Zondag 16 januari 2022, Christus Triumfatorkerk Den Haag, zondag 30 januari 2022, Open Pastoraat Gorinchem & zondag 6 februari 2022, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop

Preek naar aanleiding van 2 Kronieken 36:14-23 en Lucas 15:11-32 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 16 januari 2022 om 10.00 uur in de Christus Triumfatorkerk te Den Haag, op zondag 30 januari 2022 om 9.00 uur in de Johanneskerk van het Open Pastoraat Gorinchem en op zondag 6 februari 2022 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop

Gemeente,

Aan menig dorp of plaats is een historische vereniging of stichting verbonden. Zo ook aan Nieuwkoop. Het Historisch Genootschap Nieuwkoop, dat in 1987 werd opgericht, stelt zich ten doel belangstelling voor de geschiedenis van de drie kernen van de gemeente Nieuwkoop, dat zijn Nieuwkoop, Noorden en Woerdense Verlaat, te bevorderen. Het genootschap probeert dat doel te bereiken door historisch-culturele voorwerpen en documenten tentoon te stellen, alsook karakteristieke gebouwen, monumenten en dorpsgezichten te behouden. In het boek 2 Kronieken, dat we wel als het verslag van ‘het historisch genootschap’ van het Oude Testament kunnen zien, gebeurt iets vergelijkbaars.

Het boek 2 Kronieken is een chronologisch geordend verslag waarin tal van belangrijke feiten worden opgesomd. We kunnen 2 Kronieken lezen als een verzameling van tabellen waarmee de kroniekschrijver een verband wil leggen tussen de tijdrekening van de geschiedenis van de hoop van Israël en de historische context. Het was voor de kroniekschrijver nodig temidden van het woeden der gehele wereld een spoor te traceren van geestelijk welzijn. Voor een astronoom is dat een ster in lichte luister die ons als een vurig verschiet tegenstraalt. Voor de Aziatische dichter die naar het uiterste zuiden is afgereisd om de zon te zien opkomen en in lotushouding te aanbidden, is het een nieuw lied dat opdaagt, terwijl de nacht nog huivert. Voor de kroniekschrijver is het een lijst waarin gegevens chronologisch zijn gerangschikt, omdat hij op die manier overzicht kan aanbrengen. Tal van gewelddadige gebeurtenissen deden zich in de leefomgeving van de kroniekschrijver voor en hij kon er kop noch staart aan vinden.

De dood van een koning, een groep Joodse mensen die in ballingschap verkeerde, de verwoesting van de tempel in Jeruzalem, de gevangenneming van een koning; het waren gebeurtenissen die in een kort tijdsbestek werden voltrokken. Dat deze gebeurtenissen door mensen in gang werden gezet, was voor de kroniekschrijver duidelijk. Hij was er dagelijks getuige van en kon ze per geval beschrijven. Maar om te begrijpen hoe deze geweldsdaden ontstonden, en welk perspectief hij zijn lezeressen en lezers in het vooruitzicht zou stellen, daarvoor diende hij brute kracht en boze handelingen van een afstand te bekijken. Hij kon er niet middenin gaan zitten, er deel van uitmaken, maar had voor een begrip van zijn tijd nodig er als het ware naast te gaan staan.

We kunnen de keuze van de kroniekschrijver om niet actief op te treden tegen de gewelddadigheid waarvan hij getuige was, uitleggen aan de hand van het taoïstische begrip wu wei. Wu wei betekent ‘de natuur z’n gang laten gaan’. Een persoon die het wu wei-principe hanteert, maakt een inschatting van waar wel en waar niet op in te gaan. Wu wei is geen weigering je te engageren wanneer iemand bijvoorbeeld in nood verkeert. Het vormt eerder een besluit om je ergens niet mee in te laten waarvan je kunt inschatten dat het onveranderlijk is. 

De kroniekschrijver geeft de gebeurtenissen niet heel sec weer, maar maakt er een samenhangend verhaal van door zijn verhaal sterk religieus-literair neer te zetten. Met behulp van dat religieus-literaire karakter, dat we kunnen zien als een zingevingstaal, schept de kronist samenhangen die in een strikt historische beschrijving onderbelicht blijven. We zouden zijn kroniek kunnen lezen als een handboek in de Joodse religiegeschiedenis. En de kronist doet in zijn kroniek een belangrijke stap ten opzichte van de klassieke oudheid: hij ziet de gebeurtenissen in zijn tijd niet in het licht van een tragiek. Hij neemt afscheid van het idee dat gebeurtenissen tragisch, onontkoombaar zijn, omdat hij niet gelooft in het lot. De gedachte dat een hoofdpersoon ten onder gaat aan haar of zijn verzet tegen ‘een hogere macht’ of waarin deze voor een dilemma wordt geplaatst, gaat voor de kronist niet op.

