Zondag 14 juli 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum & zondag 28 juli 2019 ‘Nederlands Hervormde Kerk’ Herveld

Preek naar aanleiding van Psalm 63 en 1 Korintiërs 6:11b-14 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 14 juli 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum en uit De Psalmen van Gabriël Smit en de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 28 juli 2019 om 10.00 uur in de Protestantse gemeente Herveld en Slijk-Ewijk

Zeer gewaardeerde gemeente,

In 2013 werd de Deense film Nymphomaniac uitgebracht. Nymphomaniac vormt het slotakkoord van Lars von Triers’ depressietrilogie, waarvan de twee eerdere delen Antichrist en Melancholia zijn. In de film verhaalt de protagonist Joe van haar lustvolle levensverhaal aan de belezen vrijgezel Seligman. Hij luistert naar de neerslag van haar erotische ervaringen en verbindt en analyseert ze met zijn kennis van de wereldliteratuur. Zoals voor Seligman boeken de prikkel tot het leven zelf waren, zo vormde voor Joe de seksualiteit de impuls tot het leven. Het stelde haar in staat ‘in touch te zijn’ met het menselijk leven zelf. Zodra ze probeert ‘af te kicken’ van haar neigingen, verliest ze haar smaak voor het leven en raakt ze gedesoriënteerd. Seligman probeert de betekenis van Joe’s situatie te vertalen door zich voor te stellen wat het voor hem zou betekenen zonder literatuur te leven. Hij zou duizelig worden en zich verloren voelen.

Ook de psalmist weet wat het betekent ‘zijn God’ kwijt te zijn. Als dichter uit het Oude Nabije Oosten liep hij soms dagen in de woestijn, kwam geen mens tegen, geen berg, boom of plant stak boven die onherbergzame zandvlakte uit. Hij nam er slechts vaag zijn eigen schaduw waar. Ondanks de getroffen maatregelen voor de aan te vangen reis raakten zijn waterbronnen uitgeput. Het duurde lang eer hij z’n dorst kon lessen. Die lijfelijke ervaring van ‘grote dorst’ en de mentale strijd die hij leverde om zich in dat dorre, droge gebied, waarin geen druppel regen valt, als mens staande te houden, gebruikt hij als metaforen om de afwezigheid van God te beschrijven.

De psalmist verlangt intens naar nauw contact met God. Gods presentie is voor hem even fundamenteel als voedsel en water voor de instandhouding van het leven. Zonder God is hij nergens. Hij ervaart zijn lijf als een klomp klei, contourloos en slap, een homp lichaam, waarin gen schijn van bezieling te bekennen is, geen zweem van hoop het opricht en in beweging zet. Het leven verliest z’n kleur, structuur, ‘volume’ en expressie, wordt schaars en armetierig. Naarmate zijn beeld van God zwakker wordt, des te minder kracht hij ervaart van de waarde van het leven zelf en wie hij daarin voorstelde of oorspronkelijk was.

De absentie van God kan voor een filmmaker of auteur haar of zijn grootste angst vormen; voor de psalmist is die absentie even levensbedreigend als vijanden die vluchtelingen in zijn tijd vervolgden en opjoegen. De uitdrukking “dat God niet thuis geeft”, staat symbool voor een periode waarin een kunstenaar – zo ook de psalmist en een ieder die uit is op schepping – geen inspiratie heeft.

Het is in een ‘mager jaar’ dat wij de psalmist ontmoeten, zijn beste productie is een kort lieddicht van drie strofen, waarin hij vertelt hoe zwaar het hem valt z’n bed uit te komen. Hij hunkert naar ‘de aanraking van God’, het enige gebaar waarvan hij weet dat het hem doet opvlammen. De tijd verstrijkt, roepen, bidden en smeken halen weinig uit.

