Zondag 26 september 2021, Oudshoornsekerk Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Jeremia 7:1-11 en Matteüs 21:10-17 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op startzondag 26 september 2021 om 17.00 uur in de Oudshoornsekerk van de Protestantse Gemeente te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Op veel fotomateriaal van sociaal-cultureel leven in Europa uit de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw staan grote gezinnen afgebeeld, die zich huisvesten in relatief kleine woonruimtes. Meerdere kinderen sliepen in een ledikant of bedstee, werden gewassen in een tobbe in de keuken en één ruimte had vaak meerdere functies. De huishoudsamenstelling van Europeanen in de tweede helft van de twintigste eeuw en de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw is gemiddeld kleiner dan in de twee eeuwen die eraan vooraf gingen. Uitgaande van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek kun je tot krimp van de bevolkingsgroei en privatisering concluderen. Een kleiner aantal mensen neemt in verhouding meer ruimte in.

Had u als kind, jongere, adolescent een eigen plaats die u met niemand anders hoefde te delen? Heeft u nu ergens een oord gecreëerd, waarin u zich thuis voelt? Is er een ‘stukje grond’ waarop u zich veilig voelt en uzelf kunt zijn? Als een kind opgroeit, heeft het vaak behoefte aan een persoonlijk domein, een klein naar eigen smaak ingericht ‘koninkrijk’ waar het op kan gaan in de eigen wereld. Het construeren van hutten in hoge bomen, het inrichten van bouw- en poppenhoeken in peuterspeelzalen en kleuterscholen, en het markeren van loungeterreinen en hangplekken voor jongeren in de openbare ruimte faciliteren een ‘drang’ ruimte te benutten voor de ontwikkeling van de eigen identiteit. Het aanbrengen van scheidingen in privéruimten en het publieke domein voorziet in de mogelijkheid voor met name kinderen en jongeren zichzelf te ontdekken, de eigen denkwereld te creëren, zorgeloos te spelen, sociaal te interacteren met leeftijdsgenoten, met andere ‘hobbyisten’ een gedeelde passie te beoefenen en een persoon te worden.

Zoals een jongere in het huidige tijdsbestek oeverloos kan gamen, voetballen of te vinden is op de halfpipe van een skatebaan, op vergelijkbare wijze kon Jezus van Nazareth urenlang ‘spelen’ in de synagoge. Deze joodse religieuze ruimte was een van de weinige gebouwen die een sfeer ademde waarin hij zich kon vinden. Hoewel hij zich later ontwikkelde tot een idealist, zijn ‘systeem’ wilde doorvoeren in de politiek en een goed besef had van ‘hoe de financiële wereld in elkaar zat’, zette hij al z’n kaarten op de religie. In de wereld van de geest werden volgens hem baanbrekende beslissingen genomen. In de synagoge bestudeerde hij de Thora, voerde er geloofsgesprekken met de rabbi’s van zijn tijd, bad en mediteerde er. Hij vergat dan pardoes openings- en sluitingstijden. Bij het vallen van de avond stond een bezorgde, onrustige moeder Maria bij de ingang: waar hij nu toch bleef, ze hadden met het hele gezin op hem gewacht, waren alvast begonnen, ze had wat van de vissoep en het gevulde brood bewaard.

Maria had opgemerkt dat Jezus weinig gaf om persoonlijke ruimte thuis, meer aandacht had voor een boek dan voor koek en anders was dan andere kinderen. Hij was een dromer, iemand die met zijn gedachten altijd ‘in de dingen van zijn vader’ was. Een vader die zich bij uitstek in synagoge en tempel liet vinden. Op z’n twaalfde kreeg Jezus van die vader de ‘opdracht’ verantwoordelijkheid voor anderen te dragen.

Inmiddels oud genoeg om voor zichzelf te zorgen, was het zijn taak de religie in het publieke domein een heilige ruimte te laten zijn en uit te breiden met een ‘ziekenhoek’ voor de lammen en de blinden. Een oude traditie verbood deze mensen – wellicht vanuit een misplaatste angst voor besmetting – de tempel binnen te treden. De farizeeërs hanteerden deze traditie als een universele, tijdloze regel.

