Zondag 16 mei 2021, Ontmoetingskerk Nieuwveen, zondag 23 mei 2021, Bethelkerk Den Helder, zondag 30 mei 2021, Het Kruispunt Prinsenbeek, zondag 13 juni 2021, Bethlehemkerk Papendrecht, zondag 20 juni 2021, De Spil Kudelstaart, zondag 27 juni 2021, Ter Coulsterkerk Heiloo, zondag 4 juli 2021, Dorpskerk Zandvoort, zondag 11 juli 2021, De Ark Schiedam, zondag 18 juli 2021, Vredekerk Soesterberg & zondag 25 juli 2021 Stationskerk Hardinxveld

Preek naar aanleiding van Galaten 5:13-26 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 16 mei 2021 om 9.30 uur in de Ontmoetingskerk van de Protestantse Gemeente te Nieuwveen, op zondag 23 mei 2021 om 10.00 uur in de Bethelkerk van de Protestantse Gemeente te Den Helder, op zondag 30 mei 2021 om 10.30 uur in Het Kruispunt te Prinsenbeek, op zondag 13 juni 2021 om 10.00 uur in de Bethlehemkerk van de Hervormde Gemeente te Papendrecht, op zondag 20 juni 2021 om 10.00 uur in De Spil van de Protestantse Gemeente te Kudelstaart, op zondag 27 juni 2021 om 10.00 uur in de Ter Coulsterkerk van de Protestantse Gemeente te Heiloo, op zondag 4 juli 2021 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente te Zandvoort, op zondag 11 juli 2021 om 10.00 uur in De Ark van de Protestantse Gemeente Kethel te Schiedam, op zondag 18 juli 2021 om 10.00 uur in de Vredekerk van de Protestantse Gemeente te Soesterberg en op zondag 25 juli 2021 om 9.30 uur in de Stationskerk van de Protestantse Gemeente Hardinxveld-Giessendam

Gemeente,

Als je de brieven van Paulus leest, dan kom je daarin de thema’s van vrijheid en geloof, de geest en de ethiek, en evangelie en wet tegen. Ook in de Galatenbrief is dat het geval. De brief van Paulus aan de Galaten, die waarschijnlijk in de Turkse regio Centraal-Anatolië woonden, dicht bij het huidige Ankara, is een document uit de eerste eeuw, dat je een indruk kan geven van de ontstaansgeschiedenis en voortgang van de eerste gemeenten en van de rol die het paulinische christendom daarin speelde. Meer nog dan een historisch document van Paulus zelf, bevat de brief van Paulus aan de Galaten het verslag van zijn bekering, die constitutief is voor zijn eigen religieuze positie. Paulus wil in de Galatenbrief duidelijk maken, dat hij niet via een historische traditie tot het christendom is gekomen, maar dat hij door een ervaring tot een levenshouding is bekeerd. Paulus wil naar die ervaring terugkeren, maar het probleem is, dat hij die ervaring niet van een religieuze uitleg kan voorzien, wellicht, omdat hij die ervaring niet historisch benadert, maar veeleer relationeel en die ervaring ziet als een complex van betekenissen en haar daardoor onbeschreven laat en niet nader interpreteert. Paulus kan en wil zijn ervaring niet via de historisch-religieuze taal van zijn tijd met haar reeds bestaande religieuze en juridische begrippen articuleren en weigert daarmee elke systematisering en verdere schematisering van een voor hem authentieke, originele, individuele ervaring die hij zonder religieuze afhankelijkheden heeft opgedaan en die de drijvende kracht achter zijn nieuwe levenshouding vormt, de motivatie achter zijn apostolische missie in het leven van de gemeenschappelijke wereld. Paulus kan zijn ervaring noch framen aan de hand van Grieks-Helleense ideeën, noch aan de hand van joods-israëlitische concepten. En, om die ervaring intact te laten en er voeling mee te houden, communiceert Paulus er niet uitvoeriger over en maakt zijn oerervaring daardoor voor anderen niet begrijpelijk. Paulus’ bekering is een privékwestie. In plaats van over zijn ervaring te spreken, doet Paulus iets anders: hij bewijst en toont de geest door de authentieke wijze waarop hij zijn tijdelijke leven leeft. Ervaring, geloof, levenshouding en geest, zij zijn het die doen aan existentiecommunicatie, en de apostel Paulus is de figuur om dit te laten zien.

