Zondag 26 september 2021, Oudshoornsekerk Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Jeremia 7:1-11 en Matteüs 21:10-17 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op startzondag 26 september 2021 om 17.00 uur in de Oudshoornsekerk van de Protestantse Gemeente te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Op veel fotomateriaal van sociaal-cultureel leven in Europa uit de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw staan grote gezinnen afgebeeld, die zich huisvesten in relatief kleine woonruimtes. Meerdere kinderen sliepen in een ledikant of bedstee, werden gewassen in een tobbe in de keuken en één ruimte had vaak meerdere functies. De huishoudsamenstelling van Europeanen in de tweede helft van de twintigste eeuw en de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw is gemiddeld kleiner dan in de twee eeuwen die eraan vooraf gingen. Uitgaande van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek kun je tot krimp van de bevolkingsgroei en privatisering concluderen. Een kleiner aantal mensen neemt in verhouding meer ruimte in.

Had u als kind, jongere, adolescent een eigen plaats die u met niemand anders hoefde te delen? Heeft u nu ergens een oord gecreëerd, waarin u zich thuis voelt? Is er een ‘stukje grond’ waarop u zich veilig voelt en uzelf kunt zijn? Als een kind opgroeit, heeft het vaak behoefte aan een persoonlijk domein, een klein naar eigen smaak ingericht ‘koninkrijk’ waar het op kan gaan in de eigen wereld. Het construeren van hutten in hoge bomen, het inrichten van bouw- en poppenhoeken in peuterspeelzalen en kleuterscholen, en het markeren van loungeterreinen en hangplekken voor jongeren in de openbare ruimte faciliteren een ‘drang’ ruimte te benutten voor de ontwikkeling van de eigen identiteit. Het aanbrengen van scheidingen in privéruimten en het publieke domein voorziet in de mogelijkheid voor met name kinderen en jongeren zichzelf te ontdekken, de eigen denkwereld te creëren, zorgeloos te spelen, sociaal te interacteren met leeftijdsgenoten, met andere ‘hobbyisten’ een gedeelde passie te beoefenen en een persoon te worden.

Zoals een jongere in het huidige tijdsbestek oeverloos kan gamen, voetballen of te vinden is op de halfpipe van een skatebaan, op vergelijkbare wijze kon Jezus van Nazareth urenlang ‘spelen’ in de synagoge. Deze joodse religieuze ruimte was een van de weinige gebouwen die een sfeer ademde waarin hij zich kon vinden. Hoewel hij zich later ontwikkelde tot een idealist, zijn ‘systeem’ wilde doorvoeren in de politiek en een goed besef had van ‘hoe de financiële wereld in elkaar zat’, zette hij al z’n kaarten op de religie. In de wereld van de geest werden volgens hem baanbrekende beslissingen genomen. In de synagoge bestudeerde hij de Thora, voerde er geloofsgesprekken met de rabbi’s van zijn tijd, bad en mediteerde er. Hij vergat dan pardoes openings- en sluitingstijden. Bij het vallen van de avond stond een bezorgde, onrustige moeder Maria bij de ingang: waar hij nu toch bleef, ze hadden met het hele gezin op hem gewacht, waren alvast begonnen, ze had wat van de vissoep en het gevulde brood bewaard.

Maria had opgemerkt dat Jezus weinig gaf om persoonlijke ruimte thuis, meer aandacht had voor een boek dan voor koek en anders was dan andere kinderen. Hij was een dromer, iemand die met zijn gedachten altijd ‘in de dingen van zijn vader’ was. Een vader die zich bij uitstek in synagoge en tempel liet vinden. Op z’n twaalfde kreeg Jezus van die vader de ‘opdracht’ verantwoordelijkheid voor anderen te dragen.

Inmiddels oud genoeg om voor zichzelf te zorgen, was het zijn taak de religie in het publieke domein een heilige ruimte te laten zijn en uit te breiden met een ‘ziekenhoek’ voor de lammen en de blinden. Een oude traditie verbood deze mensen – wellicht vanuit een misplaatste angst voor besmetting – de tempel binnen te treden. De farizeeërs hanteerden deze traditie als een universele, tijdloze regel.

