor de uitdaging vreemde talen te leren spreken en nieuwe relaties te vormen om zich op die wijze staande te houden in een onbekende omgeving. De jood had zich in beperkte mate aangepast aan zijn nieuwe habitat, omdat hij ervan uitging dat deze situatie van verstrooiing tijdelijk was. Dagelijks hield hij de herinnering aan en het droombeeld van de hereniging van het godsvolk levend. Gedachtenis en visioen hadden ervoor gezorgd dat de kennismakingen die hij ondernam onder een voorbehoud stonden, namelijk dat hij ieder moment kon worden weggeroepen naar zijn land van herkomst; de bakermat van zijn godsdienst, het leefgebied waar hij een historische en culturele band mee had. De jood die verspreid, buiten zijn geloofs- en taalgemeenschap leefde, kon zich op geen enkel moment overgeven aan de vreemde ander, ontmoette buur of collega niet echt, integreerde niet, bleef een migrant en ondertussen verkommerden zijn taal en cultuur.

Naarmate de jaren verstreken, had hij de hoop op het herstel van het joodse volk op een verzoendag opgegeven. Hij hield er rekening mee dat hij permanent in zijn nieuwe woonplaats zou verblijven. Van die gedachte, die de assimilatie en verdamping van zijn geloof en cultuur betekenden, kreeg hij het koud. De ‘godstaal’ waar de jood mee vertrouwd was, kenmerkt zich door een melodieuze, artistieke en langzame tred. ‘Godstaal’ neemt er de tijd voor te ontstaan, ontspringt aan wat er nog niet is, profeteert, is er niet op afroep, en beschrijft zo beeldend mogelijk. De talen waar de jood nu mee in aanraking komt, hebben een monotoon karakter en staan in het teken van doelmatigheid en efficiëntie. De jood kon met die talen geen genoegen nemen. Sterker nog, die talen pikt hij niet! Zijn religieuze leven was inmiddels uitgehold, zijn hart van steen en hij had zich tot Israëls woordvoerder gewend. Het is deze woordvoerder Ezechiël, ‘Gods spreekbuis’, die het versteende hart van de geïsoleerde, singuliere jood gaat ontdooien. En hoe!

Door alsnog een apotheose in het vooruitzicht te stellen, hoopt hij dat de over de wereld in verspreiding levende joden hun tijdelijke residentie tot het einde toe verdragen. Uit de loszandcultuur waarin ze nu leefden en de fragmentarisatie die ze aan den lijve ondervonden, zouden zij ooit weer verzameld worden tot een coherente gemeenschap. In die kleine, intieme maatschappij hoefde de jood niet dubbel te denken en zich te houden aan enerzijds de wetten van de staat en anderzijds de religieuze regels die hij in zijn ziel had geprent. In dit ‘paradijs’ zou zich een werkelijkheid ontvouwen waarin legitimiteit en sacraliteit samenvielen.

Op een dag werd er gebeld, dringend zo te horen. De jood rommelde aan op de zolder, stof parelde in het zonlicht dat door de houten balken kierde. Hij haastte zich naar de voordeur, kuchte en fatsoeneerde zijn uiterlijk voorkomen door de laatste spinrag en houtsnippers van zijn blouse te kloppen. Er stond een Argentijnse vrouw aan de deur, die hem in het Engels met een Spaans accent uitnodigde voor een feestje. Ze hield een stapel brieven in haar handen en keek nieuwsgierig de hal in. Op de uitnodigingen, zo zag hij vanuit een ooghoek, had ze bij de contactinformatie een foto van een veranda geplaatst. Ze kwam uit Córdoba, een stad in het geografische centrum van Argentinië en was van plan een wijnwinkel te starten.

Haar begintijd in Europa wilde ze inluiden met een housewarmingparty die ze als wijnproeverij had ingericht en die gepaard zou gaan met de muziek en dans waar ze zo goed in thuis was. Ze had voor de gelegenheid tangomusici en een ensemble ingehuurd. De wijnen en de tango betekenden voor haar meer dan zoals ze op het eerste gezicht verschijnen. Beide vormden voor haar een paradijs, een visioen, waarin tot uitdrukking kwam hoe het leven, elders, op aarde, ook kan zijn. Het vraagt wel van een mens dat zij of hij zich een beetje laat meenemen in dat spel van sensualiteit en symboliek.

Tijdens het drempelgesprek waarin de Argentijnse vrouw veel van haar lef, handelsinstinct, organisatietalent en gastronomische kunst aan de dag had gelegd, had het geloof in de verwerkelijking van haar toekomst de blikrichting van de jood veranderd. Tot de tijd waarop de gedesintegreerde joodse gemeenschap zou worden herenigd – een wensgedachte die Ezechiël hem had voorgespiegeld – was het aan iedere jood voor zich om vanuit een persoonlijke spiritualiteit een glimp van dat visioen te openbaren.