De Galatenbrief wordt veelal gedateerd tussen 50 en 57 na Christus en voordat Paulus zijn brief aan de Romeinen liet opstellen. Deze gemeenten in Galatië functioneerden binnen de context van de politiek en de economie van het Romeinse rijk en hadden tot dusver hun leven geleefd in het licht van de ethiek van het jodendom, met haar nadruk op het naleven van diverse wetten en regels. De brief doet verslag van een conflict tussen Paulus, de Galaten en een groep joodse christenen, maar ook van interne conflicten tussen leden uit de gemeenten van Galatië. Dit conflict wordt eerst theoretisch uiteengezet en vervolgens toegepast op het leven. Veel van de leden uit de gemeenten van Galatië kwamen uit de middenklasse die in de Griekse cultuur waren gesocialiseerd. Zij waren voornamelijk handelslieden, kunstenaars, oorlogsveteranen, en ook slaven. Enkel de gemeenteleden uit de middenklasse kenden economische welvaart en hadden toegang tot de Griekse cultuur. Een ander, groot deel van de bevolking, zoals arbeiders en handwerkslieden, leefden aan de rand van de samenleving. Dit deel van de bevolking wist uit eigen ervaring wat het kon betekenen gediscrimineerd en onderdrukt te worden, mensen uit de middenklasse lazen er met name over. Dit aspect van sociale klasse en de verschillende belangen die ermee samenhangen, spelen een rol in Paulus’ toespitsing op de kwestie van vlees en geest in Galaten 5 vers 13 tot 26. Voor nu is van belang de bekeerling Paulus te zien in zijn strijd met de religieuze opvattingen in zijn bestaan als apostel, een strijd tussen wet en geloof. Het gedrag dat kenmerkend is voor christelijk bewustzijn, is vanuit die strijd te begrijpen. Wet en geloof zijn beide modi, tussenstadia, doorgangen die naar het leven moeten leiden, een doelstelling die de toekomst beheerst. Paulus was zowel Romeins burger als farizeeër en kende de Romeinse en de joodse wereld dus van binnenuit. Paulus wist heel goed wat het betekende om onderworpen te zijn aan zowel de Romeinse wet als aan de joodse wetten, die vooral ritueel, ceremonieel en moreel van aard zijn. Vanwege het evangelie dat hij verkondigde, was hij door vertegenwoordigers van beide werelden lijfelijk bestraft: door de Romeinen via geseling, door de joden met 39 slagen. Je zou kunnen verdedigen dat het ondergaan van deze martelingen een teken is van geest. Wellicht hebben deze lijfstraffen Paulus ook gemotiveerd tot het cultiveren van een houding van je eigen lijden dragen en het opstaan uit je doden versterkt. Tegelijkertijd tonen die lijfstraffen de onverdraagzaamheid van regimes die zich bedreigd voelden door Paulus als andersdenkende, één die een evangelie proclameert van Jezus van Nazareth, een anarchist die mensen probeert in te nemen voor een nieuw leven dat in het teken staat van vrijheid en daarvoor uiteindelijk onschuldig werd gekruisigd. De levensleer van Jezus van Nazareth, met z’n specifieke, onderscheidende manier van spreken, denken, oordelen en handelen heeft het leven van Paulus 180 graden gedraaid. De parallel en de mogelijke identificatie van het lichaam van Paulus met het lichaam van Jezus is niet onbelangrijk: Paulus’ lichaam was een vervolgd, gemarteld en bekritiseerd, een mishandeld lichaam, waaruit wellicht daardoor des te sterker de radicale roep klinkt om de wet of liever het recht van de voorkeursloze naastenliefde, al gelovend en praktiserend, in vrijheid te leven. En werd Jezus uiteindelijk gekruisigd, Paulus zal worden onthoofd.

