Preken

Zondag 16 mei 2021, Protestantse Gemeente Nieuwveen

Preek naar aanleiding van Galaten 5:13-26 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op 16 mei 2021 om 9.30 uur in de Ontmoetingskerk van de Protestantse Gemeente te Nieuwveen

Gemeente,

Als je de brieven van Paulus leest, dan kom je daarin de thema’s van vrijheid en geloof, de geest en de ethiek, en evangelie en wet tegen. Ook in de Galatenbrief is dat het geval. De brief van Paulus aan de Galaten, die waarschijnlijk in de Turkse regio Centraal-Anatolië woonden, dicht bij het huidige Ankara, is een document uit de eerste eeuw, dat je een indruk kan geven van de ontstaansgeschiedenis en voortgang van de eerste gemeenten en van de rol die het paulinische christendom daarin speelde. Meer nog dan een historisch document van Paulus zelf, bevat de brief van Paulus aan de Galaten het verslag van zijn bekering, die constitutief is voor zijn eigen religieuze positie. Paulus wil in de Galatenbrief duidelijk maken, dat hij niet via een historische traditie tot het christendom is gekomen, maar dat hij door een ervaring tot een levenshouding is bekeerd. Paulus wil naar die ervaring terugkeren, maar het probleem is, dat hij die ervaring niet van een religieuze uitleg kan voorzien, wellicht, omdat hij die ervaring niet historisch benadert, maar veeleer relationeel en die ervaring ziet als een complex van betekenissen en haar daardoor onbeschreven laat en niet nader interpreteert. Paulus kan en wil zijn ervaring niet via de historisch-religieuze taal van zijn tijd met haar reeds bestaande religieuze en juridische begrippen articuleren en weigert daarmee elke systematisering en verdere schematisering van een voor hem authentieke, originele, individuele ervaring die hij zonder religieuze afhankelijkheden heeft opgedaan en die de drijvende kracht achter zijn nieuwe levenshouding vormt, de motivatie achter zijn apostolische missie in het leven van de gemeenschappelijke wereld. Paulus kan zijn ervaring noch framen aan de hand van Grieks-Heleense ideeën, noch aan de hand van joods-israëlitische concepten. En, om die ervaring intact te laten en er voeling mee te houden, communiceert Paulus er niet uitvoeriger over en maakt zijn oerervaring daardoor voor anderen niet begrijpelijk. Paulus’ bekering is een privékwestie. In plaats van over zijn ervaring te spreken, doet Paulus iets anders: hij bewijst en toont de geest door de authentieke wijze waarop hij zijn tijdelijke leven leeft. Ervaring, geloof, levenshouding en geest, zij zijn het die doen aan existentiecommunicatie, en de apostel Paulus is de figuur om dit te laten zien.

De Galatenbrief wordt veelal gedateerd tussen 50 en 57 na Christus en  voordat Paulus zijn brief aan de Romeinen liet opstellen. Deze gemeenten in Galatië functioneerden binnen de context van de politiek en de economie van het Romeinse rijk en hadden tot dusver hun leven geleefd in het licht van de ethiek van het jodendom, met haar nadruk op het naleven van diverse wetten en regels. De brief doet verslag van een conflict tussen Paulus, de Galaten en een groep joodse christenen, maar ook van interne conflicten tussen leden uit de gemeenten van Galatië. Dit conflict wordt eerst theoretisch uiteengezet en vervolgens toegepast op het leven. Veel van de leden uit de gemeenten van Galatië kwamen uit de middenklasse die in de Griekse cultuur waren gesocialiseerd. Zij waren voornamelijk handelslieden, kunstenaars, oorlogsveteranen, en ook slaven. Enkel de gemeenteleden uit de middenklasse kenden economische welvaart en hadden toegang tot de Griekse cultuur. Een ander, groot deel van de bevolking, zoals arbeiders en handwerkslieden, leefden aan de rand van de samenleving. Dit deel van de bevolking wist uit eigen ervaring wat het kon betekenen gediscrimineerd en onderdrukt te worden, mensen uit de middenklasse lazen er met name over. Dit aspect van sociale klasse en de verschillende belangen die ermee samenhangen, spelen een rol in Paulus’ toespitsing op de kwestie van vlees en geest in Galaten 5 vers 13 tot 26. Voor nu is van belang de bekeerling Paulus te zien in zijn strijd met de religieuze opvattingen in zijn bestaan als apostel, een strijd tussen wet en geloof. Het gedrag dat kenmerkend is voor christelijk bewustzijn, is vanuit die strijd te begrijpen. Wet en geloof zijn beide modi, tussenstadia, doorgangen die naar het leven moeten leiden, een doelstelling die de toekomst beheerst. Paulus was zowel Romeins burger als farizeeër en kende de Romeinse en de joodse wereld dus van binnenuit. Paulus wist heel goed wat het betekende om onderworpen te zijn aan zowel de Romeinse wet als aan de joodse wetten, die vooral ritueel, ceremonieel en moreel van aard zijn. Vanwege het evangelie dat hij verkondigde, was hij door vertegenwoordigers van beide werelden lijfelijk bestraft: door de Romeinen via geseling, door de joden met 39 slagen. Je zou kunnen verdedigen dat het ondergaan van deze martelingen een teken is van geest. Wellicht hebben deze lijfstraffen Paulus ook gemotiveerd tot het cultiveren van een houding van je eigen lijden dragen en het opstaan uit je doden versterkt. Tegelijkertijd tonen die lijfstraffen de onverdraagzaamheid van regimes die zich bedreigd voelden door Paulus als andersdenkende, één die een evangelie proclameert van Jezus van Nazareth, een anarchist die mensen probeert in te nemen voor een nieuw leven dat in het teken staat van vrijheid en daarvoor uiteindelijk onschuldig werd gekruisigd. De levensleer van Jezus van Nazareth, met z’n specifieke, onderscheidende manier van spreken, denken, oordelen en handelen heeft het leven van Paulus 180 graden gedraaid. De parallel en de mogelijke identificatie van het lichaam van Paulus met het lichaam van Jezus is niet onbelangrijk: Paulus’ lichaam was een vervolgd, gemarteld en bekritiseerd, een mishandeld lichaam, waaruit wellicht daardoor des te sterker de radicale roep klinkt om de wet of liever het recht van de voorkeursloze naastenliefde, al gelovend en praktiserend, in vrijheid te leven. En werd Jezus uiteindelijk gekruisigd, Paulus zal worden onthoofd.

De Galaten leden aan de ene kant onder het juk van de joodse wetten, aan de andere kant onder de last van het Romeinse gezag met zijn slavenhandel, militaire praktijken en arbitrair rechtssysteem. Stelt u zich voor, dat er voortdurend legertroepen door de wijk waar u woont, trekken en u op instigatie van de overheid verplicht wordt om in de behoeften van het leger te voorzien, u in financieel opzicht met het provinciebestuur moet meewerken om de economische last van de soldij te dragen, dat op de lokale markten waar u uw boodschappen doet, verkoop van slaven plaatsvindt, mensen vanwege hun levensbeschouwelijke overtuigingen vervolgd konden worden, zonder dat dit als een strafbaar feit werd gezien en mensen door de meest invloedrijke politieke bestuurders werden vermoord zonder daarvan een spoor achter te laten.

Het eerste probleem waar Paulus met zowel de Romeinse wet als de joodse wetten op stuitte, is dat zij uitsluiting, discriminatie en sociale verschillen in de hand werkte. In Paulus’ visie was de verstedelijkte samenleving waarin hij leefde, gebaseerd op intolerantie, wederkerigheid, macht, geld en standen. Mensen die dit niet bezaten, waren geen, zoals wij modern zouden zeggen, “kwetsbare individuen”, maar maakten überhaupt geen deel uit van de samenleving. En dus is een evangelie dat pretendeert universeel te zijn, te allen tijde bestemd voor een ieder, ongeacht maatschappelijke status, een ongewenste nivellering van maatschappelijke verhoudingen voor de een, en een bevrijdende, humanistische boodschap voor de ander.

Het tweede probleem dat Paulus met de genoemde wetten had, is dat deze via voorschriften opnieuw tot plichten met verantwoordelijkheden leidde, waarmee hij en de  Galaten opnieuw hun vrijheid verloren. Op basis van Paulus’ ervaring die zijn leven op z’n kop had gezet, stond hij vrij tegenover de tradities die achter die wetten schuilden. Wat hem door de geest werd ingegeven, was een nieuwe standaard voor zijn eigen levenswijze geworden en beveelt hij ook de  Galaten aan.

De brief aan de Galaten is te kwalificeren als een apologetische, retorische brief, die veel emotioneel beladen taal bevat met als doel de lezers te overtuigen van Paulus’ opvatting van het evangelische christendom en van wat aantrekkelijke redenen zijn om je met dat gedachtegoed en die inherente levensstijl in te laten. Paulus is hier als auteur via zijn scribent, die de brief voor hem opschreef, doelbewust uit op polarisatie om een structurele verandering in die hiërarchische samenleving op gang te brengen. Een van de uitdagingen waar Paulus voor staat is die gewenste, op gang te brengen polarisatie niet te lang te laten duren, aangezien kortdurende polarisatie weliswaar productief is om maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen en verschillende, conflicterende belangen te verhelderen, maar langdurige polarisatie zou die Romeins-joodse samenleving nog veel verdeelder, meer gesegregeerd maken dan ze al was. Doorgaans is het relatief makkelijk om groepen te vormen op basis van definities of sociologische kenmerken waarmee mensen zich onderscheiden van anderen, hun identiteit laten gelden op basis van die al dan niet verworven kenmerken en ze in veel gevallen te laten manifesteren als dat in hun voordeel is. Als u bijvoorbeeld denkt aan de wijk waarin u woont, de scholen waarop u hebt gezeten en uw kinderen en kleinkinderen zitten, de omgevingen waar u werkzaam bent geweest, de sociale media waar u gebruik van maakt en uw eventuele lidmaatschappen van allerlei organisaties, herkent u dan hoe deze instanties, instituten en media u definiëren door u te profileren als openbaar versus religieus, nationaal versus multi-etnisch-cultureel, kosmopolitisch versus lokaal, rijk versus arm, theoretisch versus praktisch opgeleid, links versus rechts of randstedelijk versus niet-randstedelijk? Paulus nu was gericht op het stichten van een nieuwe geloofsgemeenschap waarin dit type sociale tegenpolen idealiter geen enkele rol meer spelen. Hij treedt op als katalysator en maatschappelijk hervormer door de invloed van die polen te ontbinden.

Paulus echter doet nog iets meer door een speciaal voorstel te formuleren ten aanzien van de Galaten. Paulus heeft een goede relatie met de gemeenteleden van de Galaten ontwikkeld, maar op het moment van schrijven dreigt deze relatie door concurrerende evangeliën die rondgaan, verstoord te raken. De gemeenteleden uit Galatië waren inwendig verdeeld geraakt: welke prediker of evangelist moest men geloven nu zij tegenstrijdige evangeliën verkondigden? In de brief neemt Paulus stelling tegen zijn concurrerende medepredikers.

Paulus gaat zijn best doen om de goede relatie met de Galaten te behouden door een uitgewerkt antwoord te bieden op een vraag die voor hen beide essentieel is, namelijk: hoe behoudt je je vrijheid buiten een wet die je gedrag stuurt door middel van voorschriften zonder die wet te schenden? Volgens Paulus is het mogelijk om je zonder de wet goed te gedragen als je je laat leiden door de geest, waardoor je uit liefde handelt, omdat, één, wie zich laat leiden door de geest niet langer onder de wet staat, en twee, de wet niet gericht is tegen de effecten van de geest, zoals de liefde. Leven in de geest van de liefde leidt inherent tot elkaar aanmoedigen, steunen, opbouwen, helpen en ontwikkelen. Een dergelijke geestesgezindheid maakt dat je geen externe wetten nodig hebt om je billijk en beminnelijk te gedragen, aangezien je een nieuw mens bent, niet langer levend naar de wil van het vlees. De liefde verklaart die wet als overbodig. Op basis van zijn eigen, aan het begin van de preek genoemde ervaring, is Paulus ervan overtuigd, dat enkel het aanvaarden van een andere leiding voor het eigen gedrag dan wetten, kan resulteren in een nieuw leven en de effecten van de geest zal voortbrengen.

Om mogelijke misverstanden over de betekenis van de term “vlees” te voorkomen, als Paulus in Galaten 5 vers 13 tot 26 het Griekse woord sarx, vlees, gebruikt, dan bedoelt hij daar iets anders mee dan er in de biologie mee wordt bedoeld. In de context van de Galatenbrief is vlees een psychische categorie, die staat voor negatieve neigingen, ongunstige tendensen die veroorzaakt worden door de wil van een mens en leiden tot destructief gedrag. Paulus presenteert vlees gewild dualistisch als tegengesteld aan geest. Vlees en geest zijn geen ethische categorieën en gaan hier dientengevolge niet over ondeugden en deugden: het zijn waarneembare gedragingen van twee aan elkaar tegengestelde manieren waarop je je leven kunt leiden. Paulus ziet de negatieve daden uit vers 19 tot en met 21 als bewust gekozen handelingen van het vlees, of, moderner uitgedrukt, als beoogde gedragingen van wilsbekwame mensen, en de positieve handelingen uit vers 22 en 23 als aantoonbare gevolgen van een leven in de geest. Paulus stelling is, dat, als je voor je gedrag niet je psyche, maar je geest volgt, deze de invloed van het vlees zal overtreffen. Voor Paulus vormt die stelling een indirecte aansporing, een advies aan de gemeenteleden uit Galatië, die niet alleen onder de druk en dwang van de wet leden, maar ook het risico liepen hun vrijheid te verliezen door te handelen conform het vlees ten gevolge van de conflictueuze situaties waarin zij zich bevinden. Paulus treedt in die situaties op als conflictmanager die de Galaten zowel verlost van de wet, als hen verlost van de boze. Het paulinische christendom uit de Galatenbrief houdt de christenen van zijn tijd voor boven de wet te staan in de zin van er niet aan gebonden te zijn en boven de negatieve emoties en gedrag van de psyche te staan door je er niet aan te onderwerpen. Dat zijn bekwaamheden ten gevolge van de geest, waardoor een nieuw leven mogelijk wordt en je kunt leven in vrijheid. Het zijn ook noodzakelijke voorwaarden voor geestelijke ontwikkeling.