De lamme en de blinde konden niet rekenen op de reguliere ziekenhuizen zoals wij die vandaag de dag kennen of op extra voorzieningen binnen een instelling als ‘de gezondheidszorg’. De emancipatie van mensen met een functiebeperking liet nog op zich wachten. Rollators, rolstoelen, prothesen, extra leuningen, vlonders en opstaphulpstukken, een aangepaste woning, braille en inspreekapparatuur zijn typisch moderne uitvindingen. De lamme en de blinde werden dubbel gevictimiseerd: vanwege een gebrek aan vitaliteit bevonden zij zich in een economische achterstandspositie en ook in de tempel werd hen de toegang geweigerd. Die scheiding van de sociaal-religieuze gemeenschap leidde tot isolatie en intens persoonlijk lijden.

Jezus had niet lang gedelibereerd, nam religieus gezien een liberale positie in en gaat de toegankelijkheid van de tempel vergroten voor de mens die zich futloos voelt en (nog) niet in staat is om voor het eigen brood te werken. Hij biedt deze mensen een volwaardige plaats in de samenleving aan. Jezus beschikte niet over de medische expertise lammen en blinden in somatische zin te genezen en een ‘wonderdokter’ was hij evenmin. Maar met het verbreken van een oude godsdienstwet zet hij een revolutionaire stap die ervoor zorgt dat het sociale leven van ‘lamme en blinde’ weer zo wordt doorbloed, dat de afstand die zij hadden tot de arbeidsmarkt wordt verkleind. De tempel fungeerde namelijk niet alleen als een religieuze ruimte, een gebedshuis – ze was ook sociaal van aard. Tempelgangers van heinde en verre en uit alle geledingen van de samenleving en het bedrijfsleven verzamelden er zich, ontmoetten elkaar, dialogiseerden en wisselden informatie uit. De blinde ging naderhand naar huis met ideeën over werk en inkomen. Haar kwam ter ore dat men in een muziekzaak in Jeruzalem zocht naar iemand die instrumenten kon afstemmen en repareren. De lamme deed er contacten op die bereid waren hem te vervoeren en op die wijze zijn mobiliteit vergrootten.

Er zijn ‘schriftplaatsen’ waarin auteurs getuigen van de visie dat religie niet tot ethiek is terug te voeren. Godsdienstige handelingen belichamen in die gevallen een denkwijze en existentiesfeer die buiten de ethiek valt en vaak ‘overtreft’. Jeremia en Matteüs zijn een religie- en cultuurkritiek ineen, omdat religie en cultuur een denkbeeld en praktijk in leven houden die neerkomt op de discriminatie van ‘gehandicapten’ en sociale en economische ongelijkheid in stand houdt.

Profeet en evangelist waren zo verontwaardigd over die stand van zaken, dat zij hun literaire activiteit aanwendden om de geloofwaardigheid van de religie en het volgens hen misplaatste vertrouwen in religieuze riten aan de orde te stellen. Als er een plaats was waar de minderbedeelde terecht moest kunnen om er haar of zijn hart ‘tegenover God’ uit te storten, zo niet bij binnenkomst een VIP-kaartje zou krijgen, dan toch wel de tempel. En om z’n statement nog wat kracht bij te zetten, had Matteüs via een kinderkoor de populariteit van Jezus doen toenemen. Hij had ze laten zingen in de tempel: ‘Hosanna, de zoon van David.’ Ze waren het roerend met Jezus’ voorstel eens. Je kunt hun engagement vergelijken met een actie waarover ik enige tijd geleden op het internet las. Langharige meisjes in de basisschoolleeftijd waren bereid hun lokken af te knippen voor de vervaardiging van pruiken voor kankerpatiënten die door de chemo hun haar misten.

Matteüs had een ‘benefietconcert’ georganiseerd in de stadsgehoorzaal van Jeruzalem. Jonge meiden met engelachtige stemmen en ‘koorknapen’ hadden in de weken voor de uitvoering een handtekeningenactie gehouden en de petitie aan ‘de burgemeester’ aangeboden. Honderden tekeningen hingen als vlaggen in de tempel te wapperen. De zaal zat stampvol met ouders, docenten, patiënten, zwervers, politici, mensen uit LHBTI+-kringen, economen, afgevaardigden van de gezondheidszorg, medewerkers van welzijnsorganisaties, vrijwilligers, juridici, de koninklijke familie, wezen, weduwen, journalisten en verslaggevers.