De lamme en de blinde konden niet rekenen op de reguliere ziekenhuizen zoals wij die vandaag de dag kennen of op extra voorzieningen binnen een instelling als ‘de gezondheidszorg’. De emancipatie van mensen met een functiebeperking liet nog op zich wachten. Rollators, rolstoelen, prothesen, extra leuningen, vlonders en opstaphulpstukken, een aangepaste woning, braille en inspreekapparatuur zijn typisch moderne uitvindingen. De lamme en de blinde werden dubbel gevictimiseerd: vanwege een gebrek aan vitaliteit bevonden zij zich in een economische achterstandspositie en ook in de tempel werd hen de toegang geweigerd. Die scheiding van de sociaal-religieuze gemeenschap leidde tot isolatie en intens persoonlijk lijden.

Jezus had niet lang gedelibereerd, nam religieus gezien een liberale positie in en gaat de toegankelijkheid van de tempel vergroten voor de mens die zich futloos voelt en (nog) niet in staat is om voor het eigen brood te werken. Hij biedt deze mensen een volwaardige plaats in de samenleving aan. Jezus beschikte niet over de medische expertise lammen en blinden in somatische zin te genezen en een ‘wonderdokter’ was hij evenmin. Maar met het verbreken van een oude godsdienstwet zet hij een revolutionaire stap die ervoor zorgt dat het sociale leven van ‘lamme en blinde’ weer zo wordt doorbloed, dat de afstand die zij hadden tot de arbeidsmarkt wordt verkleind. De tempel fungeerde namelijk niet alleen als een religieuze ruimte, een gebedshuis – ze was ook sociaal van aard. Tempelgangers van heinde en verre en uit alle geledingen van de samenleving en het bedrijfsleven verzamelden er zich, ontmoetten elkaar, dialogiseerden en wisselden informatie uit. De blinde ging naderhand naar huis met ideeën over werk en inkomen. Haar kwam ter ore dat men in een muziekzaak in Jeruzalem zocht naar iemand die instrumenten kon afstemmen en repareren. De lamme deed er contacten op die bereid waren hem te vervoeren en op die wijze zijn mobiliteit vergrootten.

Er zijn ‘schriftplaatsen’ waarin auteurs getuigen van de visie dat religie niet tot ethiek is terug te voeren. Godsdienstige handelingen belichamen in die gevallen een denkwijze en existentiesfeer die buiten de ethiek valt en vaak ‘overtreft’. Jeremia en Matteüs zijn een religie- en cultuurkritiek ineen, omdat religie en cultuur een denkbeeld en praktijk in leven houden die neerkomt op de discriminatie van ‘gehandicapten’ en sociale en economische ongelijkheid in stand houdt.

Profeet en evangelist waren zo verontwaardigd over die stand van zaken, dat zij hun literaire activiteit aanwendden om de geloofwaardigheid van de religie en het volgens hen misplaatste vertrouwen in religieuze riten aan de orde te stellen. Als er een plaats was waar de minderbedeelde terecht moest kunnen om er haar of zijn hart ‘tegenover God’ uit te storten, zo niet bij binnenkomst een VIP-kaartje zou krijgen, dan toch wel de tempel. En om z’n statement nog wat kracht bij te zetten, had Matteüs via een kinderkoor de populariteit van Jezus doen toenemen. Hij had ze laten zingen in de tempel: ‘Hosanna, de zoon van David.’ Ze waren het roerend met Jezus’ voorstel eens. Je kunt hun engagement vergelijken met een actie waarover ik enige tijd geleden op het internet las. Langharige meisjes in de basisschoolleeftijd waren bereid hun lokken af te knippen voor de vervaardiging van pruiken voor kankerpatiënten die door de chemo hun haar misten.