Amen 

Zaterdag 3 april 2021, Protestantse Gemeente Voorhout, zondag 4 april 2021, Protestantse Gemeente Breukelen, zondag 11 april 2021, Gereformeerde Kerk Woubrugge, zondag 25 april 2021, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop & zondag 2 mei 2021, Amstelkerk Ouderkerk aan de Amstel

Preek naar aanleiding van Johannes 20:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op Stille Zaterdag 3 april 2021 om 21.30 uur in de Kleine Kerk van de Protestantse Gemeente te Voorhout, voor de viering van Pasen op zondag 4 april 2021 om 10.00 uur in de Pauluskerk van de Protestantse Gemeente te Breukelen, voor de kerkdienst op zondag 11 april 2021 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge, voor de kerkdienst op zondag 25 april 2021 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop en voor de kerkdienst op zondag 2 mei 2021 om 10.00 uur in de Amstelkerk te Ouderkerk aan de Amstel

Gemeente,

‘Johannes’ was een vertegenwoordiger van het Palestijnse jodendom van de eerste eeuw. Het Johannesevangelie is geschreven met het oog op een lezerspubliek met pastorale problemen waarvan de auteur vond dat een levengevend geloof daar een oplossing voor bood. Ook Johannes 20 vers 1 tot 13 is geschreven met het oogmerk een grondhouding van geloof bij de lezer te wekken, en daarvoor trekt de auteur op naam van Johannes zogezegd alles uit de kast of liever uit het graf. Het Johanneïsche verhaal van Jezus’ optreden reflecteert grotendeels het leven en de pastorale behoeften van de Johanneïsche gemeente. Het grootste pastorale probleem waar ‘Johannes’ mee werd geconfronteerd was het besef van de eindigheid. De eindigheid was voor de pastoranten in zijn praktijk geen opbouwende gedachte, de realisatie dat men eindig was, ooit zelf zou sterven, motiveerde niet tot zelfbepaling, levenskeuzes, het opmaken van de balans van hoe het er met zichzelf voorstond, of men werkelijk ernst maakte met de zaken waarover men ernstig diende te zijn en al het andere relativeerde, maar hing, integendeel, als het zwaard van Damocles boven het leven van iedere pastorant.

De gedachte aan de eindigheid vormde geen krachtig hulpmiddel tot schifting van wat men belangrijk achtte en wat niet, hoe men wilde leven en wat men nog wilde bereiken of doen, het zorgde niet voor een gezonde spanning, maar effectueerde benauwenis, geborneerdheid en verlamming. De Johannesevangelist brengt het goede nieuws om mensen te bevrijden van de invloed van de wetenschap dat je sterfelijk bent en die hen weliswaar had kunnen bepalen bij wat voor hen het ware leven uitmaakt, maar dat het leven van Johannes’ pastoranten juist bedreigde, teniet deed. De gedachte aan de eigen sterfelijkheid deed hen niet meer, maar juist minder leven. Aan die afname gaat Johannes het hoofd bieden door een nieuwe werkelijkheid te presenteren die zich voor een mens kan openbaren in feitelijke stilte en de ervaring van leegheid.

Eigenlijk zou u er als hedendaags lezer goed aan doen het hele Johannesevangelie in één keer te lezen, eventueel biddend, en na te gaan wat het in uw eigen geest oproept, welke vragen u aan de tekst stelt, welke bijzonderheden zich bij u voordoen tijdens het leesproces, op welke problemen u eventueel stuit, welke leeservaringen u opdoet en welke reactie u uiteindelijk op de tekst geeft.

Het thema van Jezus’ verkondiging in het evangelie volgens Johannes is het eeuwige leven. Voor deze verkondiging bedient Jezus zich bij Johannes van lange meditatieve beschouwingen en van uitvoerige discussies. In dit evangelie staan veel controverses en afscheidsredes. Jezus spreekt zoals de samenstellers van het Johannesevangelie schrijven: symbolisch en beschouwelijk. Nu echter is het stil gevallen.

Door de kerkvaders is het Johannesevangelie wel gekwalificeerd als een geestelijk, interpreterend en theologisch evangelie. Historische feiten spelen er geen hoofdrol in, theologische geschiedenis des te meer. De centrale vraag die in het Johannesevangelie en in het bijzonder in Johannes 20 vers 1 tot 13 aan de orde is, is: hoe komt een mens tot diep geestelijk zelfinzicht of liever, tot zelfopenbaring?

Johannes beantwoordt die vraag op twee manieren: enerzijds door levend te worden voor anderen door voor jezelf te sterven, verbeeld in de betekenis van het laatste avondmaal, jezelf als het brood te breken, om op die manier betekenisvol te worden voor een ander, en anderzijds door de mens zich open te laten stellen voor onverwachte wendingen. Wanneer je in het Johannesevangelie namelijk het woord ‘wereld’ tegenkomt, dan duidt ‘wereld’ op de geslotenheid van de mens voor onvoorziene veranderingen, waardoor de werkelijkheid niet onvermoed open kan gaan. Aan de hand van de reactie van Maria zal ik straks toelichten hoe die geslotenheid eruit kan zien. Johannes beoogt dus de pastoranten voor wie hij schrijft ervan te overtuigen, dat, indien zij de zin van hun eigen leven niet zien, zij hun leven ten dienste zouden kunnen stellen van een ander en zich ontsluiten, toegankelijk te zijn voor kenteringen die zij van tevoren niet konden kennen. Zijn aanbevelingen kunnen erin resulteren, dat zijn pastoranten het perspectief van een gelovig bestaan combineren met hun alledaagse leven. Het Johannesevangelie laat zich dan ook wel lezen als een therapeutisch boek, een handboek voor geestelijke verzorging.

Wat we waarnemen, wel of niet zien en de wijze waarop we iemand of iets zien, is voor iedereen anders. Het wordt bepaald door het waargenomene zelf, eerdere ervaringen met het waargenomene en iemands persoonlijkheid. Je kunt het merken aan de opmerkingen die iemand anders maakt, nadat je je in dezelfde omgeving hebt bevonden, aan de verbanden die iemand legt, nadat je naar hetzelfde verschijnsel hebt gekeken of aan de bijzonderheden die iemand te berde brengt, nadat je hebt deelgenomen aan dezelfde gebeurtenis. Idem dito met de leerlingen en Maria. Na het zien van het lege graf en de lijkwindsels keren de leerlingen huiswaarts. Zij hebben het lege graf geïnterpreteerd als een gebeuren, opgevat als een indicatie voor een verrijzenis. De verrijzenis is een toestand, een verhouding tussen je lichaam, je bewustzijn en het eigen leven, dat voor een ieder op elk moment is weggelegd. Maria echter, de apostel der apostelen, percipieert het lege graf vanuit haar stemming van verdriet. Ze kwam uit het vissersdorp Magdala, was rijk, had Jezus onderhouden, die haar, op zijn beurt van veel negatieve invloeden had afgeholpen, had een sterke intuïtie en arriveerde ten gevolge daarvan vaak als eerste bij een onheilsplek, gedenk- of geluksplaats.

Maria, ze stond bij het kruis en staat nu bij het graf, dat vrijwel leeg is. Verblind door haar verdriet en gezien de donkerte, het gebrek aan licht, zal ze nauwelijks iets hebben gezien als ze in het graf kijkt. Maria wordt overmand door emotie, is meer gericht op haar innerlijke beleving, waardoor ze niet goed kan begrijpen wat hier aan de hand is. In haar verbeelding wordt ze twee engelen, fabelachtige, denkbeeldige mensfiguren met vleugels gewaar, en ze merkt dat zich geen lichaam in het graf bevindt, maar schrikt daar niet van en raakt daar niet door ontregeld. De lijkwindsels, de doeken liggen er nog, alsof Jezus daaruit is gestapt, deze van zich af liet glijden. Die wetenschap had Maria kunnen troosten, want wist zij als meest geliefde discipel niet hoezeer Jezus gedurende zijn leven in allerlei kwesties verwikkeld was geraakt, niet op z’n minst door zijn systeemkritiek, door een volkstribunaal ter dood werd veroordeeld en nu niet langer werd blootgesteld aan intriges, kwade trouw, redetwisten, de commercie van de religie, aanhankelijkheid en uitputting? Het deed haar pijn dat Jezus er niet langer was, omdat ze aan hem gehecht was. Hij had haar gesteund tijdens een periode dat haar geestelijke gezondheid labiel was. Via zijn interventies in hun gesprekken had hij haar beperkte bewegingsruimte verruimd; ze had zich beschermd en veilig geweten. Nu Jezus schitterde door afwezigheid, enkel voor haar geestesoog kon verrijzen door zijn markante absentie, voelde ze zich leeg en was het alsof een deel van haar met hem was meegegaan. Als het aan haar lag, had ze de weggerolde steen voor het graf, een soort grot of spelonk, teruggerold, en had ze zich daar met ‘haar heer’ verstopt om nimmermeer afscheid van hem te hoeven nemen of afstand van hem te hoeven doen.

Maria vult de openheid en leegte van het graf niet nader in, omdat beide onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis die ze met de gestorvene had opgebouwd. De leerlingen lopen richting huis na het lege graf te hebben aanschouwd. Maria, als was het graf een kamer die met aandacht is ingericht, ziet de attributen rondom de leegte, de lijkwindsels, de zweetdoek, apart, ineengerold op één plek, en gaat na wat de leegte met de ruimte van het geopende graf, de attributen en haar doet. Door de ruimte op zich te laten inwerken, zich te realiseren wie er niet is, ziet ze uiteindelijk beter wat er wél is en herinnert zich de persoonlijkheid van de overledene, die met zijn afwezigheid in deze gedenkplaats uitdrukking geeft aan wie hij was. Jezus van Nazareth liet zich noch inkapselen, noch inmetselen: noch door kaders, noch door definities, noch door identiteiten, noch door polemiek, noch door schriftgeleerdheid of aanhaligheid.

Maria, een welgestelde vrouw, die soms verstrikt kon raken in haar vermogen en uit eigen ervaring wist, hoe ingewikkeld het leven kan zijn, maar nu heeft gezien, gaat geloven in wat het lege graf haar te zeggen heeft: dat een mens kan opstaan uit haar of zijn doden, deze opstanding kan leiden tot een lichaamstransformatie en je daarvan in trance kunt raken, kortom, een nieuw mens kunt worden. Over de opstanding, metamorfosen die telkens weer kunnen plaatsvinden wanneer mensen besluiten om de plaatsen die hen geen bewegingsvrijheid verlenen te verlaten, zowel in geografische en fysieke zin als in ons zelf, zingt ook Andra Day met haar Rise Up. U kunt deze opname via internet bekijken.

Het kan moeilijk, zelfs pijnlijk zijn de eigen gehechtheden los te laten, maar als je daarover niet blijft weeklagen en in beweging komt, dan kun je tot de ontdekking komen dat de werkelijkheid zich opeens kan tonen op een manier die je nog niet eerder hebt gehoord en gezien.  

Amen 

Donderdag 1 april 2021, Protestantse Gemeente Hekelingen-Maaswijk

Preek naar aanleiding van Spreuken 9:1-18 en Matteüs 26:17-31 uit dNaardense Bijbel voor de kerkdienst op Witte Donderdag 1 april 2021 om 19.30 uur in de Protestantse Gemeente Hekelingen-Maaswijk

Gemeente,

In 1987 verschijnt op basis van een verhaal van de Deense auteur Karen Blixen de film Babette’s Feast. De titel heeft een dubbele betekenis aangezien ‘feast’ zowel ‘feest’ of ‘partij’ kan betekenen als ‘banket’ of ‘gelag’. In de film zie je hoe in de tweede helft van de negentiende eeuw in Jutland een vergrijsde lutherse gemeenschap de honderdste verjaardag van de predikant wil vieren. De film speelt vaak met het idee de werkelijkheid en de mogelijke werelden waarin een mens kan leven als een feest te zien. De film zinspeelt op ‘kansen’ die de individuen in die religieuze gemeenschap hadden kunnen benutten; het zijn inmiddels ongerealiseerde mogelijkheden waardoor die Jutlandse gemeente kleurloos en onbeweeglijk is geworden. Zo zijn er de twee vrouwen op leeftijd, predikantsdochters die samenwonen in een dorp en die beiden furore hadden kunnen maken in de showbizz en in het leger.

Babette, een voormalige, Franse kokkin, gaat jeu in de levenloze en verdeelde gemeenschap brengen. Het ligt voor de hand haar personage als een messiaanse figuur te lezen. Babette heeft haar echtgenoot, zoon en werk verloren en is uit Frankrijk op de vlucht voor de burgeroorlog tijdens de Parijse Commune van 1871. Uitgeput komt zij bij de woning van de predikantsdochters aan. In het huis van deze ‘heiligen’ zal Babette vanuit de keuken – haar kookeiland, paleis en heelal – de ziel en zinnen van de gemeenschap nieuw leven inblazen. Via het banket dat ze aanricht en waaraan ze het laatste geld dat ze heeft spendeert, geeft ze zichzelf ten offer aan de gemeente, in de hoop dat aan die gemeenschap opnieuw ziel en doorgang wordt verleent. Die gemeenschap heeft vanuit haar spiritualiteit een argwaan ontwikkeld ten aanzien van de zintuiglijkheid. De zinnen, het sensuele zouden een mens misleiden, afleiden van al wat redelijk, waar, goed en goddelijk mag heten. Geen wonder dat vanuit die overtuiging het chagrijn en de smakeloosheid de overhand op deze mensen kreeg. Kwartels, een schildpad, wijn, kaas, fijn linnen en kristallen glazen komen aan die maaltijd – een soort laatste avondmaal – te pas.