En ergers in een hoekje op de tweede verdieping zat op stoelnummer tweeënvijftig Jezus van Nazareth en leunde vanaf het schouwburgerlijk baldakijn ingespannen voorover. Het was zijn compositie die vanavond ten gehore zou worden gebracht. De koordirectie lag in handen van Matteüs, die de echte concertmeester was. Geroezemoes ging door de zaal, een golf van opwinding vulde de ruimte, in een jaszak ging een smartphone af. Doodse stilte nu, hooggespannen verwachtingen, zweetdruppels parelden van voorhoofden. Het doek ging op en op het podium stonden een paar honderd kinderen in roodfluwelen kooralbes en openden hun zwarte multomappen. Aan weerszijden lagen baby’s met fopspenen vredig in maxicosi’s en kinderwagens heen en weer te wiegen, hingen in hangmatten of draagdoeken. Peuters deden een slaapje in buggy’s. Elk kind had haar of zijn zangpartij inmiddels voor zich. Matteüs keek geconcentreerd naar de partituur die voor hem lag, tikte met z’n baton op de standaard, haalde zijn wenkbrauwen op, spreidde zijn armen en begon te dirigeren.

Die avond klonk uit de mond van kinderen en zuigelingen een lofzang die de neerslag vertolkte van ‘een hemelse maatschappij’ waarin een ieder gelijke kansen had. Tijdens het applaus spoedde Jezus zich naar beneden en nam via de foyer een achterdeur richting de binnenstad, op zoek naar een overnachtingsmogelijkheid.

Amen

Zondag 17 februari 2019, ‘Gereformeerde kerk Zaandijk’ & zondag 24 februari 2019, Hervormde Gemeente Zevenbergen

Preek naar aanleiding van Jesaja 56:1-7 en Matteüs 15:21-28 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 17 februari 2019 om 10.00 uur in de ‘Gereformeerde kerk’ te Zaandijk en uit de Willibrordvertaling voor de viering op zondag 24 februari 2019 om 10.00 uur in de Hervormde Gemeente Zevenbergen

Gemeente,

Daar zit hij dan, Jesaja, tussen de brokstukken van zijn geloof. Om zich heen liggen flarden tekst als puzzelstukken op de grond: perkament met historische beschrijvingen, een bundeltje geloofslessen, pamfletten met beloftes, delen van een roman, waarin de auteur gewag maakt van zijn visionaire gedachten, een huwelijksakte, een paar belijdenissen en vellen met redactionele correcties. Jesaja zoekt naar een manier waarop hij deze verzameling van uiteenlopende en uit elkaar gevallen documenten zal rangschikken. Hij had op een tweesprong gestaan: of ieder residu apart behandelen en reconstrueren of alle overblijfselen tot een eenheid te smeden. Hij koos voor de laatste optie en gaat verschillende schriftelijke informatiebronnen met hun eigen patronen, kleur en motieven aan elkaar naaien als tot een lappendeken. Op die manier zorgt hij voor theologische continuïteit in de verbrokkelde teksten van de joodse religiegeschiedenis.

Van de beloften die door zijn voorgangers waren gedaan, was weinig terecht gekomen. Het leven in een metropool met zoveel mensen en functies was weerbarstig en kon de plaats van belofte en haar vervulling niet moeiteloos overbruggen. Uit eerbied en collegialiteit had Jesaja ze als een appendix aan zijn tekst toegevoegd. Hij zet ze achteraan, laat ze niet achterwege, maar moffelt ze wel een beetje weg. Jeruzalem, de stad die symbool staat voor het welslagen van ieders levensproject, ligt namelijk in puin. Het is nu niet de tijd voor formele toezeggingen.

Jesaja zal een prominente plaats toekennen aan de ethiek, de enige aangewezen weg om de miljoenenstad weer op te bouwen en de godsdienst nieuw leven in te blazen. De verwoesting van de tempel in Jeruzalem had haar stedelingen opgeschrikt. Mensen waren in rep en roer. U kunt de impact van die gebeurtenis vergelijken met de watersnood van 1953, waarbij de dijken in het deltagebied braken en grote delen van de provincie Zeeland, West-Brabant en de Zuid-Hollandse eilanden onder water liepen, de cafébrand in Volendam of de terroristische aanslag op de Twin Towers in New York in 2001. Dan ligt het leven in een stad overhoop, chaos alom, buitenstaanders zitten aan de buis gekluisterd en een land houdt zijn adem in. Het zijn van die schaarse momenten waarop ‘de loop der dingen’ wordt verstoord, er een knik komt in de flow van het menselijk leven zelf.