Het stadsdeel waar de jood en de Argentijnse vrouw sinds kort woonden, bestond uit een relatief jonge bevolking van nieuwelingen met een brede belangstelling voor cultuur en die, de een na de ander, hun eigen creatieve bedrijf begonnen. Op een ongedwongen manier en via incidentele betrokkenheid waren zij op zoek naar een duurzame gemeenschap en verworteling in de omgeving. Er hadden zich enkele tientallen ‘culturele creatievelingen’ voor het feest opgegeven en velen – zo bleek later – gaven aan al langer op zoek te zijn naar een forum of netwerk waar wijkbewoners elkaar konden leren kennen. Een ieder zag er op z’n paasbest uit en had naar traditioneel gebruik als blijk van waardering een geschenk voor de gastvrouw meegenomen.

Afgaande op de etnische achtergronden en beroepsprofessies van de feestgangers waren hier mensen uit alle geledingen van de samenleving vertegenwoordigd. Er stonden tafels gedekt met glas- en servieswerk, wijnen voorzien van extra etiketten met aanvullende achtergrondinformatie lagen uitgestald, en in hartige quiches prijkten vlaggetjes van alle landen. Na de openingsspeech zette het ensemble in, de tangodansers speelden met vuur en wekten bij de toeschouwer een ongekende begeerte op.

De ruimte vulde zich met gepraat en gelach, er hing iets in de lucht, niemand wist wat, maar wel dat het om een ontlading vroeg. Er werden die avond veel een-op-eengesprekken gevoerd, waarin mensen aandacht hadden voor de wijze waarop de gesprekspartner in de eigen taal haar of zijn individuele levenssituatie verwoordde en gezamenlijk aftastten waar mogelijkheden lagen en wat zij voor elkaar konden betekenen.

Deze mensen hadden veel met elkaar gemeen, vertelden elkaar geschiedenissen, levenservaringen en toekomstvisies. Op momenten waarop de feestgangers opgingen in hun verhaal, daar heilig in geloofden – ogenblikken voorbij berekendheid en verlegenheid, waarop mensen zich op hun gemak voelen en waarvoor veiligheid en sfeer basisvoorwaarden zijn – vielen zij terug op hun eerste taal. In hun moedertong konden zij zich het meest expressief en gedetailleerd uitdrukken. In het zich bedienen van die taal lag zoveel innerlijkheid en emotie, alsof de hele afgelegde weg van de emigrante plotsklaps present was en het haar helderder dan ooit voor ogen stond waar die reis en landsverhuizing haar om te doen was geweest. In het licht van de ontmoeting met de ander, die er vanuit een ongekend perspectief naar keek, kwam dat geheel in een nieuw zinsverband te staan. En als een gesprekspartner dan ademloos luisterde, haar begrijpend aankeek en haar vaart niet onderbrak, dan voelde zij zich aangemoedigd nieuwe verhalen aan te voeren.

Zo ook de jood die avond. Terwijl verderop een Fin en een Afrikaan moppen tapten en een Amerikaan, Deen en Nederlander een discussie voerden over het Nederlandse protestantisme, had hij gedanst met een Berberse vrouw. Zij zong in het Arabisch een lied over een vogel die zich overal thuis voelde. Het was een idyllisch vers dat zij tijdens haar buitenlandverblijf vaak als een mantra herhaaldelijk zong. Hij stond perplex, want hij kon haar naadloos volgen. Hij reciteerde een gedicht van een Hebreeuwse poëet, waarin die dode taal als bij toverslag heel geschikt leek voor alledaagse communicatie. Die hoefde zich niet langer te beperken tot korte groeten en praktische aanwijzingen. Zij sprak met hem zoals het haar inviel en hij schiep er behagen in.

Wat zich die avond in dat relatief nieuwe stadsdeel afspeelde, ging als een lopend vuurtje rond. Wijkbewoners die in eerste instantie hadden afgezegd, staken toch even hun hoofd om de hoek van de deur. De wijn bleek niet aan te slepen, de tangodansers waren onvermoeibaar en het ensemble speelde tot in de late uurtjes. Mensen die nog aarzelden, lieten hun hond uit en treuzelden bij het perk van de Argentijnse initiatiefneemster. Voor sommigen was deze heilige nacht aanleiding te vragen: wat heeft dit te betekenen? Waarop anderen antwoorden: het zit ‘em in de wijn.

Amen