Een van de disgenoten die inmiddels is aangeschoven, blijkt een generaal die vol lof is over het diner en volop aan het genieten is. De smaaksensaties die de gerechten effectueren en het enthousiasme van de generaal blijken onweerstaanbaar, de een na de ander geeft zich over, de gemeente is om, opgestaan uit haar doden. Dit was de maaltijd van hun leven.

De crux in de film lijkt te zijn dat Babette met haar daad uiteindelijk geen offer brengt. Een kijker die er deze visie op nahoudt, verraadt hoezeer zij of hij religieus is voorgeprogrammeerd. De maaltijd die Babette aanricht en het geld dat ze daaraan uitgeeft, is geen vorm van zelfverloochening, maar van zelfliefde. Babette is een kunstenaar die op deze wijze in haar element is en in haar scheppend wezen nooit arm is.

Het verband tussen Babette en de tekst uit Spreuken is dat wijsheid wordt voorgesteld als het schenken van inzicht dat vrijmaakt van de dood en dat naar het leven voert. In de teksten van het Oude Testament krijgt ‘wijsheid’ veelal de invulling van een verlangen naar wetenschap, kennis die op verschillende manieren een verhouding met ‘geloof’ aangaat. Die verhouding is een centraal thema in de theologie. Theologie is vanaf de elfde eeuw gedefinieerd als ‘geloof dat zoekt naar begrip’. Theologie fungeert dan als bruggenbouwer tussen kennis, die het product is van de rede en een ‘innerlijk weten’, dat gebaseerd is op geloof. Een theoloog of predikant probeert de kunst te beheersen nieuwe vragen te stellen en een ruimte te faciliteren waarin nieuwe antwoorden op wetenschappelijke vragen en geloofsvragen te formuleren zijn. Op die manier schept een theoloog mogelijkheden en zoekt een predikant naar openingen voor vitale vormen van gemeente-zijn.   

Het boek Spreuken is een album, waarin een reeks vergelijkingen, beschouwingen, kernachtige gezegdes en rijmparen onder de noemer ‘Spreuken’ bij elkaar zijn gezet. Die verzameling van heel verschillende spreuken heeft tot gevolg dat er veel contradicties in Spreuken te vinden zijn – en dat is geheel naar de smaak van de ouden, want die waren van mening dat in het teken van tegenspraak ‘waarheid’ tot uiting kwam. We doen er dan ook goed aan die spreuken dialectisch te lezen, dat wil zeggen, door hun tegenstellingen heen, om uiteindelijk uit te komen bij ‘wijsheid’.

In het boek Spreuken wordt de joden na een periode van ballingschap een maaltijd voorgeschoteld. De spreuken draaien om het zoeken naar een levensweg, en dat is typisch voor ‘bijbelse wijsheid’: het schetst een weg naar het leven. Met dat openbarende karakter van de wijsheid in Spreuken onderscheidt ze zich van de wijsheid zoals die in de vorm van een godin voorkomt in vruchtbaarheidsreligies. Spreuken ontmythologiseert dat type wijsheid en wie aan haar roep gehoor geeft, kan deelhebben aan een messiaans banket.

Als je leest hoe in Spreuken over wijsheid wordt gesproken, dan valt op dat ze vaak spreekt in vergelijkingen en beeldspraak. Een spreuk voldoet aan formele criteria, is poëtisch qua vorm en heeft als doel dat je haar kunt memoriseren. Op momenten dat een mens niet weet hoe in een bepaalde situatie te handelen, kan een spreuk of tegeltjeswijsheid praktisch inzicht bieden. De bijbelse wijsheid van Spreuken is geen wetenschappelijke kennis, ze wordt niet verworven door onderzoek, testresultaten en geldige redeneringen. Ze heeft meer weg van onderscheidingsvermogen, intuïtie, prudentie en begrip. Een soort ‘inzicht’ van binnenuit, waardoor je op een bepaald moment weet wat te doen en ernaar handelt. De wijsheid van Spreuken is contextafhankelijk en stoelt op hele specifieke situaties. Ze is geboren in ‘het leven van alledag’.

In dat leven van alledag speelden vrouwen een belangrijke rol. Die joodse vrouwen waren bedrijvig op plaatsen waar mensen zich verzamelden, zoals de stadspoort en de markt, en waren sociaal door mensen bij hen thuis uit te nodigen. Ze gaven leiding aan grote gezelschappen, dreven handel, produceerden voedsel en kleding, onderwezen in de Thora, droegen zorg voor minderbedeelden en organiseerden solidariteitsprojecten. Hun optreden kwam terecht in de literatuur van de periode na de ballingschap. 

De invulling van wijsheid in Spreuken wordt gemodelleerd naar het beeld van die zelfstandige, actieve, onafhankelijke vrouwen. Wie weinig onderwijs had genoten of door een gebrek aan ervaring nauwelijks verstand van zaken had, ging graag bij ‘vrouwe wijsheid’ in de leer. Wilde je ‘wijs’ worden, dan liet je je door haar beleren, corrigeren, nam je de raad van anderen ter harte en wilde graag nieuwe dingen leren. Het volgen van een weg van wijsheid kon ook een oproep tot omkeer betekenen. Dan beëindigde je een levenspraxis en gaf je gevolg aan alternatieven.

Het openbarende karakter van Spreuken is gelegen in hun gidsende functie. De fakkel in Matteüs heeft eveneens een openbaringskarakter. De fakkel staat symbool voor de mens die haar of zijn leven zo leidt, dat zij of hij licht aan anderen geeft. Maar hoe anders, wellicht tegen de verwachting in, spreekt Matteüs over de fakkel. In Spreuken is de bron van haar ontstaan gangbaar en collectief, maar in Matteüsis die uniek en individueel. De olie staat voor geloof en voor dat geloof kan een mens als individu niet leunen op de olie van een ander. Matteüs is hier echt onverbiddelijk. Geen druppel kun je ervan lenen. Een mens kan haar of zijn eigen leven niet leiden als zij of hij daarvoor een beroep zou doen op andermans geloof. Ik dien zorg te dragen voor mijn persoonlijk geloof, de eigen levenstaak te volbrengen en die vraagt om toewijding. Aandachtig, met bezieling en inzet maak ik op die wijze ernst met de godsrelatie. Voor het voeden van geloof dien ik alert te zijn, ogen en oren open te houden voor mogelijkheden die zich voordoen, en die niet voorbij te laten gaan, als was ik een predikant in Jutland die het gaat maken in de showbizz. 

 Amen

Zondag 28 februari 2021, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop

Preek naar aanleiding van Genesis 37:5-10 en Handelingen 2:17-21 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst van de Gereformeerde Kerk Nieuwkoop op zondag 28 februari 2021 om 10.00 uur in de Remonstrantse Kerk te Nieuwkoop

Gemeente,

Genesis 37 bevat de zogeheten Jozef-cyclus, die een mythologische verhaallijn neerzet, die begint met de dromen van Jozef, vervolgens de effecten van zijn dromen op zowel hemzelf als zijn omgeving beschrijft en eindigt met het leven van Jozef in waaktoestand. De verhaallijn staat in de context van bijbelse geschiedschrijving waarin gebeurtenissen vanuit een houding van geloof als heilzaam worden gezien. In het verleden is de tekst Genesis 37:5-10 wel uitgelegd als een heldenverhaal, waarbij de auteurs en tekstgebruikers uit leeskringen binnen de Semitische onderklasse Jozef, de elfde zoon van Jakob, uiteindelijk als een invloedrijke figuur en machthebber in Egypte afficheren. Daarmee construeren zij voor zichzelf, hun lezers en toehoorders een rolmodel, een persoonlijkheid die een voorbeeldfunctie vervult, waarmee zij zich kunnen identificeren.

Kunstenaars, goeroes, actrices, verzetshelden, politici en heersers kunnen de functie van rolmodel vervullen door de creaties die ze maken, door het aanspreken van mensen op hun transcendente vermogens, door de schoonheid en acteerprestaties die ze leveren, door hun geestelijke weerbaarheid en moed om tegen verordeningen in te gaan en door kundig te besturen. De mensen uit de Semitische onderklasse ambieerden het meeste invloed uit te oefenen. Wat echter in de werkelijkheid nog niet het geval is, kan via dromen worden ervaren als iets dat werkelijkheid kan worden. De machtsdromen en de uiteindelijk leidinggevende positie van Jozef geven uitdrukking aan het verlangen van de Semitische onderklasse om mee te regeren in een ondemocratisch politiek bestel. De figuur van Jozef representeert een bestuursvorm waarbij de Semitische onderklasse zich kan uitspreken en waarmee zij een democratisch beginsel uitdraagt. U ziet dat bijvoorbeeld aan het gegeven, dat er nooit iets rechtstreeks aan Jozef wordt geopenbaard, maar de auteurs Jozef in de slaap gedachten laten hebben over wat zij heel graag willen en waarvoor zij in de werkelijkheid niet durfden uitkomen.

In de bijbelse literatuur spelen dromen bij  verschillende bijbelse en historische personen een rol, zoals bij Jakob, Daniël, Jozef en Paulus. Wat zijn dromen eigenlijk? Hoe kunnen we naar dromen kijken? Hoe moeten we ze, indien al, duiden? Zijn dromen misschien enkel herhalingen van herinneringen? Waarom dromen we? Heeft droomgedrag een doel? En wanneer we dromen of een verwijzing naar dromen in bijbelse teksten tegenkomen, wat kunnen we daar dan uit afleiden?

Dromen zijn ficties, fantastische beelden die tijdens de slaap in de neurale netwerken van ons lichaam ontstaan. Ze zijn hallucinatoir in de zin dat ze verdraaide concepten en percepties bevatten, die tendentieus of onrealistisch zijn. Dromen zijn ook narratief, in de zin dat het fabuleuze versies zijn van de gebeurtenissen die we in het echte leven kunnen tegenkomen, maar dan weergegeven als op een andere manier verbonden. In een droom kunnen we combinaties en patronen creëren, die we nog niet eerder hebben gemaakt. Dromen lijken vooral een manier om ons functioneren in het wakende leven te verbeteren. Wellicht dat we ons daarom zo aangetrokken voelen tot het irreële in ons wakkere leven. Het fenomeen van de droom is een geschikt experiment voor toekomstig gedrag, omdat je in de droom indirect en risicoloos verlangens en gedrag kunt uitproberen. Dromen zijn daarmee een manier waarop we onszelf nieuw gedrag kunnen aanleren, zonder de eventueel schadelijke gevolgen daarvan te ondervinden.

We zijn tijdens het dromen niet alleen in staat om over de toekomst te fantaseren, maar kunnen ook gebeurtenissen creëren die niet zijn gebeurd. Ten tijde van de samenstelling van het boek Genesis huldigden de auteurs de opvatting dat men aan de hand van dromen de toekomst kon kennen. Dromen zouden op de non-fictieve-werkelijkheid vooruitlopen. Vele eeuwen later, in de eerste decennia van de twintigste eeuw, werden dromen, zoals u vast weet, door de psychoanalyticus Sigmund Freud heel associatief uitgelegd, door dromen te zien als deel van onze psychoseksuele ontwikkeling. Hij betoogde, dat dromen een uitdrukking zijn van onderdrukte verlangens die het gevolg zijn van traumatische ervaringen in het vroege leven. Veel van zijn ideeën zijn in diskrediet gebracht en vandaag de dag wordt binnen de studie van dromen, de zogeheten oneirologie, vooral gekeken naar de biologische mechanismen die ten grondslag liggen aan dromen. Lange tijd is nog gedacht dat dromen het gevolg zouden zijn van externe factoren, zoals het contact tussen ledematen en fysieke voorwerpen tijdens de slaap. De visie op dromen als voorkennis van de toekomst, de Freudiaanse opvatting van dromen en de zienswijze dat dromen het resultaat zijn van de aanraking van het menselijke lichaam met een fysiek voorwerp zijn drie traditionele visies op de interpretatie van dromen. Vandaag de dag wordt eerder naar dromen gekeken als unieke fysiologische staten, waarin activiteiten die lijken op activiteiten die wij waarnemen als we wakker zijn, worden gefingeerd, terwijl gedrag inactief is gemaakt door chemische systemen die verlamming tijdens de slaap veroorzaken. Dromen zijn oefenplaatsen voor het leren van een nieuwe, moeilijke taak, om deze vervolgens uit te voeren als we niet slapen. Een nieuwe taak leren, zoals in het geval van Jozef leidinggeven, is dan niet vergelijkbaar met het opslaan van herinneringen op een computer, maar behelst het scherpstellen en verfijnen van een enorm, gelaagd netwerk van verbindingen die gebaseerd zijn op een beperkte serie voorbeeldgegevens, een oefen dataset.