Jesaja had verwacht dat de ruïne waarin de tempel – lees het godsdienstige leven – verkeerde in het leven van mensen zo’n breuk tot gevolg zou hebben, dat het leven na die tijd niet meer zou zijn wat het voor die tijd was geweest. Alsof de wrakstukken van de tempel zo tot godsvereerders zou spreken, dat zij zouden stilstaan, zich verbijsterd afvragen wat de oorzaken van deze historische gebeurtenis waren en tot de conclusie komen dat het roer van het eigen leven om moest.

Dit proces van bezinning, berouw en verandering van levenswijze noemen we met een religieuze term ‘bekering’. Jesaja’s hoop op het tot stand komen van om- en inkeer bleek ijdel. De gebeurtenis leek eerder aanleiding te geven tot praktijken in een toestand van buiten de orde. Het stedelijk en religieus verval ging gepaard met een morele crisis. Het handjevol mensen dat een beschaving probeert te redden, voelt zich ontmoedigd door de aanhoudende stroom van berichten over plunderingen en rooftochten door de stad. En op de plaats waar ooit hun gebedshuis stond, zijn een paar totempalen neergezet.

Jesaja had in boekrollen gelezen hoe velen voor hem op een vergelijkbare situatie reageerden. Dan werd er in crisistijd of achteraf een profetie geschreven, waarin de ondergang van een tempel deel uitmaakte van een plan, waarin de dingen op een einde liepen en een nieuwe schepping aanstaande was. Of men voorspelde een duizendjarig vrederijk of een paradijs op aarde. In een derde geval zag een auteur kans een messiaanse tekst te produceren: het verdwijnen van de tempel en de periode van destructie die erop volgde had betrekking op de komst van een bevrijdingsfiguur.

Voor Jesaja werken die strategieën niet meer: hij had ze doorzien, ontmaskerd als wanhopige reddingspogingen of als toekomstvisies na periodes van vergane glorie. Bij Jesaja was het stil geworden, hij had in een impasse verkeerd en verlangde terug te gaan naar het begin, waarin God nog door niemand werd herkend en, ooit eenzaam en onzichtbaar, door Hebreeërs via richtlijnen in stukjes werd geknipt.

Na verloop van tijd had Jesaja besloten terug te gaan naar oude, tijdloze teksten. In een paar weken tijd had hij de hele klassieke Wereldbibliotheek herlezen en de religieuze teksten onder het stof vandaan gehaald, apart gelegd en opnieuw ingedronken. Tijdens het herlezen van die oude teksten viel het Jesaja op dat de zwaartepunten van Israëls vroomheid bij het recht en de ethiek lagen. Beide disciplines leken voorwaarden te formuleren en bouwstenen aan te dragen voor de religie.

Die volgorde zou vandaag kunnen betekenen dat je, ik noem maar een paar voorbeelden, eerst met een menswaardig vreemdelingenbeleid voor de dag komt, voldoende arbeidsplaatsen creëert en duurzame contracten aanbiedt, sleutelt aan wetten en wetswijzigingen doorvoert die het niet langer mogelijk maken docenten op grond van hun seksuele oriëntatie te ontslaan en op die wijze geloofwaardigheid schept, en dan kunnen we het daarna over de vormgeving en nadere invulling van religieus leven hebben. Jesaja had die oude teksten bijgeschaafd en herschreven: de wet voorop, met in zijn kielzog de profetie.

En toen ontmoette Jesaja ‘de Kananese vrouw’, die zijn wettisch denken buiten spel zet. Ze waardeerde het ordenende effect van die wet en begreep hoezeer Jesaja de wet als middel nodig had om bakens op te richten in zijn leven dat in duigen lag. Ze had er ook een kanttekening bij geplaatst: ze vond de herhaling die doorklonk in de wet en het universele karakter ervan getuigen van een gebrek aan geloof. Die wet waarin Israëls leefregels stonden geformuleerd, spreidde hij als een koepeldak uit over het hele mensdom, terwijl die ene, concrete andere mens daar wellicht helemaal geen boodschap aan had. Jesaja had van Israëls kruimels levensgrote broden gebakken en die goed geconserveerd, terwijl het leven zelf en de eigen existentie daarin telkens opnieuw vanuit actuele termen om doordenking en aanpassing vroeg.