Onze opvatting dat de activiteit van een taalkunstenaar niet uit eigen beweging ontstaat, maar door God wordt ingegeven, verraadt een Griekse trek. In het oude Griekse denken werd de dichter wel gezien als het doorgeefluik van de goden. Zo is de dithyrambe, de aanduiding voor een extatisch lofdicht in de vorm van een beurtzang op Dionysos, de god van de wijn. Wie door de goden werd aangeraakt, in dit goddelijke ritme kwam, vierde de vruchtbaarheid van de eigen productiviteit. Het is geen ‘aanraking’ waarvoor de dichter open hoeft te staan, niet een ‘gebeuren’ dat hij zelf kan afroepen.

‘De komst van God’ kan ook joods en christelijk gesproken door een mens niet worden bespoedigd. In een act van ongeduld of ongeloof kan een mens allerlei religieuze activiteiten ontwikkelen, die beogen God ‘op afroep’ in het eigen bestaan zijn intrede te laten doen. De psalmist is doordrongen van het besef dat hij zijn God niet op eigen initiatief ’tevoorschijn kan toveren’. Het is wellicht een geloofsdaad naar die levensaanraking uit te zien, er vurig naar te verlangen – om het wat archaïsch uit te drukken: ‘Gods komst te verbeiden’ -, zonder via het eigen handelen te evoceren dat God gebeurt.

De wereld van de erotiek en de religie delen een overeenkomst: het verlangen van de mens zich te openen voor, te delen met en te schenken aan de ander. Het contrast tussen de psalmist die smoorverliefd op God wacht op diens beroering en de apostel Paulus die een man adviseert geen vrouw aan te raken en daarmee een pleidooi voor ascetisme voert, is groot. In welke context deed Paulus zijn uitspraken? Paulus vangt aan met een fictieve dialoog en geeft met de zinnen “Alles is mij geoorloofd” en “Het voedsel is er voor de buik en de buik is er voor het voedsel” antwoord op ‘stellingen’, waarmee tijdgenoten in Korinthe Paulus’ opvattingen bestreden.

Als wij kijken naar wat Paulus in de tekst doet, dan komen we drie taalhandelingen op het spoor: een ontkenning, een verheldering en een aansporing. De zinspeling op de doop en de beelden van “gewassen worden en heilig worden” roepen een reinheidscultus in herinnering, die hij inzet als remedie voor ontucht. In het Korinthe waarin Paulus zich bevindt, ontmoet hij religieus gelovigen die in hun levensstijl twee uitersten vertegenwoordigen. Aan de ene kant mensen die ongebonden, losbandig leven, en aan de andere kant religiosi die vanuit een soort puriteinse strengheid alle smaakmakers van het leven hebben afgezworen. Waar in het Nieuwe Testament de term voor ‘lichaam’ veelal een symbolische betekenis heeft en voor een bepaalde manier van denken staat, heeft ‘het lichaam’ in dit verband de betekenis van de fysieke gestalte van de mens met al haar noden en behoeften. Volgens Paulus maakt de omgang met de lichamelijke behoeften van de mens, door de twee groepen met wie hij in gesprek is, hen onvrij. Voor de ‘losbandigen’ enerzijds, omdat zij volgens Paulus overhellen naar de zeggenschap van de seksualiteit en de eetlust over het eigen zelf. Wat betreft de asceten anderzijds, omdat zij wensen ontkennen en zozeer disciplineren dat zij, ongewild, niet boven lichamelijke begeerten staan, maar er juist klein door worden gehouden. Voor Paulus representeert de religieus gelovige een positie die gepaard gaat met een houding die ervan getuigd volledig vrij te zijn van een overheersende invloed van het lichaam.