Naast het benaderen van de droom als een veilige manier om nieuwe, complexe vaardigheden aan te leren, is er nog een aspect van waaruit we naar het droomgedrag van Jozef kunnen kijken. Iemand die een nieuwe vaardigheid leert, kan het gevaar lopen zo goed te worden in het leren ervan dat zij of hij zich te goed aanpast aan het dagelijks leven en de daarin voorkomende taken. In het geval een persoon te goed is aangepast aan het dagelijks leven of aan taken, of liever, wanneer een netwerk zo verfijnd is afgesteld op de bijzonderheden van een dataset waarvoor het is getraind, dan slaagt een persoon of een netwerk er vaak niet in om nieuwe bijzonderheden van een dataset te generaliseren. Dan is er sprake van zogenoemde overadaptatie, overaccommodatie, waarbij een persoon of netwerk te zeer overeenstemt met een taak of proces, dat het aanleren van nieuw gedrag er juist door bemoeilijkt wordt. Dromen, en dat is het tweede aspect, kunnen fungeren als een manier om dagelijkse overadaptatie te voorkomen door tijdens de slaap storingen in te brengen. Deze storingen hebben niet als doel om het geleerde tijdens het wakkere leven te handhaven of te bekrachtigen, maar om de overadaptatie die met dat leren gepaard gaat tegen te gaan. Dromen zijn dan zelfgegenereerde, corrumperende impulsen. De act van het dromen heeft dus het effect van één, het verbeteren van je functioneren en van twee, het generaliseren van nieuw gedrag in je dagelijks leven.

Beide aspecten betekenen voor ons dat gebeurtenissen die we kunnen ervaren die aan een handeling gerelateerd zijn en die er tegelijkertijd in essentie van verschillen, behulpzaam kunnen zijn voor ons functioneren. Door dromen als oefenplaatsen voor te ontwikkelen gedrag en als verstoringen van te goed aangepast gedrag te beschouwen, kunnen we verder gaan dan de traditionele droomopvattingen en het proces van leren, doen zien als een serie van afwegingen die bij elkaar horen. Als dromen inderdaad deze functionele doelen hebben, dan kunnen we de kunstmatige dromen die we ficties noemen en die we ook in bijbelse teksten tegenkomen bevredigend waarderen als een wezenlijke vorm van zelfbestuur.

Wellicht biedt deze nieuwe visie op dromen ook een verklaring waarom we kunst, films, romans en games prettig vinden, aangezien we ons constant aanpassen aan de realiteit. De verbeeldingrijke, gecorrumpeerde irrealiteit zoals die door kunstenaars, filmmakers, auteurs en gamedesigners naar voren wordt gebracht, helpt ons te voorkomen dat onze hersenen te gefixeerd raken in het ontwikkelen van dezelfde patronen. Zij breiden ons repertoire van handelingen niet alleen uit, maar doen dat op manieren die ons assisteren bij generalisatie en daarmee bij ons vermogen om te leren en te kennen.

Als ons dagelijks leven ten gevolge van de ontwikkeling van menselijke beschaving steeds complexer wordt, aanpassing aan dat dagelijks leven steeds gemakkelijker, wij zowel meer biologische dromen hebben als ons verdiepen in culturele producten zoals kunst, dan stelt de uitvinding van ficties ons mogelijk in staat baat te hebben bij de voordelen van dromen op het moment dat we wakker zijn.          

Amen

Zondag 21 februari 2021, Doopsgezinde Gemeente Aardenburg & zondag 7 maart 2021, Protestantse Gemeente Kethel Schiedam

Preek naar aanleiding van Marcus 1:1-20 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 21 februari 2021 om 10.30 uur in de Vermaning Het Lam van de Doopsgezinde Gemeente te Aardenburg en naar aanleiding van Marcus 1:16-23 en Marcus 8:34-38 uit een vertaling naar keuze van de lector op zondag 7 maart 2021 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente Kethel te Schiedam

Gemeente,

De navolging van Christus, is dat niet te hoog gegrepen? Moet je dat wel willen? Behelst die navolging niet een bovenmenselijke of liever onmenselijke denkstijl en levenswijze? En, wat zou die navolging tegenwoordig kunnen inhouden, eventueel in onderscheid tot wat het ten tijde van het schrijven van het Marcusevangelie inhield? Zou je er niet goed aan doen, ongeacht de tijden, de navolging van Christus niet aan te bevelen, maar integendeel, vanuit de conclusie dat ze onnavolgbaar is, haar ten strengste moeten ontraden? Dit zijn enkele bezwaren die een lezer of geroepene zowel destijds als nu zou kunnen hebben ten aanzien van de navolging van Christus.

Kennelijk niet voor Simon, Andreas, Jakobus en Johannes, want terstond laten ze, zonder pardon, arbeid en familie achter zich om Jezus onvoorwaardelijk te volgen, niet eens wetend wat die navolging betekende en wat het vissen van mensen impliceerde. Begrepen deze vissers wel waarop ze met hun navolging ja zeiden voor ze hun jawoord gaven en hun huidige bestaan opgaven om, ja om wat eigenlijk? Hadden ze er niet goed aan gedaan zich vooraf wat beter te laten informeren over de inhoud van de navolging? Waren ze daar niet te slecht op voorbereid? Hun reactie op de uitnodiging tot navolging was er een van spontaniteit en gehoorzaamheid, maar was dat dus wel zo verstandig? Was dat programma van de navolging niet veel te rigoureus en te radicaal, zodanig dat ze het van de hand hadden moeten wijzen of er op z’n minst voor hadden moeten bedanken? Hoe is het mogelijk dat de oproep tot navolging voor hen niet zeer ongelegen komt? Of hadden ze goede redenen, voorstelbare motieven, zoals een behoefte aan avontuur, reislust om hun leven, zoals ze het tot dusver hadden geleefd te beëindigen en een ander, nieuw, onvertrouwd leven te gaan leiden? Of zou je deze schrijversstrategie van de auteur toch anders moeten lezen, bijvoorbeeld als een om de figuur van Jezus wat meer gezag toe te kennen door te laten zien hoe gezwind en, althans zo lijkt het, gedachteloos deze vier vissers hun netten achter zich laten, een onbekende toekomst tegemoet?

We lezen vanochtend een verhaal, waarin de auteur antwoord geeft op de vraag wie Jezus van Nazareth volgens hem was. Hij beantwoordt die vraag ten overstaan van een lezerspubliek, dat voornamelijk bestond uit christenen met een heidense achtergrond. U ziet dat bijvoorbeeld aan de keren dat de auteur beschrijft en uitlegt wat Jezus deed en welke uitwerking dat had op de mensen met wie hij zich engageerde. Zoals een Griek een niet-Griek een barbaar noemde, zo noemde een christen een niet-christen wel een heiden. De auteur legt voormalige heidenen uit wat typisch christelijke praktijken zijn.

In de manier waarop de auteur Jezus van Nazareth portretteert doet hij iets gewaagds en contrasterends ten opzichte van zijn omgeving: in de context van Rome met zijn heldenverering gaat hij uiteindelijk een lijdensfiguur uittekenen. Nu kunnen we dit verhaal op veel verschillende manieren proberen te begrijpen, bijvoorbeeld door te kijken naar de geografische aanwijzingen, de thematieken of de reacties van de figuranten. Wij kijken vanochtend naar de thematiek van de navolging in dit verhaal. We laten ons daarbij door twee vragen leiden, namelijk: waar herken je een volgeling, een navolgeling van Christus aan? En, wat zou het vandaag de dag kunnen betekenen een navolgeling van Jezus te zijn?

Over de identiteit van Jezus van Nazareth is veel geschreven en vooral gespeculeerd. Vanuit historisch perspectief weten we enkel, dat hij een jood was en Aramees sprak. Het portret van Jezus zoals dat ons schriftelijk wordt overgeleverd door de auteur van het Marcusevangelie, gemotiveerd door zijn eigen psychologische, theologische en politieke belangen, is zijn geïdealiseerde variant van een figuur van wie hij dacht dat zijn lezers daar baat bij hadden, namelijk een van een bevrijder uit veel religieus-politieke benauwdheid zoals vervolgingssituaties. De auteur van het Marcusevangelie laat Jezus als een filosoof, anarchist en hervormer optreden, omdat deze vervolgingssituaties voor veel van zijn voorgangers en tijdgenoten fataal is afgelopen dan wel nog nauwelijks is uit te houden. De ene na de andere beperking werd ingevoerd, het welbevinden, het doorzettingsvermogen en de lijdzaamheid van zijn tijdgenoten werd zwaar op de proef gesteld. Het gebrek aan vrijheid van denken en leven in zijn land had van een auteur die eerder veel vrijblijvender schreef, op slag een evangelist en pastor gemaakt. Om zijn medechristenen door de crisis heen te helpen, gaat hij hen literair een hart onder de riem steken.

De lezers van het Marcusevangelie gedroegen zich moreel, zolang zij gesocialiseerd waren, dat wil zeggen zich hielden aan de civiele wetten en sociaal geldende normen van een elite, maar kwamen hiermee op basis van hun persoonlijke overtuigingen hoe langer hoe meer mee in conflict. Nu zij vanwege een deel van die overtuigingen, van religieuze aard, worden vervolgd, is dat voor de auteur reden een geschrift, zijn evangelie, te laten verschijnen, waarin hij zal oproepen tot maatschappelijk onaangepast gedrag. Dat doet hij door Jezus te karakteriseren als een voorbeeldfiguur die de bestaande orde problematiseert. Hij benadrukt de contextualiteit en historische bepaaldheid van civiele wetgeving en normen, die, bovendien, met name de belangen dienen van een kleine, invloedrijke, vermogende groep mensen. De wetten die zij produceerden en de normen die zij bedachten, waren niet universeel, maar moesten worden gezien als constructen die binnen een cultuur waren ontworpen door een selecte groep mensen op grond van eigenbelang. Het geldende gezag deed deze constructen met haar eigen veronderstellingen en vanzelfsprekendheden voorkomen als in het algemeen van toepassing. De evangelist echter plaatste ze tussen haakjes en zag ze als relatief. Sterker nog, hij zou zijn lezerspubliek uiteindelijk oproepen om te breken met deze normen om hogere doelen te bereiken.

Doch eer het zover is, laat hij Jezus heel vaak in het publieke domein optreden als een figuur die door transgressies te plegen en scheidslijnen te laten vervloeien, inbreuk maakt op de heersende orde, waardoor de een hem als een bevrijder zag en de ander hem als een bedreiging ervoer, afhankelijk van wat je te winnen of te verliezen had. Maar of je hem nu enerzijds de koosnamen verlosser, godszoon of vredevorst toedichtte of hem anderzijds de scheldnamen raddraaier, relschopper of oproerkraaier meegaf, beide groepen waren het er over eens dat het met de entree van Jezus van Nazareth in het openbare leven met de maatschappelijke rust wel was gedaan. En dit was slechts het begin. De evangelist zal het gedragskenmerk van grensoverschrijding in toenemende mate doorvoeren door Jezus te doen kennen als een figuur die elk gezag relativeert ten opzichte van de godsverhouding. Naast de oproep tot verzet tegen de staat en sociale normen, en tot het verlaten van have en goed zal daar in de loop van Jezus’ optreden de oproep bijkomen geweld niet met geweld, maar met geweldloosheid te beantwoorden en desnoods het eigen leven te offeren ter wille van een ander mens.

De navolging van Christus, dat lijkt een handleiding voor asociaal en onnavolgbaar gedrag, want on- en bovenmenselijk gedrag, niet? De evangelist laat Jezus niet zeggen dat de vier mensen die hij oproept tot navolging, de leidinggevenden van het volk moeten volgen. Het lijkt wel alsof Jezus met zijn oproep begint met de vorming van een nieuwe gemeenschap, een andere samenleving door vier mensen te werven, die de kern zullen vormen van een apostolische groep, waarin je als geroepene dus niet primair wordt gezien als lid van een staatsgemeenschap. Op het moment dat Simon, Andreas, Jakobus en Johannes instemden met de navolging, werden zij geen lid van een politiek georganiseerde samenleving, maar van een groep die geloof, geweldloosheid en opofferingsgezindheid als bestaanswijzen uitdroeg. In die apostolische groep golden veelal andere normen en regels dan in de burgerlijke samenleving gebruikelijk was. Niet zelden stonden ze er haaks op.

De navolging van Christus impliceert een inbreuk op het bestaan, waartoe de oproep urgent, complex en dramatisch te noemen is, aangezien het de manier waarop mensen zichzelf en anderen definiëren, de rollen die zij in het dagelijks leven spelen, bevraagt en relativeert. Je positie in politiek en sociaaleconomisch opzicht werd ermee naar een tweede plan geschoven. Wie een volgeling van Jezus van Nazareth wilde zijn, diende te breken met overtuigingen, werd gemaand zichzelf opnieuw uit te vinden en gedragsveranderingen in gang te zetten. In een bekering werd het eigen bestaan van de volgeling in een crisis geplaatst, zij of hij heroriënteerde zich op een nieuw bestaan, dat de volgeling vaak in oppositie met vermeende vromen en autoriteiten bracht. De navolging van Christus, dat is geen sinecure. Geroepenen zijn er vele, maar uitgelezenen weinig.

Amen

Zondag 14 februari 2021, Open Pastoraat Gorinchem, zondag 21 maart 2021, Ontmoetingskerk Lelystad & zondag 28 maart 2021, Eben-Haëzerkerk Pernis

Preek naar aanleiding van Genesis 9:18-29 en Openbaring 20:12-21:1 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 14 februari 2021 om 10.00 uur in De Harmonie van het Open Pastoraat te Gorinchem, op zondag 21 maart 2021 in de Ontmoetingskerk van de Protestantse Gemeente Lelystad en op zondag 28 maart 2021 om 9.30 uur in de Eben-Haëzerkerk van de Gereformeerde Kerk Pernis

Gemeente,

Wanneer we een bijbelse tekst lezen, doen we er goed aan spreekwijzen en woordgebruik te decoderen. De bijbelschrijvers gebruiken vaak heel eigen formuleringen en termen die vaak niet samenvallen met ons begrip ervan. Zo is bijvoorbeeld het woord “zee” in de tekst uit Openbaring 21 geen geografische aanduiding voor de uitgestrektheid van zout water die het grootste deel van de oppervlakte van de aarde bedekt. De zee waarvan in Openbaring 21 wordt gesproken, is symbool voor wat onrustig, labiel is. De taal van veel bijbelschrijvers is beeldend. In het Midden-Oosten is men sterker dan in Europa geneigd de dingen poëtischer, metaforischer, verhalender en daarmee indirecter, onuitdrukkelijker te verwoorden. Die beelden moet je vertalen naar wat de auteurs ermee wilden zeggen.