In het wereldbeeld van de kronist vinden gebeurtenissen niet plaats volgens een gefixeerde afwikkeling, waar je als mens geen invloed op kunt uitoefenen, en waar je in zou moeten berusten. Voor de kronist is er geen ‘loop der dingen’, ‘de gang van de geschiedenis’ of ‘het heeft zo moeten zijn’. Iedere vorm van ‘voorbeschikking’ of determinatie is hem vreemd. De kronist is een kronist, geen tragedieschrijver en dus zal ook zijn afsluitende hoofdstuk geen droevig slot kennen. Al wordt er een tempel met de grond gelijkgemaakt, hij staat erop dat er een nieuw gebouw zal worden opgetrokken. De ballingschap? Die interpreteert hij als een puritein avant la lettre als de vervulling van de profetieën van Jeremia. Een vernietigde metropool? Die is te herbouwen. De gedeporteerde koning? Om zijn terugkeer en die van de Joden uit het strafkamp te garanderen, bewerkt de kronist, als was hij lid van een historische vereniging, een citaat uit een edict. Geschiedenis, getuige het optreden van de kronist, is een creatieve bezigheid: ze staat niet vast, je kunt haar sturen en scheppen. In die overtuiging kan de kronist zaken makkelijk omdraaien: hij eindigt zijn verslag met een triomfkreet waarin hij het aantreden van een heidense koning als een groot succes beschouwt voor de wederopbouw van een cultuur, de bevrijding van klein gehouden mensen en het schetsen van een toekomstperspectief dat gekenmerkt wordt door peis en vree.

Zowel 2 Kronieken zesendertig vers veertien tot drieëntwintig als Lucas vijftien vers elf tot tweeëndertig zijn in de eerste plaats verliesverhalen. De kronist zoekt naar een omgang met de terreur van zijn tijd en de evangelist schetst een parabel waarin dood en neergang worden uitgebeeld. De Odyssee van de jongste zoon leidt niet tot het ontwikkelen van een volwassen persoonlijkheid. De jonge mens die verlangt naar een zelfstandig bestaan en iets van de wijde wereld wil zien, groeit, ondanks de avonturen die hij beleeft en waarvan we zouden verwachten dat ze zijn persoonlijkheid zouden rijpen, niet op. Hij lijdt identiteitsverlies, doordat hij zijn religieuze roots ontkent en ‘overal bij wil zijn’. In de parabel wordt dat identiteitsverlies geaccentueerd door de jongen varkens te laten hoeden; voor een jood een verschrikking.

De jongste zoon absorbeert het leven, benut elke mogelijkheid, experimenteert er op los en accepteert noch noodzaak noch beperking. De jongste zoon heet niet voor niets ‘de jongste zoon’. Hij wordt niet bij een voornaam genoemd, bezit nog geen eigen identiteit behalve één die relaties benoemt. Deze jongen is op zoek naar zichzelf, wil genieten, er het eens goed van nemen, totale bevrediging smaken.

Ver van huis hangt aan het snelle leven vaak een prijskaartje. Wanneer hij zijn erfenis opvraagt die het product is van investeren, rijpen en bewaren, begint de jongen te vroeg met de volwassenheid. De jongste zoon wil op eigen benen staan. Hij is geen vaderskindje, hangt niet aan moeders rokken. En met dat hij zichzelf te voorbarig losrukt van het ouderlijk huis, ontkent hij iedere verhouding tot mensen die hem in het leven hebben geroepen. In de religieuze visie van de auteur van het Lucasevangelie heeft een mens die zichzelf wil zijn het nodig iemand boven zich te erkennen. Voor een gelovige is God de hulp waarmee het zich kan verliezen met als doel zichzelf uiteindelijk te winnen. Meebewegen met een ‘kracht’ waartoe een mens in verhouding staat en die van invloed is op het vermogen een eigen identiteit te ontwikkelen. Niet tegen de aard van dingen ingaan die hun beloop hebben en onveranderlijk zijn, zou de Taoïst zeggen.

Het probleem dat in de tekst wordt aangekaart, is dat deze jongen zichzelf wil worden op basis van zijn eigen termen. Doordat hij geen perspectief accepteert dat hem wellicht iets te zeggen heeft en waarmee een grens aan hem wordt gesteld, ontwikkelt hij in plaats van een waarachtig zelf een fabelachtig zelf. Hij komt dan ook niet roemoverladen, gekleed in een hofgewaad met een promotie thuis, maar berooid, met niets. Hij is zowel zijn mondigheid kwijtgeraakt alsook zijn hele hebben en houden. Zijn kleding is tot op de draad versleten, het zelf dat hij wilde worden is ontbonden. En toch wordt naar christelijk getuigenis geloofd dat uitgerekend de situatie waarin er nog weinig van een mens over is, de toestand is waarin de ander ons moet vinden. In de lege-handen-conditie gaat God niet van ons heen, maar kan geestelijke zelfwording pas echt beginnen. Want wanneer een mens zichzelf eenmaal uit handen geeft aan degene die zij of hij niet kan zien, kan er een begin worden gemaakt met herschepping, zeg met de vorming van een religieus zelf. Soms is nodig dat een mens, vooral één die iemand wil worden, zich door een ander, zeg de hemel, laat helpen, om in harmonie te raken met zichzelf en de omgeving, een evenwicht te bereiken.

Het moment waarop iemand, uitgevochten en uitgeput, de eigen vertwijfelde zelfstandigheid opgeeft, de teugels van de, modern uitgedrukt, autonomie laat varen, is er religieus gezien sprake van bekering. Het markeren van dat keerpunt hoeft niet, zoals in de gelijkenis, met het opdreunen van een geijkt, verontschuldigend zinnetje. Het enige dat nodig is, is dat een mens die zichzelf wil zijn, de zorg en het meedenken van de ander kan toelaten. De act van die instemming belooft, gezien bekeringsverhalen, een groots avontuur.   

Amen