Matteüs laat ‘de Kananese vrouw’ de rol spelen van het grote contrast. Waar Jesaja houvast ontleent aan twee stenen tafelen die hij eigenhandig heeft gerenoveerd, houdt de Kananese vrouw de fakkel van het geloof in haar handen. De term ‘Kananees’ is een scheldwoord, waarmee een Jood zijn verachting uitdrukt voor de Griekse handelaar die er, volgens de morele schema’s van de Jood, onethische handelspraktijken op nahield. De Griek leefde in een hele andere denk- en belevingswereld, namelijk in die van weemoedige, erotische vrolijkheid, die zich niet via bijvoorbeeld een wet laat verwerven. Hij is een zakenman, leeft in een snelle wereld, heeft handigheid verworven in het sluiten van deals, waarin een regel de praktijk volgt en niet andersom.

Matteüs zet die laatdunkende term ‘Kananees’ in om de tegenstelling tussen religieuze leiders die zich vastklampen aan de wet en deze buitenlandse vrouw te vergroten. Met haar belijdenis, die het product vormde van haar passie, zou ze inbreuk maken op de gevestigde orde van religieuze machtsbolwerken – en, niet te vergeten, op Jesaja’s denkkaders.

Jesaja is een profeet, bevindt zich vaak in afzondering in de woestijn, leest veel, studeert graag en is overwegend melancholisch gestemd. Indien hij vandaag de dag zou leven, dan zou hij te vinden zijn in een minimalistisch ingericht kamertje van een contemplatieve kloosterorde waar hij een ora et labora, bid en werk, -leven leidt. In tijden van depressie kijkt hij met een droevige blik om zich heen, naar het verleden en al wat daarin onvervuld is. Het zijn die momenten waarop Jesaja’s hart niet meer gelooft, en de bronnen van zijn hoop zijn opgedroogd, dat hij zich op wetten verlaat, en het is de vrolijkheid van de Kananese of liever Griekse vrouw die zijn ongeloof te hulp komt. Zij is opgeruimd, onstuimig, enthousiast en heeft gevoel voor drama en het zijn uitgerekend deze kwaliteiten die Jesaja’s neigingen op de proef stellen.

Jesaja is het verloren schaap van het huis van Israël, waar Matteüs haar als een messiaanse naartoe stuurt. Deze Griekse gaat Jesaja, die het idee van een huwelijk voor zichzelf nooit serieus heeft overwogen, verleiden tot een verbond, waarin zij zo met hem samenleeft, dat het licht in zijn ogen nooit meer dooft. Zij zou spreken, hij luisteren. Zij zou bij hem intrekken en een dochter die ziekelijk was uit een eerder huwelijk meenemen. De zorg die zij samen voor dat zieke kind op zich zouden nemen, zou Jesaja voorgoed van zijn Weltschmerz genezen. Hij zou zijn handen vol hebben haar zijn aandacht te schenken en had niet verwacht dat hij zoveel voldoening uit het ouderschap zou halen. Dit is de handreiking die Matteüs vanuit zijn joodse milieu en christelijk denken aan de Griekse wereld doet. ‘De Kananese vrouw’ doet alle stigma’s, vooroordelen, vijandbeelden, wij-zij-cultuurindelingen en smetvrees teniet. Zij is de messias en marathonloper die met de toorts van het geloof de afstand tussen Athene en Jeruzalem aflegt en Jesaja’s wereld alsnog binnenstebuiten keert.

Amen

Protestantse Gemeente Bolnes, 7 januari 2018

Preek naar aanleiding van Psalm 111 uit 150 psalmen vrij en Kolossenzen 2:6-19 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Epifanie op zondag 7 januari 2018 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente te Bolnes

Gemeente,

Tussen 1308 en 1321 schrijft de Italiaanse dichter Dante Alighieri een episch gedicht getiteld De goddelijke komedie, dat de overgang markeert tussen de late Middeleeuwen en de Renaissance. Dante beschrijft hierin een imaginaire reis door de drie rijken van het hiernamaals: de hel, de louteringsberg en het paradijs. Het zijn drie voorstellingen uit de westerse ideeëngeschiedenis die meekomen met een middeleeuws wereldbeeld. Die reis voert Dante van de diepste ellende van het kwaad naar de uiteindelijke aanschouwing van God. Wie het boek allegorisch leest, kan er ook de pelgrimage van de ziel naar God in zien. In ‘het paradijs’ waarin tal van extatische, mystieke passages staan, poogt Dante uit te tekenen wat hij nauwelijks kan meedelen. De religieuze expressie voor die nauwelijks bespreekbare ervaring of onbepaaldheid is dat een mens ‘Gods gelaat aanschouwt’. Kun je nagaan, iemand die een literair geschrift produceerde, dat uit ruim veertienduizend verzen bestaat, iemand die met verbeeldingskracht schrijft en zowel een persoonlijke als een universele taal schept – en die dát onuitspreekbaar vindt! Bladzijde na bladzijde beleed Dante dat er een werkelijkheid was, die hij met geen pen kon beschrijven!