De zee als symbool van het onrustige, labiele komen we ook tegen in de wereld van de tekst uit Genesis 9 vers 18-29, een fragment uit een verhaal waarin delen uit mythen en sagen is verwerkt, en dat voorzien is van een theologische motivatie. De periode van de zondvloed, dat wil zeggen ‘het water dat te gronde richt’, is voorbij. Noach kwam er als overlevende van een ramp, als rest, uit tevoorschijn. Meer nog dan een kosmische catastrofe, een natuurramp, wordt met de zondvloed een morele ramp bedoeld. Het is heel bijbels om eerst een sfeer van anti-schepping te creëren in de betekenis van vernietiging, dood en ondergang en dan de geboorte van een nieuwe mens te introduceren. Te midden van moreel verval was Noach een zogeheten rechtvaardige. Op basis van die status wijzigt hij, in de visie van de anonieme auteurs en redacteuren van Genesis, aangevuld door de inspiratie van de overleveringen van de gemeenschap waarbinnen het boek Genesis is ontstaan, ternauwernood het externe oordeel over het voortbestaan van diezelfde semi-nomadisch levende gemeenschap en redt het menselijk leven door een geografische verplaatsing. Noach tekent met zijn op intuïtie, verbeelding, tijdswaarneming en wilskracht gebaseerde handelingen ook een gelovig bestaan uit.

De voortgang van het menselijk leven op aarde, dat was volgens de samenstellers van Genesis kantje boord. Om te voorkomen dat het bestaan teniet wordt gedaan, begint Noach opnieuw. Hij is uitgangspunt van toekomst, de basis van zijn nieuwe wereld. Noach staat dus symbool voor het nieuwe begin dat een mens na een periode van zondvloed kan maken. Dat nieuwe begin of opnieuw beginnen is voor Noach tegelijkertijd een probleem. Een nieuw begin, opnieuw beginnen, kan dat eigenlijk wel? En zo ja, hoe dan? Noach is gewatermerkt, gevormd door zijn geschiedenis, heeft een apocalyptische ervaring opgedaan en is nu gedoopt tot eerstgeborene van een nieuwe mensheid. Mijn hemel, ga er maar aanstaan! Hoe gaat hij zichzelf opnieuw vormgeven, zichzelf anders uittekenen dan voorheen? Noach wordt boer. Hij vervult daarmee de rol van een mens die de grond bewerkt en, raakt bedwelmd van alcohol. Als ik commentaren op de tekst nasla dan valt daarin te lezen dat alcohol deel uitmaakte van Kanaänitische rituelen, waarbij ook vormen van seksualiteit hoorden. Echter, er is ook een ander commentaar op de dronkenschap van Noach mogelijk en wel door deze te benaderen vanuit de Deense film Druk uit 2020.

Het scenario van de film Druk, in het Nederlands Dronken, werd geschreven door Thomas Vinterberg, die de film eveneens regisseerde. De hoofdrollen in deze film worden gespeeld door vier personen, mannen op middelbare leeftijd die werkzaam zijn als docent in het voortgezet onderwijs, en die verzadigd zijn van het leven, of liever, door de dood in de vorm van gewenning, verveling, desinteresse en monotonie. In de film testen ze op een systematische manier de theorie van de Noorse psychiater Finn Skårderud, die claimt dat mensen vanaf de geboorte een tekort van 0,5 promille alcohol in hun bloed hebben. Een promille van 0,5 alcohol in het bloed zou mensen door gematigd controleverlies creatiever, ruimdenkender, meer interactief en professioneel succesvoller maken. In de film worden Winston Churchill, Franklin D. Roosevelt en Ernest Hemingway als voorbeelden genoemd van personen die onder invloed van alcohol succesvol waren: de eerste twee door een wereldoorlog te winnen en laatstgenoemde door literatuur te produceren. De vier docenten voeren groepsexperimenten uit door de sociale effecten te onderzoeken van gecontroleerde alcoholconsumptie. Terwijl alcohol in de negentiende eeuw in Denemarken een middel was voor mensen uit de arbeidersklasse om de slechte arbeidsomstandigheden te verdragen, vertegenwoordigen de acteurs in Druk de middenklasse in de eenentwintigste eeuw die er via alcoholconsumptie voor kiest zich te onthechten van de eigen routines met als doel zich weer levend te voelen. En wellicht speelt de protestantse achtergrond van Denemarken déze rol, dat in een cultuur waar alcohol een uitzondering vormt, deze tot excessieve consumptie kan leiden, terwijl in een land met een katholieke achtergrond, zoals Frankrijk, waar men veel bourgondischer met alcohol omgaat door alcohol meer te integreren in het dagelijks leven, minder reden is tot excessieve alcoholconsumptie.

In een interview geeft de scenarioschrijver en regisseur Thomas Vinterberg aan, dat de film niet primair over alcohol handelt. De film gaat vooral over levend zijn, gewekt worden of ontwaken, specifieker, over zelfpresentie en de revitalisering van het eigen leven na stagnatie. Die stagnatie kan optreden door het opbouwen van routines, gewoontevorming waarbij gewoonten na herhaling gedachteloos kunnen worden uitgevoerd, alsof je er zelf niet meer bij bent of in meedoet. De acten hebben dan de controle van de actor, de agent overgenomen en dit resulteert in geautomatiseerd gedrag. Een vraag die dan kan ontstaan is: wie ben ik of waar blijf ik in dat gedrag? Herhaaldelijk uitgevoerde gewoonten kunnen bovendien tot het ervaren van een egalisering van de werkelijkheid leiden. De werkelijkheid die niet gegeven is en waar je je niet tegenover bevindt, maar die je zelf mede vormgeeft, die telkens weer anders gepercipieerd kan worden en waarin je je bevindt, wordt onder de invloed van herhaling gestandaardiseerd, genormaliseerd.

De hoofdrolspelers in de film Druk stellen zich bloot aan risico’s en wakkeren het leven in hen daardoor aan. Ze zijn op zoek naar controleverlies, de bevrijding van een karakter, de rollen die zij in hun leven spelen nu zij zichzelf in hun werk hebben gerobotiseerd en zich in hun relaties door imitatie conventioneel hebben leren gedragen. Dagelijks ervaren zij de macht van de sleur als een vorm van doodsheid. In het geven van hun lessen waren ze te repetitief, voorspelbaar en veilig geworden, in hun gezinsleven te algemeen gangbaar, rolvast, geijkt. De morele verplichtingen die zij in die verbanden nakwamen waren in lijn met de maatschappelijke opvattingen over wat gepast is, betamelijk, maar het conformisme aan die sociale normen stelde hen niet in staat creatief te zijn. En dus wilden zij zichzelf verliezen, herwinnen, verdrinken en vernieuwen door zich te intoxiceren met een middel dat enerzijds vreugde brengt, het loskomen van patronen en anderzijds tegelijkertijd een gevaar vormt, de afhankelijkheid van een gif dat tot destructie kan leiden.

Noach zat al ruim een maand in zijn eigenhandig gebouwde ark in quarantaine en heeft het gevoel langzaam dood te gaan. Dagen hadden zich aaneen geregen, een grijze mist had Noach het zicht op zichzelf en de buitenwereld ontnomen. Het water had niet langer gegolfd, maar murmelde tegen zijn slapen. Het leste zijn dorst niet langer, maar deed hem verdrinken. Ook Noach was niet langer present in zijn eigen leven. In zijn ark, doos van eentonigheid, werd hij het object van verstrooiing, hij verzoop en vergat. Nu zet hij voet aan wal en staat voor de uitdaging zichzelf in een onbekend land opnieuw uit te vinden. Hij wordt landbouwer, wijnhandelaar, de eerste slijter van het Oude Testament. De aard van Noachs vernieuwing is echter tweeledig. Het leven dat ontspringt aan zijn nieuwe bron van bestaan, is ook datgene waarvan hij zo in vervoering raakt, dat het hem benevelt. Uit zijn beperkte leefomgeving en opnieuw in de wijde wereld confronteert Noachs nieuwe bestaanswijze hem ook met grenzen.

Het voorafgaande zou ons kunnen bepalen bij het belang van het ervaren van een verlies aan creativiteit, opgevat als het uitblijven van het bruisende, niet langer geprikkeld of uitgedaagd worden en geen vreugde meer beleven. Mensen kunnen als gevolg van herhaling een dermate grote afname van betekenis ondervinden, dat ze zich niet langer levend voelen. En u, bezigt u graf-gewoontes? Waardoor voelt u zich levend, wordt u tot leven gewekt? Door wie wordt u uitgenodigd te drinken uit bronnen van leven? Wat is er voor u voor nodig om creatief te worden of, onder welke omstandigheden bent u het meest creatief? Hoe wordt u verliefd, creëert u extase – ook in groepsverband –, wanneer voelt u zich euforisch, gewichtloos? Waardoor raakt u geïnspireerd? Waar krijgt u ideeën van? Als uw handelingen eerder dode werken zijn dan dat zij uzelf en anderen inspireren, waarom zou u ze dan blijven uitvoeren?

Een mens kan zich in het leven door veel invloeden laten bedwelmen, maar wellicht is uitgerekend de soberheid van de werkelijkheid het stimulerende middel waardoor je bij uitstek kunt voelen dat je echt leeft, doordat je die werkelijkheid in hypernuchtere toestand als ongewoon en waardevol kunt zien.

Amen 

 

Zondag 13 september 2020, Dorpskerk Castricum & zondag 20 september 2020, Petrakerk Heinenoord

Preek naar aanleiding van Psalm 50 en Johannes 9:1-25 uit De Nieuwe Bijbelvertaling voor de afscheidsdienst op zondag 13 september 2020 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Kerk te Castricum en voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 20 september 2020 om 9.30 uur in de Petrakerk te Heinenoord

Gemeente,

Zit er een grens aan vergeving? Is vergeving nodig voor bekering? En, als iemand enkel bereid is te vergeven wat vergeeflijk is, zou het idee van vergeving dan niet verdwijnen? Het zijn vragen die door de film Raging Bull worden opgeroepen waarin de thematiek ‘vergeving’ belangrijk voor ons is. In deze preek zal ik aandacht besteden aan de religieuze symboliek in de film Raging Bull in relatie tot Psalm 50 en het motto van de film, de confessie in Johannes 9 vers 25. Ik zal betuigen dat ‘vergeving’ een daad is die vraagt om een ethiek die voorbijgaat aan de ethiek. Pas als we de ethiek achter ons laten komen we op het punt waarop vergeving mogelijk is. Met andere woorden, pas wanneer een mens niet langer op haar of zijn aardse troon van economie en moraal is gezeten, maar een beetje uit de hemelen komt, dan kan het feest van de niet-transactionele, onvoorwaardelijke vergeving, waarin ook de verongelijkte partij gevoelens van boosheid wegwuift, beginnen en alles nieuw worden. Voor mensen die de film Raging Bull niet hebben gezien zal ik de film kort inleiden en er een christelijk religieuze visie op geven.

Raging Bull (1980) is een Amerikaanse film die we zowel in het genre biopic als onder de noemer sportfilm kunnen scharen, aangezien de film een biografie toont van een bokser. De titel roept de vraag op waar de mens is in bokser en echtgenoot Jake LaMotta. De film Raging Bull wordt geproduceerd op het moment dat er mede door het Watergateschandaal en de Vietnamoorlog een crisis heerst in het vertrouwen in Amerika. De bokser Jake LaMotta die zijn geld verdient met boksen, wordt gespeeld door acteur Robert de Niro. Als LaMotta achteraf een levensverhaal van zichzelf in beeld mag vertellen, dan toont hij amateurbeelden in kleur: familie, affectie en vriendschap is wat je te zien krijgt. Hij wordt in de film echter met zwart-wit beelden geportretteerd als een stomme, hakkelend sprekende man, een antiheld die in zijn privéleven destructiever opereert, naarmate hij succesvoller wordt in zijn carrière. Voor LaMotta is boksen een vorm van zelfexpressie: niet met taal, maar met zijn fysieke presentie, het lichaam spreekt hij.

LaMotta groeit op in een Italiaanse subcultuur in Amerika die gekenmerkt wordt door machogedrag. De film reflecteert langs de weg van LaMotta’s biografie op de Amerikaanse geschiedenis en is te zien als een kritiek op het ideaal van de Amerikaanse Droom. LaMotta bereikt weliswaar de top, maar lijkt de kenmerken van het milieu waar hij uitkomt niet van zich af te kunnen schudden. Het geweld in de ring breidt zich uit naar de huiselijke sfeer, waarin vooral model en echtgenote Vikki slachtoffer wordt van de jaloezie en de agressie van Jake. Via Vikki stellen de auteurs van het scenario verborgen geweld tegen vrouwen aan de kaak. Telkens wanneer LaMotta zijn woede voelt opkomen en niet kan reguleren vertraagt het beeld. De slow motions dienen om als kijker inzage te krijgen in de mentale processen van LaMotta en te begrijpen op wat voor donkere plaats hij zich bevindt.