De Galaten leden aan de ene kant onder het juk van de joodse wetten, aan de andere kant onder de last van het Romeinse gezag met zijn slavenhandel, militaire praktijken en arbitrair rechtssysteem. Stelt u zich voor, dat er voortdurend legertroepen door de wijk waar u woont, trekken en u op instigatie van de overheid verplicht wordt om in de behoeften van het leger te voorzien, u in financieel opzicht met het provinciebestuur moet meewerken om de economische last van de soldij te dragen, dat op de lokale markten waar u uw boodschappen doet, verkoop van slaven plaatsvindt, mensen vanwege hun levensbeschouwelijke overtuigingen vervolgd konden worden, zonder dat dit als een strafbaar feit werd gezien en mensen door de meest invloedrijke politieke bestuurders werden vermoord zonder daarvan een spoor achter te laten.

Het eerste probleem waar Paulus met zowel de Romeinse wet als de joodse wetten op stuitte, is dat zij uitsluiting, discriminatie en sociale verschillen in de hand werkte. In Paulus’ visie was de verstedelijkte samenleving waarin hij leefde, gebaseerd op intolerantie, wederkerigheid, macht, geld en standen. Mensen die dit niet bezaten, waren geen, zoals wij modern zouden zeggen, “kwetsbare individuen”, maar maakten überhaupt geen deel uit van de samenleving. En dus is een evangelie dat pretendeert universeel te zijn, te allen tijde bestemd voor een ieder, ongeacht maatschappelijke status, een ongewenste nivellering van maatschappelijke verhoudingen voor de een, en een bevrijdende, humanistische boodschap voor de ander.

Het tweede probleem dat Paulus met de genoemde wetten had, is dat deze via voorschriften opnieuw tot plichten met verantwoordelijkheden leidde, waarmee hij en de  Galaten opnieuw hun vrijheid verloren. Op basis van Paulus’ ervaring die zijn leven op z’n kop had gezet, stond hij vrij tegenover de tradities die achter die wetten schuilden. Wat hem door de geest werd ingegeven, was een nieuwe standaard voor zijn eigen levenswijze geworden en beveelt hij ook de  Galaten aan.

De brief aan de Galaten is te kwalificeren als een apologetische, retorische brief, die veel emotioneel beladen taal bevat met als doel de lezers te overtuigen van Paulus’ opvatting van het evangelische christendom en van wat aantrekkelijke redenen zijn om je met dat gedachtegoed en die inherente levensstijl in te laten. Paulus is hier als auteur via zijn scribent, die de brief voor hem opschreef, doelbewust uit op polarisatie om een structurele verandering in die hiërarchische samenleving op gang te brengen. Een van de uitdagingen waar Paulus voor staat is die gewenste, op gang te brengen polarisatie niet te lang te laten duren, aangezien kortdurende polarisatie weliswaar productief is om maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen en verschillende, conflicterende belangen te verhelderen, maar langdurige polarisatie zou die Romeins-joodse samenleving nog veel verdeelder, meer gesegregeerd maken dan ze al was. Doorgaans is het relatief makkelijk om groepen te vormen op basis van definities of sociologische kenmerken waarmee mensen zich onderscheiden van anderen, hun identiteit laten gelden op basis van die al dan niet verworven kenmerken en ze in veel gevallen te laten manifesteren als dat in hun voordeel is. Als u bijvoorbeeld denkt aan de wijk waarin u woont, de scholen waarop u hebt gezeten en uw kinderen en kleinkinderen zitten, de omgevingen waar u werkzaam bent geweest, de sociale media waar u gebruik van maakt en uw eventuele lidmaatschappen van allerlei organisaties, herkent u dan hoe deze instanties, instituten en media u definiëren door u te profileren als openbaar versus religieus, nationaal versus multi-etnisch-cultureel, kosmopolitisch versus lokaal, rijk versus arm, theoretisch versus praktisch opgeleid, links versus rechts of Randstedelijk versus niet-Randstedelijk? Paulus nu was gericht op het stichten van een nieuwe geloofsgemeenschap waarin dit type sociale tegenpolen idealiter geen enkele rol meer spelen. Hij treedt op als katalysator en maatschappelijk hervormer door de invloed van die polen te ontbinden.