Ook de lieddichter van psalm honderdelf heeft ‘God in het gezicht gekeken’. In een poëtische overdenking blikt hij terug en via een alfabetisch acrostichon, dat is de Griekse benaming voor een naamvers waarvan de eerste letters van de opeenvolgende regels een naam of zinsnede vormen, typeert hij de werken van God. De neerslag van die werken mag je situeren in de geschiedenis van een joods volk, dat onderdrukt werd en uitzag naar verlossing. Stelde de uitgebuite, gecensureerde en gevangengezette jood zich God voor, dan associeerde zij of hij God met een verbondsvocabulaire van rechtvaardigheid, waarheid, oordeel, oprechtheid, genade, barmhartigheid, wonderen en kracht.

Als je het basisverlangen dat uit de psalm spreekt breder trekt en minder historisch benadert, dan kun je in veel religies een centrale hang naar een existentieel en subjectief welbevinden bespeuren. Het bijbels theologische begrip ‘verlossing’ of het archaïsche begrip ‘heil’ wortelt in de ervaring dat mensen tijdens hun leven butsen oplopen. In een ‘eenheid’ doet zich een breuk voor die een mens vaak doet stilstaan. De breuk stelt de mens in staat te reflecteren op bijvoorbeeld het onvanzelfsprekende karakter van een voorstelling. Wie bijvoorbeeld na een scheiding in het eigen bestaan verder wil, en niet als een trillende naald in de groef van een elpee op een grammofoon wenst te blijven hangen, kan zich tot de religie wenden om hier lijm voor de gebroken ziel te vinden.

De psalmist had initiatieven ontwikkeld, waarin hij religieuze opvattingen huldigde en praktijken herhaalde, waarvan hij hoopte dat die zouden leiden tot het geluk van het joodse volk en hun wensen in vervulling zouden doen gaan. Het algemeen welbevinden bleef uit en in zijn onderneming had hij aanleiding gezien niet langer religieus actief op te treden. ‘Redding’ verwachtte hij nu door een ingrijpen van buitenaf. Ondertussen had hij de ethiek gecultiveerd door morele deugden als socialiteit in de vorm van vrijgevigheid ten opzichte van de armen te benadrukken.

De leerervaring van de psalmist dat hij zijn heil en het verlangen naar de bevrijding van een overheerst volk niet vanuit zijn eigen innerlijk kan bewerken, en nog slechts kan wachten op een initiatief dat hij niet zelf in gang heeft gezet, is een besef dat ook doorklinkt in de inhoud van de Kolossenzenbrief. De auteur had de brief de titel ‘Hoe God verdween uit Kolosse’ mee kunnen geven. Het is een zogenaamde deutero-paulijnse brief, die na Paulus’ dood op zijn naam is gesteld en onder zijn gezag is verspreid.

In Kolosse had de briefschrijver mensen ontmoet die met religieuze overtuigingen en denkbeelden ‘bolwerken’ bouwden, waar ze zichzelf mee insloten. Leerstellingen waar artikelen en voorschriften uit voortvloeiden, geschriften die vol stonden met politieke en ethische bepalingen, bijgeloof dat doorklonk in zienswijzen, een toenemende belangstelling voor kosmische riten en aandacht die men schonk aan elementen uit de esoterie en mysteriegodsdiensten voerde hen volgens de auteur weg in gevangenschap en slavernij. Die constructen en de onderwerping aan die ‘instanties’ werkten in het nadeel van de mensen in Kolosse. Ze raakten er innerlijk door verdeeld en verstrikt in een onoverzichtelijk web van invloeden. Een mens was niet langer ‘een mens uit één stuk’, maar een mozaïekwerk, waarin zij of hij vergeefs naar zichzelf zocht.