Een probleem voor LaMotta is dat hij vanwege fysieke kenmerken niet kan promoveren tot een hogere boksklasse, hoewel daar gezien zijn prestaties reden toe is. Dat is vernederend voor een bokser: in de ring gaan staan met een opponent van wie hij van tevoren weet dat deze zwakker is. Tijdens een laatste, beslissend gevecht kiest LaMotta er omwille van zijn eer dan ook voor om zich niet door Sugar Ray Robinson te laten neerslaan. Hij laat zich in de touwen vallen, hangt in de kruishouding en nodigt Robinson uit hem af te maken. Dit verwijst naar een orthodoxe interpretatie van het lijden en sterven van Christus: als individu iets doen, zodat een ander niet hoeft te lijden. LaMotta’s verzoek lijkt op het aflossen van een collectief opgebouwde schuld door het bloed. Het geweld van Vietnam wordt toegepast op de Amerikaanse droom.

De regisseur Martin Scorsese slaagt erin de aversie van de kijker te wekken ten opzichte van LaMotta. Met name door de wijze waarop hij met Vikki omgaat. Toch kun je LaMotta ook zien als iemand die lijdt, misschien wel het meest aan zichzelf, en medelijdenswaardig is. Trekken we de film in de christelijk religieuze sfeer dan kunnen we als de clou van de film zien: het offer dat je kunt brengen om een persoon die jouw wereld ruïneert te vergeven. Van de film stappen we nu over op de betekenis van christelijke vergeving.

Christelijke vergeving is in essentie een God-georiënteerd proces. En het is typisch protestants om niet zo zeker te zijn van de garantie van vergeving en deze zaak liever over te laten aan de relatie tussen een overtreder en God. Wellicht komt in die terughoudendheid tot uitdrukking dat we vergeving niet normaal willen gaan vinden. Vergeving doet het onmogelijke door te vergeven wat eigenlijk onvergeeflijk is. Vergeving zou in het licht van het onmogelijke buitengewoon moeten blijven: alsof daden van vergeving het normale verloop van de historische tijdelijkheid onderbreken. Van Vikki zou ik niet durven vragen LaMotta zijn gedrag jegens haar te vergeven en het is vaak onbevredigend wanneer een ander borg staat voor vergeving die enkel door het slachtoffer kan worden geschonken. Dat is een reden om onderscheid te maken tussen vergeving bij mensen onderling en vergeving ‘door God’. Ik kom zo nog op dit onderscheid terug, maar eerst staan wij stil bij Psalm 50.

De inhumane manier waarop religieuze mensen hun medemensen behandelen, is het thema van de waarschuwingswoorden die klinken uit de mond van de psalmist in Psalm 50. In de ogen van de psalmist gebruiken de geadresseerden van de psalm religie en in het bijzonder het religieuze ritueel van de offerpraktijk om hun eigen ‘misdaden jegens de mensheid’ teniet te doen. Religieuze tijdgenoten van de psalmist gingen ervan uit dat offers brengen aan God een adequate compensatie vormde voor de onbeschaafde manier waarop zij hun medemensen behandelden.

Psalm 50 past in een Joods-christelijke geschiedenis van het begrip ‘vergeving’ en wordt ook wel een profetische psalm genoemd omdat het de liturgische opvattingen over dierenoffers en hypocriete godsdienstigheid ter discussie stelt en bekritiseert. De psalmist is bekend met het Joodse begrip teshuvah oftewel bekering, eerder dan vergeving, en een vereiste voor teshuvah, bekering is het doen van een bekentenis. Een andere vereiste is dat overtredingen jegens andere mensen niet langer worden begaan. Daarmee stelt vergeving een grens aan iets dat zonder interventie oneindig lang door kan gaan.

Wat de psalmist laat zien is dat hij heeft ingezien dat met die offerpraktijk een cyclus op gang wordt gebracht die onbevredigend is als het gaat om het vervullen van drie condities voor vergeving. Ten eerste het uiten van spijt voor het veroorzaken van deze specifieke schade ten aanzien van de persoon die een kwetsuur heeft opgelopen. Ten tweede het toegeven een persoon te willen zijn die een ander niet verwond en het tonen van dit commitment door woorden en daden. Ten derde te laten zien dat je vanuit het perspectief van de benadeelde persoon de berokkende schade ten gevolge van het letsel begrijpt. Deze drie voorwaarden komen tegemoet aan vergeving die door mensen, slachtoffers zelf, geschonken kan worden. Slachtoffers zijn vaak mensen die het hebben gewaagd een relatie van intieme, persoonlijke liefde en vriendschap op te bouwen en geleefd hebben op een manier die hen opende voor de mogelijkheid van verlies en verdriet. Het vragen en schenken van vergeving heeft als motief de wil tot verzoening. Als er in een bepaalde omgeving iets te vergeven valt dan is de vraag: hoe zouden we op deze plaats verzoening kunnen bereiken?

In het religieuze domein spreken we daarnaast ook nog van vergeving door God. Op Gods initiatief, zo stellen we ons voor, wordt de positieve verhouding van God tot de mens door God hersteld, nadat de mens deze verhouding heeft verstoord. In zowel het Oude Testament als het Nieuwe Testament wordt God gekarakteriseerd als een wegbereider voor vergeving, een figuur die uit is op verzoening. God is het denkbeeld dat een mens in staat stelt tot gewetenswroeging, berouw, boete, omkeer en bekering zonder dat het neurotisch begint te worden. God is het perspectief waartegenover een mens zich gereinigd kan voelen. Vaak gaat daar een confessie, dat wil zeggen een belijdenis, aan vooraf, die uitmondt in de vraag naar een verandering van hart en geest. De confessie gaat vaak gepaard met intens verdriet, angst, schaamte en apologie die het gehele eigen wezen raakt, niet slechts een reeks van slechte praktijken. De belijder brengt tot uitdrukking een volledig nieuw begin te willen maken, een nieuw persoon te worden.

Uiteindelijk zal ook de film Raging Bull de vraag naar verlossing stellen. Wanneer LaMotta in de gevangenis komt, is de cel de plaats van inkeer, verstilling en verzoening. Of hij een zondaar is, dat weet hij niet, hij weet slechts één ding: dat hij blind was en nu kan zien. LaMotta die buiten de ring misschien wel het meest tegen zichzelf bokst, wordt van zichzelf verlost of liever van zijn destructieve kanten. Een incarnatie in het vlees is het gevolg: spieren maken plaats voor vet en LaMotta wordt een entertainer. Dat de regisseur aan de film een citaat toevoegt dat ontleend is aan Johannes 9 is niet zonder reden. Zowel de blindgeborene als LaMotta hebben last van blindheid.

Voor de evangelist is de fysieke blindheid van de blindgeborene geen echte blindheid, maar is de geestelijke blindheid van de farizeeën de echte blindheid. Die ‘geestelijke blindheid’ bestond nu net uit de traditionele opvatting dat blindheid het gevolg zou zijn van menselijk handelen. Johannes 9 vers 1 tot 25 kunnen we, zoals Psalm 50, lezen als een profetische tekst en het evangelie bestaat eruit dat niet alleen de blindgeboren man zijn fysieke zicht krijgt, maar ook de farizeeën een nieuwe opvatting over de verhouding tussen lichaam en geest gaan ontwikkelen die hen bevrijdt van een denkfout die getuigt van een causale relatie die er niet is. De evangelist wil juist de religieuze en politieke leiders die de Thora interpreteerden en geloofden dat strikte navolging van wetten een mens dichter bij God konden brengen, tot geestelijk inzicht brengen. Hij schrijft dit genezingsverhaal om de leidende kringen tot verootmoediging te brengen, tot die attitude van bescheidenheid waarin alle schepselen elkaar kunnen vinden. Hij wil hen helpen te leren zien door onderscheid te maken tussen wat van levensbelang is en wat niet.

De weigering om te zien wat de concrete ander nodig heeft om voller te gaan leven en het handhaven van daartoe blokkerende wetten kunnen we lezen als een machtsblok waarop Gods openbaring stuit. De farizeeër leeft van de wet, niet van genade alleen. Voor Johannes zijn bekering en genade de diepste gronden van het menselijk bestaan. In de ervaring van de bepalingen van bekering en genade kan bijvoorbeeld ook een David in Psalm 51 zijn eigen liederen weer componeren, zijn psalmen zingen en zeggen: hoe een mens ook in de nacht van de boze is geweest en tot het licht omhooggestegen, hoe zijn lied in hem geboren werd uit zonde en schuld en in hem nieuw leven wekte zodat er vrede was tussen God en hem. Vergeving wordt mogelijk op het moment dat het onmogelijk schijnt. Haar geschiedenis begint, integendeel, pas bij het onvergeeflijke. Vergeving is niet te funderen in een politiek of een wet. Ze vraagt erom, gedachteloos, geschonken te worden, zonder uitwisseling en voorwaarden. Om haar eigen betekenis te behouden moet ze ‘betekenisloos’ zijn, geen doel kennen en niet op begrip rekenen.

Dan klinkt de wonderlijke stem die alle rechtspraak doet vergeten en alle paradoxen en aporieën doet verdwijnen. Alsof de belijder een symfonie van Mahler te horen krijgt waarin enkel onvoorwaardelijke liefde, vreugde en creativiteit doorklinken terwijl hij een Dies Irae in een requiem mis verwacht.

Amen

Zondag 5 juli 2020, Houtrustkerk Den Haag, zondag 12 juli, Scheppingskerk Leiderdorp, zondag 26 juli 2020, Julianakerk Sassenheim, zondag 2 augustus 2020, Dorpskerk Castricum, zondag 9 augustus 2020, Ontmoetingskerk Nieuwveen, zondag 16 augustus 2020, St. Pieterskerk Beesd, zondag 30 augustus 2020, Grote Kerk Oostzaan & zondag 6 september 2020, Emmaüs Ede

Overdenking naar aanleiding van Numeri 21:25-22:1 en Handelingen 8:26-40 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 5 juli 2020 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag, op zondag 12 juli om 10.00 uur in de Scheppingskerk te Leiderdorp, op zondag 26 juli 2020 om 10.00 uur in de Julianakerk te Sassenheim en op zondag 30 augustus 2020 om 10.00 uur in de Grote Kerk te Oostzaan, en uit de Nieuwe Bijbelvertaling op zondag 2 augustus 2020 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum, op zondag 9 augustus 2020 om 9.30 uur in de Ontmoetingskerk te Nieuwveen, op zondag 16 augustus 2020 om 10.00 uur in de St. Pieterskerk te Beesd en op zondag 6 september 2020 om 11.00 uur in kerkelijk centrum Emmaüs te Ede

Gemeente,

De Onafhankelijkheidsverklaring, het oprichtingsdocument van de Verenigde Staten, claimt dat alle mensen gelijk geschapen zijn en de onvervreemdbare rechten van leven, vrijheid en het streven naar geluk hebben. Dit statement, ondertekend door Thomas Jefferson, die leefde van 1743-1826, drukt wellicht meer dan enig ander document de zogeheten Amerikaanse droom, de Amerikaanse geloofsbelijdenis uit, en, als er zoiets is dat we de Amerikaanse ideologie kunnen noemen, dan maakt deze droom of geloofsbelijdenis er zeker deel van uit. Aan dit statement werd daarom op sleutelmomenten in de Amerikaanse politieke geschiedenis keer op keer gerefereerd: door Abraham Lincoln, in zijn Gettysburg Address gedurende de burgeroorlog in 1863, door Jefferson binnen de burgerrechtenbeweging van de jaren vijftig en zestig, het meest beroemd door de belangrijkste woordvoerder van deze beweging, Martin Luther King, in zijn speech gedurende de mars naar Washington in 1963. De twee sleutelmomenten van de Amerikaanse politieke geschiedenis waarin deze twee speeches werden gegeven waren beide omwentelingen, veroorzaakt door de ene belangrijke kwestie in de Amerikaanse geschiedenis en cultuur: de relatie tussen de Amerikaanse geloofsbelijdenis en ras, dat is: op ras-gebaseerde slavernij en de nasleep daarvan. Jeffersons Notities over de staat Virginia, gepubliceerd in 1787, elf jaar na het opstellen van de Onafhankelijkheidsverklaring, geeft inzicht in het problematische, ambigue karakter van deze relatie.

Jefferson was, van jongs af aan, een felle tegenstander van slavernij. Hij noemde slavernij “een abominabele misdaad” en veroordeelde het in de kladversie van de Onafhankelijkheidsverklaring, maar zijn anti-slavernij-uitspraken zijn uit de uiteindelijke versie verwijderd. In de Notities over de staat Virginia worstelt Jefferson met het probleem van slavernij en ras, een probleem, waarin hij gedurende zijn hele leven op verschillende manieren verwikkeld was: als revolutionair en politicus, als een van de grootste land- en slaveneigenaren in Virginia, als man, als minnaar, als ouder en meester van tot slaaf gemaakte kinderen en, als filosoof. Jefferson’s argument in de Notities over de staat Virginia is dat slavernij onrechtvaardig is en daarom moet worden afgeschaft, maar ook, omdat rechtvaardigheid in de natuur is ingebed, zal slavernij op de lange termijn onhoudbaar zijn en daarom worden afgeschaft; slavernij heeft op zwarte mensen het effect van het aanwakkeren van een blijvende haat jegens witte mensen, en daarom zal het samenwonen van de zwart-witte bevolking tot een rassenoorlog leiden, tot de mogelijke uitroeiing van de witte bevolking, die daarom, voor haar zelfbehoud, de zwarte bevolking moet deporteren. Dit is volgens Jefferson het politieke bezwaar tegen het samenleven van de zwarte en witte bevolking. Hij voegt daar nog wat hij noemt “fysieke en morele bezwaren” aan toe die een biologisch bezwaar tegen de samenleving van zwarte en witte mensen vormt, of, beter, tegen de vermenging van zwarte en witte mensen door geslachtsgemeenschap.