Paulus echter doet nog iets meer door een speciaal voorstel te formuleren ten aanzien van de Galaten. Paulus heeft een goede relatie met de gemeenteleden van de Galaten ontwikkeld, maar op het moment van schrijven dreigt deze relatie door concurrerende evangeliën die rondgaan, verstoord te raken. De gemeenteleden uit Galatië waren inwendig verdeeld geraakt: welke prediker of evangelist moest men geloven nu zij tegenstrijdige evangeliën verkondigden? In de brief neemt Paulus stelling tegen zijn concurrerende medepredikers.

Paulus gaat zijn best doen om de goede relatie met de Galaten te behouden door een uitgewerkt antwoord te bieden op een vraag die voor hen beide essentieel is, namelijk: hoe behoudt je je vrijheid buiten een wet die je gedrag stuurt door middel van voorschriften zonder die wet te schenden? Volgens Paulus is het mogelijk om je zonder de wet goed te gedragen als je je laat leiden door de geest, waardoor je uit liefde handelt, omdat, één, wie zich laat leiden door de geest niet langer onder de wet staat, en twee, de wet niet gericht is tegen de effecten van de geest, zoals de liefde. Leven in de geest van de liefde leidt inherent tot elkaar aanmoedigen, steunen, opbouwen, helpen en ontwikkelen. Een dergelijke geestesgezindheid maakt dat je geen externe wetten nodig hebt om je billijk en beminnelijk te gedragen, aangezien je een nieuw mens bent, niet langer levend naar de wil van het vlees. De liefde verklaart die wet als overbodig. Op basis van zijn eigen, aan het begin van de preek genoemde ervaring, is Paulus ervan overtuigd, dat enkel het aanvaarden van een andere leiding voor het eigen gedrag dan wetten, kan resulteren in een nieuw leven en de effecten van de geest zal voortbrengen.

Om mogelijke misverstanden over de betekenis van de term “vlees” te voorkomen, als Paulus in Galaten 5 vers 13 tot 26 het Griekse woord sarx, vlees, gebruikt, dan bedoelt hij daar iets anders mee dan er in de biologie mee wordt bedoeld. In de context van de Galatenbrief is vlees een psychische categorie, die staat voor negatieve neigingen, ongunstige tendensen die veroorzaakt worden door de wil van een mens en leiden tot destructief gedrag. Paulus presenteert vlees gewild dualistisch als tegengesteld aan geest. Vlees en geest zijn geen ethische categorieën en gaan hier dientengevolge niet over ondeugden en deugden: het zijn waarneembare gedragingen van twee aan elkaar tegengestelde manieren waarop je je leven kunt leiden. Paulus ziet de negatieve daden uit vers 19 tot en met 21 als bewust gekozen handelingen van het vlees, of, moderner uitgedrukt, als beoogde gedragingen van wilsbekwame mensen, en de positieve handelingen uit vers 22 en 23 als aantoonbare gevolgen van een leven in de geest. Paulus stelling is, dat, als je voor je gedrag niet je psyche, maar je geest volgt, deze de invloed van het vlees zal overtreffen. Voor Paulus vormt die stelling een indirecte aansporing, een advies aan de gemeenteleden uit Galatië, die niet alleen onder de druk en dwang van de wet leden, maar ook het risico liepen hun vrijheid te verliezen door te handelen conform het vlees ten gevolge van de conflictueuze situaties waarin zij zich bevinden. Paulus treedt in die situaties op als conflictmanager die de Galaten zowel verlost van de wet, als hen verlost van de boze. Het paulinische christendom uit de Galatenbrief houdt de christenen van zijn tijd voor boven de wet te staan in de zin van er niet aan gebonden te zijn en boven de negatieve emoties en gedrag van de psyche te staan door je er niet aan te onderwerpen. Dat zijn bekwaamheden ten gevolge van de geest, waardoor een nieuw leven mogelijk wordt en je kunt leven in vrijheid. Het zijn ook noodzakelijke voorwaarden voor geestelijke ontwikkeling.