Matteüs had een ‘benefietconcert’ georganiseerd in de stadsgehoorzaal van Jeruzalem. Jonge meiden met engelachtige stemmen en ‘koorknapen’ hadden in de weken voor de uitvoering een handtekeningenactie gehouden en de petitie aan ‘de burgemeester’ aangeboden. Honderden tekeningen hingen als vlaggen in de tempel te wapperen. De zaal zat stampvol met ouders, docenten, patiënten, zwervers, politici, mensen uit LHBTI+-kringen, economen, afgevaardigden van de gezondheidszorg, medewerkers van welzijnsorganisaties, vrijwilligers, juridici, de koninklijke familie, wezen, weduwen, journalisten en verslaggevers.

En ergers in een hoekje op de tweede verdieping zat op stoelnummer tweeënvijftig Jezus van Nazareth en leunde vanaf het schouwburgerlijk baldakijn ingespannen voorover. Het was zijn compositie die vanavond ten gehore zou worden gebracht. De koordirectie lag in handen van Matteüs, die de echte concertmeester was. Geroezemoes ging door de zaal, een golf van opwinding vulde de ruimte, in een jaszak ging een smartphone af. Doodse stilte nu, hooggespannen verwachtingen, zweetdruppels parelden van voorhoofden. Het doek ging op en op het podium stonden een paar honderd kinderen in roodfluwelen kooralbes en openden hun zwarte multomappen. Aan weerszijden lagen baby’s met fopspenen vredig in maxicosi’s en kinderwagens heen en weer te wiegen, hingen in hangmatten of draagdoeken. Peuters deden een slaapje in buggy’s. Elk kind had haar of zijn zangpartij inmiddels voor zich. Matteüs keek geconcentreerd naar de partituur die voor hem lag, tikte met z’n baton op de standaard, haalde zijn wenkbrauwen op, spreidde zijn armen en begon te dirigeren.

Die avond klonk uit de mond van kinderen en zuigelingen een lofzang die de neerslag vertolkte van ‘een hemelse maatschappij’ waarin een ieder gelijke kansen had. Tijdens het applaus spoedde Jezus zich naar beneden en nam via de foyer een achterdeur richting de binnenstad, op zoek naar een overnachtingsmogelijkheid.

Amen

Zondag 11 november 2018, ‘Adventskerk’ Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Marcus 5:22-43 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus van dr. Marie H. van der Zeyde voor de Cantateviering op zondag 11 november 2018 om 18.30 uur in de Adventskerk te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Marcus vijf vers tweeëntwintig tot drieënveertig leest als de opeenvolging van twee opstandingsverhalen. In deze verhalen heeft de term ‘opstanding’ niet de betekenis dat een mens die in de bij ons gangbare betekenis is gestorven, uit de dood herrijst of een patiënt die ‘klinisch dood’ is weer waarneembare tekenen van leven vertoont. De thematiek die Marcus via deze ‘spiegelverhalen’ wil aankaarten, is dat gemeenteleden begrippen die betrekking hebben op de menselijke geest ook als zodanig mogen gebruiken. Marcus kwam in zijn gemeente mensen tegen die geestelijke begrippen letterlijk opvatten, waardoor er begripsverwarring en discussies ontstonden, waarin hij verheldering gaat scheppen.

De term ‘opstanding’ heeft in het verhaal over de twaalfjarige Talitha de betekenis van fysieke, sociale en emotionele repressie te worden bevrijd. In het eerste opstandingsverhaal gaat Marcus het opnemen voor de puber in zijn gemeente. Hij heeft gezien dat menig puber vrijheid nodig heeft om haar of zijn eigen gang te gaan, maar die ruimte in de thuissituatie vaak niet krijgt. Talitha, de jonge, naamloze vrouw, die wordt gepresenteerd als “het dochtertje van Jaïrus”, is twaalf jaar. Op die leeftijd zijn veel jongeren met het eigen lichaam, relaties, identiteit en levenskeuzes bezig. Er gebeurt nogal wat met het lijf als een jongere de overstap maakt van basisschool naar brugklas.