Aan het thema van de schadelijke effecten die een te sterke nadruk op het lichaam kan hebben, zoals overeten en ontucht, die in het uiterste geval tot zelfvernietiging en ontaarding leiden, wordt vaak gerefereerd in de Joodse wijsheidsliteratuur. Paulus doet een voorstel, waarvan hij hoopt dat het beide gesprekspartners helpt zich wat meer naar het midden te bewegen. Hij vergelijkt het lichaam met een tempel, een gebedshuis, waarin een god wordt vereerd – voor de Israëliet een heiligdom. Zoals een tempelbezoeker zich kan voorstellen dat God in een tempel ‘woont’, zo stelt Paulus zich voor dat de geest, die het eigen leven onder de invloed van God heeft gesteld, in de mens woont. De religieus gelovige wil zich verenigen met God, één zijn met Gods geest. Wat er in die eenwording gebeurt, is de totstandkoming van een verscherpt besef van dat wat vergankelijk is en ‘het verrezene’.

In die ‘conditie’ kan een mens niet tolereren dat ‘andere vrijheden’ dan God naar de hand van de mens dingen en zich met haar of hem ‘vermengen’. Paulus gaat zover te stellen dat wie niet langer gedreven wordt door lichamelijke driften geen heer en meester meer is over het eigen lichaam. Het lichaam dat binnen het religieuze domein niet langer door biologische en fysiologische kenmerken wordt bepaald, komt in het bezit van de geest. De god van de buik heeft het nakijken en door een spiritualisering krijgt het erotische iets komisch – het vormt een achter te laten stadium van het menszijn waar je om kunt lachen. God heeft als het ware al zijn kaarten op het lichaam gezet, het lichaam van de mens gereserveerd en de religieus gelovige verlangt ernaar God met het lichaam te ‘eren’. Het paulinische christendom waarvan de tekst getuigt, vormt een kritiek op de uitlevering aan ‘het fysieke’, zoals Paulus die waarnam in zijn tijdsgewricht. Paulus keert de biologie om, die nu als een handrem fungeert om de mens weer te bepalen bij haar of zijn pact met God.

Aan het positieve van Paulus’ inzet is toch ook een bezwaar verbonden. De hoofdgedachte van Paulus’ betoog staat haaks op initiatieven die na het einde van de achttiende eeuw in de politieke filosofie zijn ontwikkeld om mensenrechten te formuleren, waaronder het idee dat alleen het individu soeverein is over het eigen lichaam. Met name voor minderheidsgroepen en in het kader van de emancipatie van vrouwen is de nadruk op het recht van het eigen lichaam een belangrijke stap in de mensengeschiedenis.

Waar bovendien een vergeestelijking van de mens, die nu eenmaal ook uit een lichaam bestaat, op haar beurt de boventoon gaat voeren, daar zal vroeg of laat het lichaam aandacht opeisen. Op die wijze zou je bijvoorbeeld naar de populariteit van de hardloopcultuur kunnen kijken. Vandaag de dag zijn veel mensen cognitief actief en omringen zich met techniek. Het lichaam ‘met haar fijnste tonen’ vraagt om beweging – pezen en spieren verschrompelen als je ze niet frequent traint. Ook binnen de religie is een terugkeer van het lichaam te bespeuren. Een mens heeft tast nodig voor zelfbesef en oriëntatie. Als ik denk, dan doe ik dat belichaamd, via de zintuigen. Indien ik de geestelijke conditie van een persoon wil peilen, dan observeer ik eerst haar of zijn lichaamshoudingen, omdat die indicaties vormen voor iemands geestelijke gesteldheid.

Een manier om vandaag de dag nog overweg te kunnen met Paulus’ tekst is het fragment te gebruiken als een graadmeter. Uit de tekst zijn vragen op het gebied van sociale omgang en interpsychologische processen te formuleren zoals met wie ga ik om, en waarom met deze mensen, door wie laat ik mij beïnvloeden en wat probeer ik te onderdrukken? Met wie of wat ervaar ik eenwording? Wat – om het bijbels uit te drukken – kleeft mij aan? Zijn er relaties in mijn leven die me te klef worden en andere die meer voeding nodig hebben? Het is die bepaling bij ‘middens’ die Paulus’ betoog tijdloos maakt.