Amen 

Donderdag 30 mei 2019, ‘De Regenboog’ Leiden & zondag 2 juni 2019, ‘Hervormde Kerk’ Zevenbergen

Preek naar aanleiding van Ezechiël 1:25-28 en 1 Johannes 2:1-6 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Hemelvaart op donderdag 30 mei 2019 om 10.00 uur in het Kerkelijk Centrum De Regenboog te Leiden en voor de viering op zondag 2 juni 2019 om 10.00 uur in de Hervormde Kerk te Zevenbergen

Gemeente,

Hoe kent u ‘de’ werkelijkheid? Welke rol kan de ervaring spelen voor het opdoen van ‘godskennis’? Dit zijn twee vragen die de auteur van het boek Ezechiël en de schrijver van De eerste brief van Johannes je kunnen stellen.

Als je wilt beoordelen of een gekozen methode aansluit bij een kenobject, dan definieer je als onderzoeker eerst de centrale begrippen die in je vraagstelling meekomen. De methode moet garanderen dat het tot bepaalde resultaten leidt, zich kan identificeren met het gekende en de onderzoeker wordt geacht kennis te verwerven of liever nieuwe uitspraken te doen over het onderwerp dat zij of hij bestudeert. Voor het omschrijven van de begrippen hanteer je criteria tot je op een punt komt waarachter je niet verder terug kunt. Dan vallen er besluiten vanuit een eerste persoons perspectief.

Het benaderen van de werkelijkheid en het reflecteren op de toegang tot de werkelijkheid noemen we voor het gemak ‘het algemene’. Het vaststellen van bronnen en hun status met betrekking tot God betitelen we als ‘het bijzondere’. In de theologie leert een student met name theoretisch te reflecteren op de wijze waarop mensen spreken over God door die taal via rationele concepten te analyseren. Die begrippenkaders zijn vaak afkomstig uit de hulpwetenschappen. Als gelovige leer je ‘God’ onder andere ‘kennen’ vanuit de ervaring. Maar aan de ervaring zitten voor een theoloog die analytisch denkt nogal wat haken en ogen: de ervaring is veranderlijk, ze komt en gaat wanneer ze wil, lijkt niet echt een vaststaande structuur te hebben, is een eindeloze stroom en dermate subjectief, dat je er moeilijk een breed gedragen theologie op kunt bouwen. Een analyticus kan geneigd zijn de ervaring als grond te schuwen en een tikkeltje te minachten. Hoe kan nog enige systematiek worden aangebracht in de wereld van ervaringen?

Vandaag de dag lijkt er een kentering te zijn in de waardering van de ervaring als bron van kennis van transcendentie. Een verklaring zou kunnen zijn dat onze tijd, die continu aan verandering onderhevig is, zich leent voor geloof op basis van ervaring. In een leefwereld die dynamisch en mobiel is, ontwikkelen mensen een besef van de werkelijkheid die ook zelf grotendeels een maakbaar construct is. Vaststaande concepten, grote verhalen, permanente structuren, systemen en grenzen voldoen in een dergelijke leefwereld en realiteitsopvatting niet. Van een mens die in een flexibele werkelijkheid leeft, wordt gevraagd dat zij of hij verschillende scenario’s klaar heeft staan, snel kan switchen van de ene naar de andere denkstijl, concepten kan herijken en hervormen.