Lichamelijke veranderingen vormen een puber richting de volwassenheid, en ook deze jonge vrouw beseft dat ze geen kind meer is. De vader van Talitha is hoofd van de synagoge. Hij is de bestuurder van de joodse gemeenschap, een leidinggevende die beslissingen neemt in besluitvorming over beleid, verantwoordelijkheden op zich neemt en evenementen organiseert. Wellicht heeft hij de ontwikkelingen die Talitha innerlijk en uiterlijk doormaakte niet op de voet gevolgd. Hij noemt haar nog altijd liefkozend met een verkleinwoord “mijn dochtertje”. Maar deze jonge vrouw wier anatomie een groeispurt heeft gemaakt, die biologische rijpingsprocessen ondergaat en wellicht net haar eerste menstruatie heeft gehad, voelt zich allang geen dochtertje meer, en is meer dan ‘een domineesdochter’. Ze maakt een periode door, waarin ze zich van haar ouders gaat losmaken. Als ik inzichten uit de psychoanalyse mag geloven, dan kost het een meisje doorgaans twee keer zoveel moeite te slagen in die onthechting als een jongen. Om zich te kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig persoon, die voor zichzelf leert spreken en wier identiteit niet wordt bepaald door de sociale relaties waarin ze is geboren, is voor Talitha van belang dat ze bij haar voornaam wordt aangesproken. Ze zou graag zien dat haar vader haar voor vol aanzag en verlangt ernaar dat hij haar serieus neemt. Dat doet hij niet door haar als een kleuter te behandelen en in de huiselijke sfeer vooral gesprekken over werkgerelateerde zaken te voeren. Jaïrus is hoofd van het joodse gebedshuis, terwijl deze puberende vrouw naar ruimte zoekt voor haar gevoelswereld. Om aandacht te vragen voor haar leefwereld en haar fysieke gestel waarbinnen zich van alles afspeelt, is ze een hongerstaking begonnen.

De pubertijd is voor jonge vrouwen een periode van overgangen, waaraan je binnen de pastorale sfeer aandacht kunt besteden door ze te markeren met seculiere of religieuze rituelen. Zo’n ritueel stelt de werkelijkheid die gaande is present, en verleent structuur aan een tijd die mogelijk als verwarrend, emotioneel en overweldigend wordt ervaren. De periode waarin een mens seksueel volwassen en mondig wordt, kan ook uitmonden in het ontwikkelen van eetproblematiek. In ons opstandingsverhaal valt te denken aan anorexia nervosa: deze vrouw wordt door een patriarchale ouder in haar persoonlijke groei belemmerd en krijgt geen hap meer door haar keel.

Het is een strategie die een jonge vrouw kan aanwenden om lichamelijk gezien op een jongen te gaan lijken. Wie voor een lange tijd geen suikers, eiwitten en vetten tot zich neemt, raakt niet alleen lichaamsgewicht kwijt, maar ook energie. Op den duur treedt haaruitval op, de glans verdwijnt uit iemands ogen, pupillen krijgen een doffe, wazige uitstraling, lichaamsrondingen krijgen geen vorm, je verliest je spraakvermogen, smaakzin en slaapt dagen achtereen. Die comateuze toestand van schijndood is waar Marcus op doelt met het woord ‘slaap’. Achter het hekwerk dat Talitha voor haar mond heeft geplaatst, staan die mensen in de gemeente die een zwijggebod is opgelegd en die de weeklagers ‘dood wensen’. De mensen die Talitha’s dood betreuren, zijn mensen die een ideologie in stand houden. Zij vertegenwoordigen de religieuze en politieke status quo, die wordt ondermijnd zodra minderheden mondig worden en gaan spreken. Marcus neemt daar geen genoegen mee. Hun misbaar is voor hem een misplaatst gebaar, en hij heeft Jezus van Nazareth als revolutionair nodig om die situatie op te heffen.