Amen

Novawhere Purmerend, 13 mei 2017 en De Oase Zoetermeer, 14 mei 2017

Preek naar aanleiding van Ezechiël 37:1-14 en Johannes 11:1-13 uit de Groene Bijbel voor de gebedsviering op zaterdag 13 mei 2017 om 10.15 uur in Novawhere te Purmerend en uit de Naardense Bijbel voor de vijfde zondag van Pasen Cantate op zondag 14 mei 2017 om 10.00 uur in De Oase te Zoetermeer

Gemeente,

Welkom in de catacomben van Ezechiëls geestelijk leven. Wie zich in de ouverture heeft laten overweldigen door een immens visioen, staat nu aan het bed van een man die kampt met een depressie die zijn weerga niet kent. Het zijn de religieuze overtuigingen van Ezechiël die hem blokkeren nog één stap te zetten. Van jongs af begrijpt Ezechiël zichzelf als een profeet die een nauw onderscheid maakt tussen het ontplooien van zijn eigen initiatieven en de opdrachten waaraan hij een goddelijk gezag verleent. In vergelijking met dat ‘spreken Gods’ waarbij hij de controle over zichzelf verliest en ‘buiten zinnen raakt’, komt dat spreken in eigen naam er bekaaid vanaf.

De communicatie met anderen over alledaagse zaken benoemt hij inmiddels als geleuter, koetjes en kalfjes, ditjes en datjes en gaat hem steeds moeilijker af. Hij kan er niet aan deelnemen, heeft er geen vocabulaire voor opgebouwd, begrijpt niet waarom mensen daar energie in steken. Het gesprek over ‘het alledaagse’ dooft zijn uitgebluste ziel. De herinnering aan die heldere momenten van ‘godsspraak’ wakkeren de heimwee van Ezechiël naar nieuwe piekmomenten aan. Hij beschikt als Gontsjarows Oblomow niet over het vermogen nog tot iets te komen. Lusteloos en bespiegelend wacht hij in bed totdat die stem van buiten hem weer in vuur en vlam zal zetten. Tot die tijd heeft Ezechiël zichzelf een spreekverbod opgelegd. Zolang hij niet zinvol kan spreken, dient hij te zwijgen. En de verstomming waarin Ezechiël verkeert, is de situatie waarin wij hem als lezer(es)s(en) ontmoeten.

Ezechiël weerspiegelt de tijd van de verstrooiing waarin de Joden in vele landen verspreid leefden. Die decentralisatie klinkt door in Ezechiëls betoog. Wij lezen een coherent betoog, maar Ezechiëls tekst bestaat oorspronkelijk uit losse flodders. Ezechiël denkt dat het mogelijk is objectief over God te spreken en grenst die opvatting nauw af van een subjectief spreken over God. Hij wil ‘wetenschappelijk’ integer optreden door zichzelf weg te cijferen achter een beroepsprofessie. Dat de ontwikkeling van een persoonlijke taal ernstig onder dat motief lijdt, daar heeft Ezechiël niet bij stil gestaan. U ziet het in de terugkerende formules die Ezechiël gebruikt.

Door die strikte scheiding is Ezechiël voor zichzelf een orakel geworden. Hij is verleerd een persoonlijke toon aan te slaan. Het woord God staat aan het begin van elke zin die Ezechiël over zijn lippen krijgt. Ezechiël is ‘slechts’ een ontvanger, een leeg vat dat bij tijd en wijle volloopt met ‘Gods water’ en dat hij als ‘bode’ doorgeeft aan derden. Het zijn de tekenen die aan Ezechiëls tekst een mystiek tintje geven.

Ezechiël heeft zichzelf klein gemaakt, zo klein dat er nog maar weinig van hem is overgebleven. Met een in onbruik geraakt woord noemen we de ‘mentaliteit’ te denken dat je weinig voorstelt, zonde. Een mens wil in die levenshouding zichzelf niet zijn, durft geen ruimte in te nemen, kruipt angstvallig weg en schuift haar of zijn zelf op een ander af. U kunt die attitude vandaag de dag vergelijken met een mens die haar of zijn eigen leven niet wil leiden en hoopt op vervulling door op te gaan in het leven van een ander. Een ‘verhaal’ dat niet mijn verhaal is, een ‘genre’ waar ik niet in thuis hoor.