In zo’n flexibele wereld gaan mensen ook anders naar zichzelf kijken. Het zelfbeeld is minder omlijnd en substantieel, introspectie dat wil zeggen, de blik naar binnen wordt belangrijker en er is aandacht voor intuïties en sensaties. Een meer vloeibare samenleving vraagt denk ik ook om vernieuwing van het denken over geloof. De ervaring zou ook voor de religie in de eenentwintigste eeuw weleens de vindplaats kunnen zijn voor de geestelijke toegang tot God. Ook in protestantse kring is er een herwaardering van ervaring als bron van geloof te zien.

Een ‘evenement’ als hemelvaart en het visionaire karakter van de teksten uit Ezechiël een vers vijfentwintig tot achtentwintig en 1 Johannes twee vers een tot zes passen bij een geloofsbeleving die de ervaring, waaronder je het gemoed en de beleving kunt rekenen, voor vol aanzien. God is te zien als de inhoud van een menselijke ervaring die zich van andere ervaringen onderscheidt, doordat bij de godservaring de realiteit van de inhoud van deze ervaring alleen door de realiteit van de ervaring wordt gewaarborgd. Het tijdelijke en bijzondere karakter van die ervaring maakt het soms moeilijk erover te communiceren en er onderzoek naar te doen. In beschrijvingen van hemelvaarten staan de achtergeblevenen vaak nog wat beteuterd te kijken, praten na en gebruiken beelden als ‘de beslagen ruit’, ‘een wazige spiegel’, ‘nevelen’ of ‘wolken’ om uit te drukken dat ze een sterke ervaring van transcendentie hebben gehad, maar dat niet helder is wat de inhoud van die ervaring behelsde.

In het alledaagse leven doen mensen voortdurend ervaringen met het transcendente op. De handelingen die een mens uitvoert en de spreekwijzen waarvan een mens zich bedient, laten zien dat zij of hij zich daarmee bekent tot een bepaalde werkelijkheid. In de vragen die je stelt, de twijfels die je hebt, ontkenningen, erken je een zekere werkelijkheid. Je doet ze op basis van een beeld van de werkelijkheid. Je vertrekt zogezegd ergens vandaan, spreekt vanuit een plaats die dat spreken mogelijk maakt. Naast de achtergrond waartegen je spreekt, is er de horizon in relatie waartoe je spreekt. Er is de grond, het waarvandaan, dat elke vorm van reflectie mogelijk maakt, en het waarnaartoe, dat iedere beweging tot doel heeft. Die ‘grond’ is een geheim, omdat het niet transparant is. Mensen zijn er op de wereld als op een gemaskerd bal: je kunt de ander vragen haar of zijn motieven te formuleren, maar de vraag is maar of je met die articulaties iemands drijfveren op het spoor bent. Er zitten zoveel kanten aan het gedrag van een mens die voor haar- of hemzelf vaak ondoorzichtig zijn.

Hemelvaart staat voor de onbegrijpelijke volheid van de werkelijkheid. Hemelvaart herbergt oorden van ervaringen met transcendentie die ook hier en nu te beleven zijn: in de helderheid van geestelijke kennis, in de ervaring van radicale twijfel, in de fundamentele impuls tot gewetensverplichting, in de angst, in vreugde en hoop, en in de ervaring van de dood. Al die ‘ervaringsoorden’ voeren terug op of oriënteren zich aan een grond die in de alledaagse ervaring voor mensen onzichtbaar is.

Je kunt die ‘grond’ – ik gebruik de metafoor ‘grond’, maar er zijn vast ook andere metaforen of begrippen voor te bedenken – als mens niet doorzien of ‘bemachtigen’. De mens die zich dit waarnaartoe van deze ervaring al wordend voorstelt, drukt het het stempel ‘God’ op of geeft het de term ‘hoogste wezen’ mee. Als God gerelateerd is aan de innerlijke structuren van de mens en in het bijzonder van de nog niet verwerkelijkte mens, die zich al wordend in de richting van God beweegt en ‘de heerlijkheid ingaat’, dan is God geen vaststaande entiteit.