In het tweede opstandingsverhaal thematiseert Marcus de emancipatie van de vrouw. In de joodse cultuur waarin Marcus schrijft, wordt bloed als een substantie beschouwd, die een mens onrein maakt. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen lijdt, heeft om die reden geen toegang tot het joodse gebedshuis. Stadsbreed hebben ‘medegelovigen’ haar vanuit een smetvrees-optiek bejegend. Met wie je in aanraking kwam, daar werd je mee besmet en als gevolg van die zienswijze leeft deze vrouw in een sociaal isolement. Je kunt zeggen dat die zuiverheidscultus haar ziek en verbeten maakte. Het gedokter, bezoek aan specialisten, kuren, pillen en de kosten die ermee gepaard gingen, hebben haar uitgeput. In die tijd bestonden er nog geen ziektekostenverzekeraars die haar consulten en ‘apotheken’ vergoedden. Lichamelijk en financieel was ze enorm verarmd.

Zoals in onze tijd mensen soms naast of in plaats van de reguliere gezondheidszorg een beroep doen op alternatieve geneeswijzen, zo oefent Jezus van Nazareth als representant van de geestelijke verzorging een bijzondere aantrekkingskracht op haar uit. Die geest denkt niet in termen van rein en onrein, overstijgt psychologische categorieën en is erop uit de mens op te richten tot een leefwereld waarin zij vrij kunnen denken, spreken en zich bewegen. Hij is ‘de trekpleister’ in de omgeving van wie ook zij hoge verwachtingen heeft. Ze heeft nog weinig te verliezen, het is nu of nooit! Dat ze hem ‘aan zijn jasje trekt’, is cultureel gezien grensoverschrijdend gedrag, omdat ‘een onreine’ geacht werd de handen thuis te houden. Noli me tangere (Raak me niet aan!) is een uitspraak die ze in de afgelopen twaalf jaren vaak te horen kreeg.

Met het oog op haar heil dat wil zeggen, dat wat haar goed doet, zijn niet de culturele codes normerend, maar het object van haar geloof, dat is genezing van het juk dat door de denkwijze van Marcus’ samenleving in stand wordt gehouden. Voor Marcus hangt ‘evangelie’ nauw samen met grensoverschrijding, het openbreken van begrippenparen en structuren die voor individuen onderdrukkend en levensverstikkend werken. Tegenover het medisch establishment laat Marcus een timmerman uit Nazareth komen, iemand die hout bewerkt, omdat Marcus in zijn gemeente gevallen kent die voor de medische wetenschap ongeneeslijk zijn, maar waarvan hij weet dat ze met eenvoud en basale menselijke warmte in de vorm van een aanraking geholpen zijn.

Amen

Het Kruispunt Voorschoten, 16 april 2017

Preek naar aanleiding van Psalm 119:9-16 uit 150 psalmen vrij (vert. Huub Oosterhuis) en Marcus 5:22-43 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus (vert. dr. Marie H. van der Zeyde) voor de viering van Pasen op zondag 16 april 2017 om 10.00 uur in Het Kruispunt van de Protestantse gemeente te Voorschoten

Gemeente,

De psalmist in de lange wijsheidspsalm 119 maakt gebruik van herhaling en het is de monotonie die eruit volgt waardoor de lezer(es) die de psalm reciteert het eigen leven erdoor kan verdiepen. In een vertrouwd basispatroon leer je nieuwe aspecten van eenzelfde ‘wereld’ te ontdekken. De psalmist heeft een parcours uitgetekend, zet een paar lijnen uit om je als lezer(es) een grondstructuur te geven. Daarbinnen krijg je de vrijheid het avontuur te zoeken, opgravingen te doen en je eigen leven meer perspectief te geven.

Het met regelmaat lezen van Psalm 119 is te vergelijken met hetzelfde rondje hardlopen waarin je zo gewend bent geraakt aan de route dat je de tijd hebt te mediteren en te observeren, of met een stuk tekst dat je zo dierbaar is dat je het by heart kent en er los van de context je eigen interpretatie van kunt geven. Kortom, als je het stadium van ‘beginner’ bent ontstegen kun je je aandacht verplaatsen naar ‘andere zaken’.