Als de omlijsting en de ‘invulling’ van iemands persoonlijkheid op zich laat wachten, kan dat ervoor zorgen dat een mens in zichzelf verkromd raakt, zij of hij in zichzelf als een kurkentrekker in een kurk vastdraait. Die ‘hondsberoerde toestand’ van ontgoocheling heeft een merkwaardige dubbelheid in zich: religie is zowel de voorwaarde deze ‘ziekte’ op te lopen, als de remedie waardoor je er weer vanaf kunt komen.

Ezechiël gebruikt zijn religieuze voorstellingen als schild om zich te wapenen tegen het vermogen als zichzelf op te treden. Die ‘strategie’ maakt het er niet makkelijker op zijn existentiële pijn te verlichten. Ezechiël ligt weg te teren, verschrompeld, als een nietig wezen op zijn brits te wachten op de dag van zijn opstanding.

Ezechiëls ‘uur ik’ – het uur waarin hij ‘voor eens en voor al’ op eigen benen zal staan en zal inzien dat hijzelf altijd al het vertrekpunt is van waaruit hij de dingen benadert – dat uur staat nog uit. Ezechiël projecteert als zijn tekorten op godsbeelden die nu nog hemelhoog boven hem verheven staan. Er is een Copernicaanse wending voor nodig Ezechiël aan het verstand te brengen dat hij die tekorten kan opheffen daar ze zelf te belichamen.

In de twintigste eeuw is vaak een theologie van de transcendentie ‘gepropageerd’ waarin een totale verwaarlozing van het actieve individu plaatsvindt. Het choquerende relaas van Ezechiël vormt wellicht reden genoeg dit niet nog eens toe te passen. De verdroogde beenderen ten teken van wanhoop tonen een profeet die aan God ten onder gaat. U kunt die verhouding vergelijken met iemand die zegt zo ‘in Brahman’ te zijn, terwijl een torenhoge afwas zich opstapelt. Ik citeer in dit verband een gedicht van J.A. dèr Mouw dat begint met de regel: “k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.”

“‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.                                                                                            Ik doe in huis het een’ge, dat ik kan:                                                                                                                       ‘k gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;                                                                                                     maar ‘k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.

Zíj zegt, dat dat geen werk is voor een man.                                                                                                    En ‘k voel me hulploos en vol zelfverwijt,                                                                                                          als zij mijn lang verwende onpraktischheid,                                                                                                 verwent met wat ze toverde in de pan.

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt                                                                                               tot feeërie van wereld, kunst en weten:

als zij me geeft mijn bordje havermout,                                                                                                              en ‘k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,

dan voel ik éénzelfde adoratie branden                                                                                                         voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.”

Ezechiël neemt vooral geestelijk voedsel tot zich. Hij verslindt boekrollen, maar hij heeft ook suikers en vetten nodig om weer wat vlees op de botten te krijgen.

Ook Lazarus is meer dood dan levend. Typisch Johannes een hulpeloos geval te portretteren voor het christologische punt dat hij wil maken. De lezer(es) dient eerst getuige te zijn van een ‘horrorfilm’ voordat er een verlossend woord kan klinken. Johannes’ voorbeelden zijn te vergelijken met de uitgeprocedeerde asielzoekers, long stay patiënten en depressieve mensen in onze samenleving. Zielen die uitzichtloos in de wachtkamer van de geesteloosheid hun tijd uitzitten.

Lazarus is ‘bevangen’ door een ‘griep’ die niet uitloopt op de dood. En toch sterft Lazarus. Wat is dat voor ziekte die niet de dood tot gevolg heeft en in het evangelie toch ziekte wordt genoemd? En, waarom zou je iemand uit de doden opwekken als zij of hij vroeg of laat toch weer sterft?