Aan de ene kant was Jefferson, lijkt het, diep overtuigd van de gelijkheid van mensen, de gelijkheid van zwarte en witte mensen, een gelijkheid die inhield dat ze allemaal een moreel gevoel hebben. Aan de andere kant lijkt hij ook diep overtuigd te zijn van de inferioriteit van zwarte mensen, een inferioriteit van lichaam en intellect, dat hij zeer weinig overtuigend probeert te rechtvaardigen als iets van de natuur, niet van conditie. Hij lijkt helemaal niet zeker dat zwarte en witte mensen van dezelfde soort zijn, dezelfde rang in de natuur hebben, en vreest hun vermenging. Kortom, Jefferson lijkt nogal verdeeld over de gelijkheid van zwarte en witte mensen.

Volgens sommigen is slavernij gebaseerd op ras, op racisme, met betrekking tot de oorsprong en de innerlijke werking van het Amerikaanse politieke systeem, de Amerikaanse democratie, niet een ongerelateerd, contingent historisch feit, maar een fundamenteel feit en, volgens sommigen is op ras-gebaseerde slavernij binnen de hedendaagse Amerikaanse samenleving niet enigerlei historisch, verleden feit, maar een nog steeds zeer actueel feit en moet, volgens sommigen, het centrale feit zijn in elke uitleg van de belangrijkste kenmerken van huidig sociaal, politiek en cultureel leven in de Verenigde Staten.

De centraliteit van het probleem van op ras-gebaseerde slavernij voor de toekomstige ontwikkeling van de Verenigde Staten werd heel scherp gezien, voorzien, door Thomas Jefferson, omdat hij, ten eerste, voorzag dat het probleem van slavernij onvermijdelijk zou leiden tot een breuk van de Verenigde Staten, een burgeroorlog, die inderdaad heeft plaatsgevonden in de jaren 1861 tot 1865 en, ten tweede, hij voorzag, in de Notities over de staat Virginia, dat de afschaffing van de slavernij in combinatie met de voortdurende aanwezigheid van de zwarte bevolking binnen het grondgebied van de Verenigde Staten, onvermijdelijk zou leiden tot een rassenoorlog, die, volgens sommigen, inderdaad heeft plaatsgevonden en vandaag nog steeds plaatsvindt, omdat de afschaffing van de slavernij in 1865 en de daaropvolgende mislukking van de zogeheten Reconstructie in de zuidelijke staten in de jaren 1865 tot 1877, werd gevolgd door gelegaliseerde rassenscheiding in de jaren 1877 tot 1965. Deze rassenscheiding werd gelegaliseerd door de zogeheten Jim Crow wetten, en door het terrorisme van lynchen, en werd in de jaren 1916 tot 1970 gevolgd door de zogeheten Grote migratie van zes miljoen zwarte Amerikanen van de zuidelijke naar de noordelijke staten, en werd vanaf 1970 en verder gevolgd door de massale opsluiting van zwarte Amerikanen, om slechts enkele van de belangrijkste evenementen te noemen van deze ontwikkeling, die, zoals gezegd, volgens sommigen, inderdaad de rassenoorlog is die Thomas Jefferson voorzag.

Jefferson, klaarblijkelijk een racist, leek verdeeld, maar kon zich, lijkt me, niet zo goed bewust zijn geweest van de diepgeworteldheid van de vooroordelen van zijn landgenoten met betrekking tot zwarte mensen, hun voortdurend racisme, en zo vooruitziend de rassenoorlog te voorzien, de hete en de koude oorlog, die zo diep de geschiedenis van de Verenigde Staten hebben bepaald en bepalen, als hij het niet zelf onmogelijk achtte zwarte mensen in alle opzichten als gelijken te beschouwen.

Het diepgewortelde racisme van de Amerikaanse cultuur lijkt verbonden te zijn met een meer algemeen diepgeworteld geweld in de Amerikaanse cultuur. De Verenigde Staten heeft een geschiedenis van huiselijk geweld: een geschiedenis, omdat geweld frequent is, omvangrijk, bijna alledaags in de Amerikaanse geschiedenis, vanaf het begin (de gewelddadige verovering van het land en uitroeiing van de indiaanse volkeren) tot vandaag (het aantal wapens in het land, het aantal schietpartijen), maar geen traditie, omdat het te divers, diffuus en spontaan is geweest en omdat de Verenigde Staten een opmerkelijk gebrek aan geheugen heeft wat geweld betreft.

Het geweld van de eerste Europese verovering en bezetting, en van de volgende Amerikaanse verovering van het westen in de negentiende eeuw is gerechtvaardigd door het geloof in Amerika’s zogeheten Manifeste bestemming. Naast de Amerikaanse droom of geloofsbelijdenis, lijkt dit geloof in een missie, een Manifeste bestemming een ander essentieel element te zijn van de Amerikaanse ideologie. Racisme, de overtuiging van de inferioriteit van andere mensen, de in de loop van deze Amerikaanse missie onderworpen mensen – Indianen, Afro-Amerikanen, Mexicanen en Haïtianen – was, en is nog steeds, onlosmakelijk deel van deze Amerikaanse ideologie.

In de twintigste eeuw, in de nasleep van de interventie van de Verenigde Staten in beide wereldoorlogen, is een bepaald type imperialisme deel geworden van de Amerikaanse ideologie. De Amerikaanse missie werd geglobaliseerd in een missie om de wereld te beschermen en te bevrijden voor democratie, maar ook deze twintigste-eeuwse en eenentwintigste-eeuwse versie van de Amerikaanse ideologie is gebaseerd op de overtuiging van de inferioriteit van de mensen die het object zijn van deze missie van bescherming en bevrijding.

De Amerikaanse ideologie is een specifieke vorm van de ideologie die de westerse koloniale expansie en imperialisme, de ideologie van de moderniteit rechtvaardigen. De moderniteit die, zoals Descartes zegt, streeft naar de beheersing van de natuur door het gebruik van de rede; een beheersing van de wereld en alles wat zich daarin bevindt door degenen die claimen de representanten te zijn van de rede, van beschaving, van progressie, van geschiedenis. De koloniale expansie was vanaf het begin gerechtvaardigd door een ideologie die het recht van de superieur claimde, want meer beschaafd, meer menselijke, westerse, witte christenen om de rest van de wereld te onderwerpen en te regeren, en zichzelf te verrijken.

De Amerikaanse ideologie is een vorm van de algemene, westerse ideologie van de moderniteit, maar zijn eigenaardigheden worden bepaald door de zeer bijzondere Amerikaanse situatie, die door sommigen wordt gekarakteriseerd als ‘intern kolonialisme’. Terwijl andere westerse bevoegdheden gedurende de koloniale en imperialistische periode hun koloniën hadden en anderen gebieden en mensen op een afstand onderwierpen, meestal heel ver weg, onderwierp de Verenigde Staten, als een kolonistenkolonie, mensen – autochtoon en geïmporteerd – en koloniale, plantage landbouw binnen zijn eigen grootstedelijk gebied; en terwijl voor alle andere westerse landen het proces van dekolonisatie een buitenlandse zaak was, was en is het voor de Verenigde Staten een binnenlandse aangelegenheid: de nog steeds gaande rassenoorlog die zich in de twintigste eeuw manifesteerde in de Grote migratie, de burgerrechtenbeweging en de massale gevangenschap van Afrikaanse Amerikanen. Dus, hoewel het geweld van de Amerikaanse cultuur en geschiedenis tot op zekere hoogte typisch is, is het ook nauw verbonden met het geweld van de westerse cultuur en geschiedenis in de moderniteit.

Deze westerse ideologie van de moderniteit zelf kan worden teruggeleid naar de Griekse, joodse en christelijke wortels van de westerse cultuur. In de Griekse cultuur – in de Historiën van Herodotus en in Aristoteles’ Politika bijvoorbeeld – en in joodse en christelijke cultuur – in Numeri 21:25-22:1 en Handelingen 8:26-40 bijvoorbeeld – vindt men dit sterke gevoel van de superioriteit en van de missie van de eigen cultuur.

Begrijpelijkerwijs kunnen deze gevoelens van superioriteit van de eigen groep, mensen, ras, beschaving, en deze vijandigheid en dit geweld ten aanzien van andere groepen, mensen, rassen en beschavingen een algemeen kenmerk zijn van alle menselijke groepen, mensen, rassen, beschavingen en hun ideologieën, maar dit kan ons niet ontslaan van de taak om de bijzonderheden te bestuderen van de ideologieën die op dit moment in de tijd proberen, redelijk succesvol, de wereld te regeren, ons te regeren.

Amen

Zondag 12 januari 2020, Kerkelijk Centrum Emmaüs Ede, zondag 26 januari 2020, Gereformeerde Kerk Woubrugge, zondag 2 februari 2020, De Wingerd Krimpen aan den IJssel, zondag 9 februari 2020, Hervormde wijkgemeente De Hoeksteen Zwijndrecht, zondag 23 februari 2020, Protestantse Wijkgemeente Pauluskerk Breukelen, zondag 1 maart 2020, Protestantse Gemeente De Bron Amsterdam-Watergraafsmeer & zondag 8 maart 2020 10.00 uur Protestantse Kerk Egmond aan Zee

Preek naar aanleiding van Psalm 51 en Johannes 12:20-33 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op zondag 12 januari 2020 om 10.30 uur in Kerkelijk Centrum Emmaüs te Ede en uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 26 januari 2020 om 09.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge, voor de viering op zondag 2 februari 2020 om 10.00 uur in De Wingerd te Krimpen aan den IJssel, voor de viering op zondag 9 februari 2020 om 10.00 uur in de Hervormde wijkgemeente De Hoeksteen te Zwijndrecht, voor de viering op zondag 23 februari 2020 om 10.00 uur in de Protestantse wijkgemeente Pauluskerk te Breukelen, voor de viering op zondag 1 maart 2020 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente De Bron te Amsterdam-Watergraafsmeer en voor de viering op zondag 8 maart 2020 om 10.00 uur in de Protestantse Kerk te Egmond aan Zee.

Gemeente,

De geest van de mens komt in beweging door een schok die de mens verandert in het onderpand van het onbeheersbare andere in de individuele psyche. Die gebeurtenis dringt niet alleen de geest binnen, het opent de mens ook werkelijk. Je kunt ‘het andere’ vergelijken met het vreemde in je eigen huis dat gemakkelijk wordt vergeten, en dat noodzakelijk in de vergetelheid moet raken wil de mens weer grip krijgen op zichzelf.

David had soms slapeloze nachten en steeds meer moeite zichzelf in de ogen te zien. Hij had Batseba verkracht en opdracht gegeven zijn grote concurrent Uria te vermoorden. Hij had die daden lang geheim gehouden en hij schaamde zich. Zou David in onze samenleving hebben geleefd, dan zou hij in de gevangenis terecht komen. Op die vorm van strafrecht kon de gelovige jood niet bogen; hij doet een beroep op een reinheidscultus om het bezwaarde geweten te verlichten. De jood beschikt nog niet over een juridisch of ethisch stelsel dat hem in staat stelt zijn schuld op zich te nemen of zijn vrijheid te accepteren, en blijft daardoor met een bedrukt gezicht rondlopen.

De wijze waarop David zijn misère verwoordt, laat een breuk zien met offerpraktijken binnen het jodendom. Voor David waren die niet langer toereikend om zijn innerlijke pijn te verzachten. David was zich vaag bewust van iets waar hij maar moeilijk de vinger op kon leggen. Het maakte hem onrustig, hij maakte lange wandelingen, zwierf en poogde te achterhalen en te definiëren wat hij niet kon begrijpen. In huis legde hij soms een minutieuze properheid aan de dag en op zijn werk kon hij zich steeds moeilijker concentreren. Nieuwe informatie tot zich nemen lukte niet meer en er leken grote gaten in zijn geheugen te zitten. Eerdere kennis kon hij moeilijk ophalen. Hij maakte vergissingen, zei afspraken af, miste zelfvertrouwen, verloor zijn vrijmoedigheid en werd slordig in z’n presentatie. Hij was niet meer gemotiveerd voor poëzie, muziek en krijgskunst. David had zichzelf opgesloten onder een dichte hemel en plande niet meer, omdat hij zijn leven volledig vertijdelijkte.

Zonder ‘de grond van zijn bestaan’ was David genoodzaakt zijn eigen schepper te zijn en overvroeg hij zichzelf geestelijk. De zelfbezorging die oorspronkelijk God toekwam, ging tegelijkertijd fungeren als een manier voor zelfrechtvaardiging. Waar David ook kwam, hij had overal iets uit te leggen en reageerde defensief als hem iets werd gevraagd. Als hij open en welwillend werd benaderd, stuurde hij het gesprek zo dat er een conflictueuze verhouding ontstond, liet zich niet tot dat domein van de realiteit betrekken waardoor hij ‘meer mens werd’, en werd in toenemende mate een vreemde voor zichzelf.

David vernam niets meer van God; zijn leven werd een antischepping. De eenheid in de vorm van vriendschap met ‘de Ene’ was vernietigd. David had die navelstreng doorgeknipt en sindsdien begonnen de dingen hun kleur te verliezen. Het gebed liet hij graag aan een ander over. David stond tegenover een zwijgende God. Aan sociale evenementen nam hij niet meer deel. Bereikten berichten uit de samenleving hem, dan wendde hij z’n gezicht af. Hij voelde hoe hij hoe langer hoe meer afgescheiden werd, afgezonderd van het menselijk bestaan en een gefragmentariseerd leven leidde. Over de gehele reikwijdte van zijn leven ervoer David een verlies van levendigheid die eigen is aan de verbinding tussen God en mens. Hij vond geen woord om de lading van wat er in zijn leven gaande was te benoemen. Het was als een groot ‘ding’ dat onzichtbaar en toch levensecht voor hem stond en tegelijkertijd een kleinigheid, een futiliteit die je met het grootste gemak aan de kant kon schuiven. En toch bleef dat onding ongrijpbaar.