Die menselijke praktijken en dat religieuze gedrag riep indelingen in het leven, een soort ranglijsten, waardoor je ergens wel of niet bijhoorde. Ze stonden als een waakhond te blaffen bij de poort van een groot ijzeren hekwerk. Onbeoogd werkten ze tegen de Kolossenzen door grote scheuren in het gemeenteleven te veroorzaken. Ze dienden de christelijke waarden van inclusief denken, tolerantie en het verleggen van grenzen niet. Tegen die situatie gaat de auteur nu een oude geloofsbelijdenis inzetten. Zijn credo is dat geloof geworteld is in de verwachting en de komst van ‘degene op wie ik geen vat heb’. Een persoon wier of wiens komst ik noch kan voorspellen, noch in kaart kan brengen. Een plaats die op geen enkele routemap te lokaliseren valt en in geen reisgids staat afgebeeld. Degene die weer weg was als zij of hij zich omdraaide, en voor zij of hij er erg in had voor haar of hem uitsnelde.

Wie in Kolosse uit was op geestelijke groei, innerlijke vreugde ten deel wilde vallen en troost wilde ervaren, deed er volgens de auteur goed aan zich op te trekken aan deze werkelijkheid ‘die van de andere kant komt’. Wilden de gelovigen in Kolosse opgebouwd worden, dan mochten zij de superioriteit van het geschreven woord – dat wat je zwart op wit kunt stellen en dat het leven in Kolosse in de kiem smoorde – laten varen en vertrouwen stellen in de werkzaamheid van een ‘domein’ dat ze zelf niet in de hand hadden. De auteur voert geen pleidooi voor ‘analfabetisme’, werpt ook geen obstakels op voor culturele bloei en is geen tegenstander van technologische ontwikkelingen. Zijn betoog is gericht op de wijze waarop de mens in de cultuur van Kolosse weer boven de dingen komt te staan, die eerder bezit van haar of hem namen.

Hoe kan het rekenen met ‘het onbeheersbare’ een toename van menselijke vrijheid betekenen? En, op welke wijze oefent dat wat buiten het bereik van de mens ligt, haar of hem in geloof? Wat een mens kan beheersen met behulp van haar of zijn kennis, en die bijvoorbeeld uitmondt in technische toepassingen waardoor een mens oriëntatie en houvast vindt in het bestaan, wekt ook verwachtingen. De producten van kennis roepen gedrag op die leiden tot routines en gewenning, en kunnen veel tijd in beslag nemen. Een hedendaags voorbeeld is dat de aanschaf van moderne apparatuur om zorg vraagt. Wie geen grenzen stelt aan de invloed die dergelijke middelen op het eigen gedrag hebben, kan dagdelen in de weer zijn die zaken te behouden, in werking te stellen, te onderhouden en te vervangen. In plaats van dat die hulpmiddelen mij ten dienste staan, mijn leven comfort verlenen en verrijken, kan de verhouding omslaan tot één waarin ik de loopjongen van die zaken wordt. Ze zouden een bevrijdend effect moeten hebben op het eigen leven en nu lijken die levenloze dingen met de reacties die ze evoceren en de werelden van extra producten die ze meebrengen, de mens te kerkeren.

Datgene waarover ik (nog) niet kan beschikken en voor het zelf uitwijst, vraagt om een houding van geloof. De afstand tussen ‘het nu’ en de God die op je toekomt, valt te overbruggen met geloof, dat eruit kan bestaan níet handelend op te treden. Juist de invulling van het komende dat in de toekomst ligt, roept een act van geloof op. Geloof is een houding, een spier die je kunt trainen. Het is als met denken niet een vermogen, waarmee je wordt geboren. Geloof is aan te leren door uithoudingsvermogen op te rekken en wel door je te oefenen in het uitstel. Met de woorden van de briefauteur kun je dat ‘wandelen in Christus’ noemen. De vervulling van een verlangen geschiedt dan niet ter plekke via de zintuigen of het ken- en redeneervermogen, maar in de geest. In die geest wordt een mens opgewekt uit de levenloze dingen die zo’n beslag op haar of hem kunnen leggen. Als een groot verlangen dan van de andere kant wordt ‘ingewilligd’ – noem het ‘het komende heil’ of een goddelijke komedie –, dan is er de ervaring van intense gelukzaligheid, omdat ik een spoor en een ‘bestemming’ heb gevonden. Het perspectief op het persoonlijk leven dat het weer heel maakt, de nieuw gevonden zin, mijn eigen leven zelf.

Amen