Lazarus’ ziekte is een ziekte die wortelt in de geest, in het zelf van een mens en die verschillende verschijningsvormen kan aannemen. In Lazarus’ geval betekent het dat ‘alles in zijn hoofd potdicht zit’. Hij zit als het ware vastgeketend, heeft alle hoop te grave gedragen. Het is aardedonker in zijn bewustzijn, hij kan geen licht meer verdragen, zijn zenuwstelsel is hypergevoelig, elke prikkel doet zeer. Martha en Maria met wie hij ooit zo goed overweg kon, zijn hem gaan ergeren. Hij kan Maria’s tederheid en Martha’s zorg steeds moeilijker dulden. Tijdens zijn slechte buien duidt hij Maria’s houding als geflirt en die van Martha als activistisch en pragmatisch. Lazarus’ percepties verraden de grondstemming van zijn geestelijke conditie. Met moeite kan hij zich bedwingen niet in woede uit te barsten. Het minste of geringste is voldoende zich enorm op te winden. Maria en Marta’s welwillende gebaren vindt hij aanstootgevend.

Die ‘onhoudbare situatie’ heeft ertoe geleid dat Lazarus een tijd rust zocht in een sanatorium. Herstel bleef echter uit. De categorie van zijn ziekte is van ‘het zwaarste type denkbaar’ waar gezondheidsoorden maar nauwelijks op berekend zijn. De evangelist weet alles van ‘opgegeven gevallen’ en heeft nog een extra categorie voorradig waarmee hij de gesteldheid van Lazarus kan peilen. De zonde als geestelijke dood in het licht waarvan de lijfsdood een kleinigheid is. Johannes herkent de symptomen van dit ‘schrikbewind’ die als gemene deler een gebrek of een overschot aan zelfliefde hebben, uit duizenden.

Lazarus woont al het grootste gedeelte van zijn leven met twee zussen in huis. Hij heeft dat eerder niet bezwaarlijk gevonden, maar toen hij de leeftijdsgrens van veertig passeerde, begon er iets aan hem te knagen. Hij wil een leven opbouwen dat hij niet met zijn zussen hoeft te delen. In de leefomgeving waar hij deel van uitmaakt, zijn familierelaties van levensbelang en de bredere maatschappelijke context is ingericht op heteronomie. In dat verband heeft hij geen kans gezien het type leven gestalte te geven waar hij zielsgraag naar verlangde. Autonomie in Palestina? Geen schijn van kans. Sindsdien is hij een man zonder toekomst geworden. Reisde hij eerder veel voor zijn werk, inmiddels zit hij bij huis, struikelt over dingen en laat voorwerpen uit zijn handen vallen. Pasen laat op zich wachten.

Nu kan een mens juichen: “Christus is opgestaan. Halleluja!” Wel, kennelijk niet voor iedereen. Ezechiël en Lazarus liggen voor Pampus. Zij staan model voor al die mensen die zichzelf in de weg zitten, zichzelf teveel vinden en in het uiterste geval een poging tot suïcide doen.

In het medicijnkastje van de bijbel staan twee ‘receptenbriefjes’: een verhouding tot jezelf aangaan, dat wil zeggen, jezelf proportioneel liefhebben, en een geloofsbelijdenis waar een niet geringe hoeveelheid verbeelding voor nodig is, namelijk: dat met God voor ogen alles mogelijk is. Voor Lazarus houdt dat tegengif in dat hij zich dwars tegen de mores van zijn cultuur in, tot het uiterste zal inspannen zijn diepste verlangen te realiseren en een paar handige jongens uit zijn omgeving zal vragen hem een handje te helpen met zijn verhuizing. Zichzelf op die wijze terugbrengen naar het natuurlijke leven zal dé dag van zijn verrijzenis zijn.

Amen