Toen Natan hoorde dat de deur van Davids toekomst op slot zat en hij bij David over de drempel stapte, was het alsof een nachtdier in een felle lichtbundel werd gevangen. In een pastoraal gesprek had de profeet Natan David uitgenodigd een geloofsbelijdenis te schrijven, waarin David zich voorstelde dat hij onder vier ogen met God sprak en waarin volop ruimte was stem te geven aan zijn situatie. Die interventie was erop gericht de vrijheid in de historische ontwikkeling van David te beschermen en weer op gang te brengen.

Natan wist hoe gevoelig David was voor ‘smetvrees’ op het punt van zijn publieke reputatie en schatte in dat een persoonlijke geloofsbelijdenis op David een reinigende werking zou hebben. De brief zou een spijtbetuiging worden en een vraag om een comeback bevatten aan de liefde van zijn leven.

Nadat Davids lijden tot dramatische hoogten was gevoerd en hij daar zelf niet van kon loskomen, was het Natan die hem de tijd van berouw aanzei. Berouw laat zien dat een mens iets uit de weg had kunnen gaan. Het is het ‘middel’ waardoor een mens tot een nieuwe positiviteit kan komen, door nieuwe zelfkennis in staat wordt gesteld bij te leren en God weer een afdruk van zijn wezen in de mens kan achterlaten.

Een vooronderstelling van berouw is individuele schuld. Schuld is volgens Natan een ‘bestanddeel’ dat niet mag worden veralgemeniseerd. Hij had David aangespoord een concreet begin te maken met een particuliere ‘misstap’ om een connectie op het spoor te komen van deze of gene bijzondere zonde. Dit was het woord waarnaar David had gezocht en waar hij al die tijd niet op kon komen, juist omdat hij God niet kon zien. In zijn joodse voorstellingsvermogen was nodig ‘puur’, ‘rein’, een ‘heilige’ te zijn, iemand met schone handen. Davids heidense collega’s die niet rekenden met een God zouden de kwalificatie ‘zonde’ niet laten vallen. Ze hadden er niets mee, dachten niet in termen van dit begrip. In de pagane wereld is zonde een rariteit. Maar het mensbeeld van David was gepolijst naar een klassiek joods model en dus kwam er van heinde en verre een profeet opdagen, die een eerste stap zette om hem uit de effecten van zijn daden en zijn vastgelopen geschiedenis te bevrijden.

David zonderde zich af, ging zitten en kwam tot inkeer, herkende en erkende dat de keuzes die hij maakte vrijwillig waren, alleen hij er verantwoordelijk voor was.

En toen schreef hij zijn zondebekentenis die een aantal aspecten van de religieuze ervaring belicht en die verschilt van een schuldbekentenis. Wat iemand die een schuldbekentenis aflegt doet, is een instantie binnen de eigen leefwereld zoeken die haar of zijn schuld aflost. Wat de religieus gelovige doet die zonden opbiecht, is een absoluut zijnde, God, buiten de eigen existentie zoeken die haar of zijn zonde verwijdert en haar of hem transformeert.

De confessie als ‘bedevaartsoord’ vormt een weg die afgewisseld wordt met stiltes, aandacht, bezinning en verwondering en die een mens inleidt in de religieuze sfeer. David had zich een nul gevoeld, en voor de profeet Natan was dat nihilistische zelfverstaan een goed beginpunt om God te naderen. Tijdens het schrijfproces drukte een last soms zwaar op David, werd dan weer lichter als had hij een hevige koorts waarbij de temperatuur heen en weer schommelde. Hij voerde zijn berouw door tot een pleisterplaats waarop hij zelf niet langer aan zet was. Een laatste rest zonde liet hij over aan ‘het andere’, die ballast kieperde hij over de rand van zijn bestaan en verwachtte nu alles van buiten.

Hierop volgt de ontknoping van de zonde die in de bijbel wel ‘genade’ wordt genoemd. Ze is ook poëtisch te beschrijven als de terugkeer van de glans in de wereld. Die terugkeer is mogelijk als een mens in geloof met het eigen leven antwoord geeft op de vernomen roep van buiten.

Dikke druppels zweet gutsten van Davids voorhoofd. Hij voelde het bloed in zijn aderen stromen, de tranen biggelden over zijn wangen. De graankorrel van het juk dat hij al zo lang met zich meesleepte, viel in de aarde en stierf. David liet zijn ‘ziele-onheil’ los.

Toen gebeurde het dat Batseba uit haar werk kwam, de balkondeur van de genade openzette, zijn belijdenis bedekte met bloemen als was het een graf, haar gelaat naar hem toewendde en hem overlaadde met kussen. Hij kon in haar weinig anders dan de belichaming van de hoge eis van de liefde zien. David deed zijn ogen open, voelde hoe hij van zijn blindheid was bevrijd, ontving het geschenk van een nieuw ik en herkreeg z’n zelfvertrouwen. Vanuit een nieuwe onbevangenheid leerde hij weer vorm te geven aan zijn leven, activeerde z’n vermogens, werd capabel en bekwaam, kreeg weer ambities, kortom, zijn zelfwording kwam weer ten volle uit de verf. En als hij, jaren na dato, nog weleens terugkeek op die periode, dan kon hij dat nog enkel doen vanuit het besef dat hij zijn leven dankte aan de vergeving van een menigvuldigheid aan zonden.

Amen

Zondag 29 december 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum & dinsdag 31 december 2019 ‘Hervormde Kerk’ Hoogmade

Preek naar aanleiding van Psalm 25 en Openbaring 22:8-21 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 29 december 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum van de Protestantse Kerk Castricum en voor de viering van Oudjaar op dinsdag 31 december 2019 in de Hervormde Kerk te Hoogmade van de Protestantse Gemeente Hoogmade-Rijpwetering

Gemeente,

Als u terugblikt op uw leven zoals u uw leven het afgelopen jaar leefde, doet u dat dan ook in beelden, en zo ja, welke? Waarom denken mensen over hun leven na in termen van beelden?

De auteur van het boek Openbaring schrijft voor een groep gelovigen die in de uitoefening van hun religieuze beleving veel weerstand ontmoetten. Zij leefden in een samenleving waarin de Romeinse keizer als heer van de historie en de wereld werd geadoreerd. Sloeg je op school, in bibliotheek of boekhandel een geschiedenisboek open, dan trof je als Israëlitisch burger kolommen tekst aan waarin de keizercultus breed werd uitgemeten: op menig pagina stonden levensgrote illustraties van een koning, keizer of ander politiek-economisch gezagsdrager, doorkruiste je de stad dan kwam je in het imperium van de keizer om de tweehonderd meter een standbeeld van hem tegen, wie betaalde gebruikte daarvoor muntgeld met een afbeelding van de keizer. Als inwoner was het de plicht van de Israëliet te participeren in die keizercultus. Het weigeren de keizer te erkennen als hoogste gezagsdrager van zowel een politiek als een ideologisch rijk riep vijandigheid en vervolging op. Een bijkomstig probleem was dat die keizer beweerde zijn gezag op religieuze basis uit te voeren. Een vorst die zijn macht stoelt op religie heeft al gauw het laatste woord. De religie wordt dan een middel om mee te schermen.

Johannes vond die Romeinse keizer een beest. De keizercultus plaatste de religieus gelovige voor een onmogelijk dilemma. De ziel van de gelovige was permanent op weg naar ‘de Ene’. ‘De Ene’ eiste al haar of zijn aandacht op en zij of hij wilde trouw blijven aan haar of zijn eerste liefde. De gelovige lag aan Gods voeten en kon die vorm van religieuze aanbidding niet opbrengen voor een mens, die devotie kwam ook de keizer niet toe.

Johannes dacht lang na over het genre dat hij zou hanteren om de christenen in zijn tijd aan te sporen te volharden in hun weigering aan de keizer te geven was des Godes is en God te geven was des keizers is. Een argumentatief betoog of historisch relaas kon hij wegstrepen. Een traditioneel religieus volkslied achtte hij te simpel en te swingend voor de hachelijke situatie waarin de gelovige zich bevond en zou al gauw het karakter krijgen van een ‘heiligenmars’ die kwaad bloed zette bij de vertegenwoordigers van de keizercultus.

Wat Johannes gaat doen, is een museum creëren waarin schilderijen hangen die gezamenlijk een eschatologie uitbeelden, dat wil zeggen ‘een begin van het einde’ van in zijn geval een keizerrijk. En daarmee luidt hij ‘een nieuw jaar’ in. In een literair, geschreven werk beeldt hij, als zat hij voor een schildersezel, zijn visioenen uit en doopt zijn ‘pen’ daarbij in de apocalyps. De apocalyps is de natuurlijke taal van de religie. Het is de taal van de openbaring waardoor de gelovige in staat is haar of zijn geloof tot het einde toe vast te houden en te beleven. De apocalyps is een goudmijn van profetie. Een apocalyps doet geen voorspellingen over het einde van de empirische wereld, gaat niet over wat een wereld gaat overkomen.

De apocalypticus begeeft zich niet op het gladde ijs van de speculatie waar een religieus gelovige in haar of zijn tijd bovendien niet mee geholpen is. Een apocalypticus is een figuur die ‘beelden’ voor zich ziet en opschrijft met als doel gevoelens bij de lezer(es) op te roepen en een reactie teweeg te brengen. De lezer(es) mag zich als een museumbezoeker vrijelijk van zaal naar zaal bewegen en zelf bepalen welke schilderij haar of hem aanspreekt, op welke wijze zij of hij door ‘het visuele’ wordt geraakt en hoe zij of hij er antwoord op gaat geven. Het is alsof Johannes achter een projector staat en sheet voor sheet laat zien, in de hoop dat de stemming van de Israëliet omslaat. Hij zegt een bepaalde hoop voor en geeft daarmee een religieuze uitleg van zijn tijd.

In de wijze van de openbaring die Johannes voor zijn tijdgenoten uitvouwt, ervoer de gelovige dat er religieuze mededelingen en boodschappen over de werkelijkheid werden gedaan. De openbaring bood de gelovige oriëntatie in een werkelijkheid zoals het luiden van een klok, het meten van de wind op een mast met een anemometer of een krant je helpen je positie te bepalen. De gelovige kreeg met de bezorging van de openbaring het idee dat haar of zijn smeekbeden en klaagliederen werden verhoord. Op al die sheets werden beelden en metaforen gebruikt die, als je ze met elkaar verenigt, een pad uitstippelden waarop de voet van de gelovige kon gaan. De apocalyps heeft bijna de functie van een klok: ze gaf de huidige tijd aan en begeleidde de gelovige naar de toekomst. De metafoor die Johannes gebruikt voor het leven is die van een weg.

En er gebeurt nog iets meer in de apocalyps. Zoals een eenentwintigste-eeuwer de symbooltaal in de openbaring nauwelijks kan begrijpen, zo stond ook een Romein voor een raadsel met dit type schrijven. En dat is precies Johannes’ intentie, want met zijn beeldbeschrijvingen bedient hij zich van een figuurlijke, overdrachtelijke taal die voor de christelijke gelovige van zijn tijd goed te volgen is. Johannes beschermt en ‘onderricht’ zijn lezer(es)s(en) tegelijkertijd. Schrijft Johannes “engel”, dan wist de gelovige dat hij doelde op een persoon die een boodschap kwam brengen. Gebruikte Johannes het woord “kleding”, dan las de gelovige daarin ‘iemands kwaliteit, waardigheid of handelwijze’. Las je “zegel”, dan betekende die term ‘iemand toebehoren’. “Alfa en omega”? Dat gaat over begin en einde. En kwam je het subjectivum ‘boek’ tegen, dan kon je al raden dat Johannes daarbij aan de zin van de geschiedenis dacht. Al lezende ontcijferde en ontleedde de religieus gelovige Johannes’ beeldtaal. Die taal is dus heel geschikt om op een voor de Romein verkapte wijze de Israëliet te ondersteunen in de verwoording van levenservaringen, geloof uit te drukken dat tot de verbeelding spreekt, emoties op te wekken en tot handelen aan te zetten.

Lijken Johannes’ schetsen nog op enige wijze op de wereld waarin wij leven? Hoe ziet ons heden eruit? Hoe kijken wij naar onze tijd? Valt er nog iets van de toekomst te verwachten? Welk type beelden spreken ons aan op een manier dat wij er iets van onze tijd in herkennen? Hoe verhoud ik mij tot de wijze waarop hedendaagse publieke figuren voorstellingen naar voren brengen over de wereld, de ander, de geschiedenis en de toekomstige tijd? Herken ik het dilemma van de gelovige in die Romeins-christelijke cultuur dat er op een bepaald front zoveel aandacht van mij wordt gevraagd, dat ik die intensiteit niet kan opbrengen en tot het besef kom dat ook ik geen twee heren kan dienen? Het gebed van Johannes om de komst van God die feestelijk de stad van licht en leven opent, is dat een utopie of kan ik er ook iets van zien in de suiker op de warme oliebollen, de slagroom in de nieuwjaarsrolletjes, knallende champagnekurken, feestkleding en het siervuurwerk dat schittert aan de hemeltrans?

Oudjaar leent zich voor bespiegeling. Het is alsof je een laken optilt waar je behalve eerder slechts contouren te zien, nu ook onder kunt kijken. Voor het aankomende jaar kunnen leidvragen zijn: waarnaar is mijn ziel onderweg? Naar wie kijk ik uit? En ik neem me voor – niet als teken van egozwakte, maar als geloofsact – loyaal te zijn aan mijn passies, ook als die moeilijk te realiseren zijn, omdat ik in waarheid wil leven. Dan leef ik niet in tegenspraak met mezelf, maar leid ik een leven in overeenkomst met een notie van God.

Amen