We lopen nu een paar ‘technische’ kanten van de psalm langs om te begrijpen hoe dit loflied is opgebouwd. Wie de elementen van de psalm krijgt aangereikt, ze herkent en weet toe te passen heeft voldoende kennis verder in de psalm eigen wegen te gaan.

Psalm 119 is een poëtisch gebed dat binnen het vroege jodendom een heel meditatieve functie had. Joodse godsdienstige mensen leerden de psalmen uit het hoofd en droegen die in allerlei verbanden voor. De psalm leest in z’n geheel als een acrostichon, dat wil zeggen dat elk couplet begint met een letter uit het Hebreeuwse alfabet. De verssectie negen tot zestien begint met de tweede Hebreeuwse letter Beth. De beth wil bijsturen, kleine correcties aanbrengen. Psalm 119 is bij de poëtische geschriften ingedeeld en maakt binnen de poëtische geschriften deel uit van een wijsheidstraditie. De term ‘wijsheid’ verwijst niet naar academische filosofie zoals je dat vandaag de dag als geesteswetenschap aan de universiteit kunt studeren. Zoals er nu een levensbeschouwelijke doelgroep bestaat van zinzoekers, spirituelen en mensen die belangstelling hebben voor levenskunst, zo formuleert de psalmist een ‘joodse levenskunst’ voor de ballingen. Elk couplet uit Psalm 119 bevat een term waarmee ‘gelovige levenskunst’ wordt beschreven en die de psalmist in het geheel ‘het woord van God’ zal noemen.

De psalmist richt zich in vers negen tot zestien in het bijzonder tot de jongere die in een veelvormige wereld leeft, nog geen geschiedenis heeft opgebouwd en van wie de identiteit nog vele kanten op kan. De joodse jongere die op vreemde bodem vertoeft, is de adressant van onze psalm. De jongere is op zoek naar ‘bronnen van het zelf’, heeft vragen over herkomst, is uit op levensrichting en experimenteert om zichzelf te worden. Als je de psalm woord voor woord herleest, zul je zien dat de psalmist ‘de verstrooide jongere’ in de psalm een thuis geeft. De psalmist heeft zijn lied zo geconstrueerd dat het onder begeleiding van een snaarinstrument als een poëtisch gebed in de privéruimte te gebruiken is. In het rijmen van gedachten hanteert hij een poëtisch stijlmiddel die de jongere uitnodigt meerstemmig waar te nemen. De psalmist spoort de zoekende jongere aan te mediteren. Is hij aan het einde gekomen? Dan verwijst de spiraalvorm weer terug naar het begin. In het maken van die cirkelbewegingen ontsluiten zich niet eerder opgedane inzichten. De herhaling zorgt voor focus die ertoe kan leiden dat de lezer(es) of zanger(es) zo in de tekst of melodie verdiept raakt dat het een vernieuwing van het eigen denken tot gevolg heeft en je als herboren uit de psalm stapt.

In de verwantschap van de verzen ontspint zich een patroon van ‘hoor en wederhoor’, er ontstaat een bepaald proces waarin de verzen wederzijds op elkaar ingaan. Het is een mengvorm die het spiegelbeeld vormt van het menselijk leven zelf met haar grondlijnen en onverwachte wendingen. De psalmist heeft via zijn psalm getoond dat hij mee kan komen in het New York van de joodse jongere. En als de beweging van het pluriforme menselijke leven de jongere teveel wordt, dan loodst de psalmist haar of hem naar de prikkelarme, rustgevende omgeving van de eentonige lof aan een monotheïstische God. De psalm lijkt op een mantra.

De pastorale zorg van de psalmist reikt verder dan de leefwereld van jongeren, want telkens wanneer een mens haar of zijn geloof in zichzelf, God, medemens en wereld begint te verliezen, klaagt en smeekt, dan zet de psalmist in met lof en dank. Zinkt de moed je in de schoenen? Hoort hij een ‘valse noot’? Dan deelt hij complimentjes uit om je vertrouwen weer op te vijzelen. Psalm 119 vers negen tot zestien vormen dus niet enkel verhelderende en elegante verzen, het zijn pastoraal gezien uitstekende verzen!

Marcus vijf vers tweeëntwintig tot drieënveertig leest als de opeenvolging van twee opstandingsverhalen. In deze verhalen heeft de term ‘opstanding’ niet de betekenis dat een mens die in de bij ons gangbare betekenis is gestorven uit de dood herrijst of een patiënt die ‘klinisch dood’ is weer waarneembare tekenen van leven vertoont. De thematiek die Marcus via deze ‘spiegelverhalen’ wil aankaarten, is dat gemeenteleden begrippen die betrekking hebben op de menselijke geest ook als zodanig mogen gebruiken.

Marcus kwam in zijn gemeente mensen tegen die geestelijke begrippen letterlijk opvatten waardoor er begripsverwarring en discussies ontstonden waarin hij verheldering gaat scheppen. De term ‘opstanding’ heeft in het verhaal over de twaalfjarige Talitha de betekenis bevrijd te worden van fysieke, sociale en emotionele repressie.

In het eerste opstandingsverhaal gaat Marcus het opnemen voor de puber in zijn gemeente. Hij heeft gezien dat menig puber vrijheid nodig heeft haar of zijn eigen gang te gaan, maar die ruimte in de thuissituatie vaak niet krijgt. Talitha, de jonge, naamloze vrouw die wordt gepresenteerd als ‘het dochtertje van Jaïrus’ is twaalf jaar. Op die leeftijd zijn veel jongeren met het eigen lichaam, relaties, identiteit en levenskeuzes bezig. Er gebeurt nogal wat met het lijf als een jongere de overstap maakt van basisschool naar brugklas.

Lichamelijke veranderingen vormen een puber richting volwassenheid en ook deze jonge vrouw beseft dat ze geen kind meer is. De vader van Talitha is hoofd van de synagoge. Hij is de bestuurder van de joodse gemeenschap, een leidinggevende die beslissingen neemt in besluitvorming over beleid, verantwoordelijkheden op zich neemt en evenementen organiseert. Wellicht heeft hij de ontwikkelingen die Talitha innerlijk en uiterlijk doormaakte niet op de voet gevolgd. Hij noemt haar nog altijd liefkozend met een verkleinwoord ‘mijn dochtertje’. Maar deze jonge vrouw wier anatomie een groeispurt heeft gemaakt, die biologische rijpingsprocessen ondergaat en wellicht net haar eerste menstruatie heeft gehad, voelt zich allang geen dochtertje meer en is meer dan ‘een domineesdochter’. Ze maakt een periode door waarin ze zich van haar ouders gaat losmaken.

Als ik inzichten uit de psychoanalyse mag geloven dan kost het een meisje doorgaans twee keer zoveel moeite te slagen in die onthechting als een jongen. Om zich te kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig persoon die voor zichzelf leert spreken en wier identiteit niet wordt bepaald door de sociale relaties waarin ze is geboren, is voor Talitha van belang dat ze bij haar voornaam wordt aangesproken. Ze zou graag zien dat haar vader haar voor vol aanzag en verlangt ernaar dat hij haar serieus neemt. Dat doet hij niet door haar als een kleuter te behandelen en in de huiselijke sfeer vooral gesprekken over werkgerelateerde zaken te voeren. Jaïrus is hoofd van het joodse gebedshuis terwijl deze puberende vrouw naar ruimte zoekt voor haar gevoelswereld. Om aandacht te vragen voor haar leefwereld en haar fysieke gestel waarbinnen zich van alles afspeelt, is ze een hongerstaking begonnen.

De pubertijd is voor jonge vrouwen een periode van overgangen waaraan je binnen de pastorale sfeer aandacht kunt besteden door ze te markeren met seculiere of religieuze rituelen. Zo’n ritueel stelt de werkelijkheid die gaande is present en verleent structuur aan een tijd die mogelijk als verwarrend, emotioneel en overweldigend wordt ervaren. De periode waarin een mens seksueel volwassen en mondig wordt, kan ook uitmonden in het ontwikkelen van eetproblematiek. In ons opstandingsverhaal valt te denken aan anorexia nervosa: deze vrouw wordt door een patriarchale ouder in haar persoonlijke groei belemmerd en krijgt geen hap meer door haar keel.

Het is een strategie die een jonge vrouw kan aanwenden om lichamelijk gezien op een jongen te gaan lijken. Wie voor lange tijd geen suikers, eiwitten en vetten tot zich neemt, raakt niet alleen lichaamsgewicht kwijt, maar ook energie. Op den duur treedt haaruitval op, de glans verdwijnt uit iemands ogen, pupillen krijgen een doffe, wazige uitstraling, lichaamsrondingen krijgen geen vorm, je verliest je spraakvermogen, smaakzin en slaapt dagen achtereen. Die comateuze ‘toestand’ van schijndood is waar Marcus op doelt met het woord slaap.

Achter het hekwerk dat Talitha voor haar mond heeft geplaatst, staan die mensen in de gemeente die een zwijggebod is opgelegd en die de weeklagers ‘dood wensen’. De mensen die Talitha’s dood betreuren, zijn mensen die een ideologie in stand houden. Zij vertegenwoordigen de religieuze en politieke status quo die wordt ondermijnd zodra minderheden mondig worden en gaan spreken. Marcus neemt daar geen genoegen mee. Hun misbaar is voor hem een misplaatst gebaar en hij heeft Jezus als revolutionair nodig die situatie op te heffen.

In het tweede opstandingsverhaal thematiseert Marcus de emancipatie van de vrouw. In de joodse cultuur waarin Marcus schrijft, wordt bloed als een substantie beschouwd die een mens onrein maakt. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen lijdt, heeft om die reden geen toegang tot het joodse gebedshuis. Stadsbreed hebben ‘medegelovigen’ haar vanuit een smetvrees-optiek bejegend. Met wie je in aanraking kwam, daar werd je mee besmet en als gevolg van die zienswijze leeft deze vrouw in een sociaal isolement. Je kunt zeggen dat die zuiverheidscultus haar ziek en verbeten maakte. Het gedokter, bezoek aan specialisten, kuren, pillen en de kosten die ermee gepaard gingen, hebben haar uitgeput.

In die tijd bestonden er nog geen ziektekostenverzekeraars die haar consulten en ‘apotheken’ vergoedden. Lichamelijk en financieel was ze enorm verarmd. Zoals in onze tijd mensen soms naast of in plaats van de reguliere gezondheidszorg een beroep doen op alternatieve geneeswijzen, zo oefent Jezus van Nazareth als representant van de geestelijke verzorging een bijzondere aantrekkingskracht op haar uit. Die geest denkt niet in termen van rein en onrein, overstijgt psychologische categorieën en is erop uit de mens op te richten tot een leefwereld waarin zij vrij kunnen denken, spreken en zich bewegen. Hij is ‘de trekpleister’ in de omgeving van wie ook zij hoge verwachtingen heeft. Ze heeft nog weinig te verliezen, het is nu of nooit! Dat ze hem ‘aan zijn jasje trekt’ is cultureel gezien grensoverschrijdend gedrag omdat ‘een onreine’ geacht werd de handen thuis te houden. “Raak me niet aan!” is een uitspraak die ze in de afgelopen twaalf jaren vaak te horen kreeg.

Met het oog op haar heil, dat wil zeggen dat wat haar goed doet, zijn niet de culturele codes normerend, maar het object van haar geloof dat is genezing van het juk dat door de denkwijze van Marcus’ samenleving in stand wordt gehouden. Voor Marcus hangt evangelie nauw samen met grensoverschrijding, het openbreken van begrippenparen en structuren die voor individuen onderdrukkend en levensverstikkend werken. Tegenover het medisch establishment laat Marcus een timmerman uit Nazareth komen, iemand die hout bewerkt omdat Marcus in zijn gemeente gevallen kent die voor de medische wetenschap ongeneeslijk zijn, maar waarvan hij weet dat ze met eenvoud en basale menselijke warmte in de vorm van een aanraking geholpen zijn.

Amen