Dat losse godsbeeld komt ook naar voren bij de auteurs van Ezechiël en 1 Johannes. Wat je je als lezer(es) van het boek Ezechiël mag realiseren, is dat het is nagelaten aan een gemeenschap van gelovigen, die dit werk niet als afgesloten en onveranderlijk beschouwden. Het karakter van de theofanie, met de klassieke onderdelen van wind, vuur en licht, leent zich voor aanvullingen. Wat de profeet in Ezechiël in zijn vergelijkingen doet, is niet ‘het onuitsprekelijke’ of de empirische verschijningsvorm van een object of persoon beschrijven, hij wil een ervaring delen. Hiervoor maakt hij gebruik van het visioen als literaire vorm.

Net als in de priesterlijke traditie was ‘heerlijkheid’ erg belangrijk voor Ezechiël. Heerlijkheid duidt op een vorm van presentie, waarbij ‘de Ene’ tegenwoordig is op vreemde, in dit geval Babylonische, grond. Ezechiël deelt mee dat hij heeft ervaren dat God zonder tempel ‘in het buitenland’ met een mens meereist. Daarmee steekt hij de joden die in de diaspora leefden een hart onder de riem. God is niet gebonden aan een tempel, de institutionele religie of ingekaderde ideeën. Waar een mens zich bevindt, daar mag zij of hij ook haar of zijn God ervaren. Met die uitspraak van Ezechiël is veel duidelijk gemaakt, dingen zijn nu helder, opgelost. Heen en weer geslingerd tussen verschillende werelden met verschillende ‘wetten’, kreeg de in de verstrooiing levende jood nu bevestiging, het zelfvertrouwen dat zij of hij zo nodig had.

Ook de oude mysticus die wij kennen als Johannes schrijft in het kader van pastorale zorg. De geadresseerden van zijn brief leefden verspreid, enkelen zijn verhuisd en met die verhuizing komen zij in aanraking met hele andere denkwerelden. Wellicht kent u de ervaring dat met veel reizen en het opdoen van buitenlandervaring de kennismaking met andere culturen ertoe kan leiden dat de eigen culturele concepten ter discussie komen te staan en gerelativeerd worden. Dat deden de nieuwkomers die waren opgegroeid in de Johanneïsche gemeente ook. Ze ontkenden de historische en fysieke realiteit van geestelijke ervaringen, zagen geen verband tussen X en Y, stelden kritische vragen over beweringen die niet congrueerden met praktijken en waarmee de geloofwaardigheid in het geding was.

De auteur nu gaat de eenheid bewaren door onderricht te geven in de nuances van het geestelijke leven. Via ‘de wijsheid’ en het oefenen van onderscheidingsvermogen hoopt hij te voorkomen dat zij schade aan de ziel oplopen. Het is een brief waarin hij fundamenteel stelling gaat nemen voor de ervaring als bron van geloof en ‘middel’ voor de manifestatie van God. Deze Johannes gaat geen bijdrage leveren aan bestaande theorievorming, hoeft z’n uitspraken niet wetenschappelijk te verantwoorden en laat z’n overtuiging ook niet door een commissie toetsen. Hij heeft zich wel drie basale vragen gesteld, voordat hij z’n briefje liet circuleren, namelijk: wat is geloof? In welke menselijke mentale capaciteiten vindt geloof z’n oorsprong? En, hoe ontstaat geloof? Een actuele identiteitscrisis en het denken over geloof in het leven van veel van zijn pastoranten had ertoe geleid dat hij zich opnieuw ging bezinnen op de menselijke godsdienst en ging de ervaring als een bijzonder vermogen tot godskennis zien.

Voor Johannes kan een mens ‘God’ of liever ‘de eigen waarheid’ bereiken door innerlijke activiteit, die wordt gevoed door een geestelijk leven. Een mens vormt zich allerlei gedachten, maakt keuzes, doet ervaringen op en beleeft geloof in dagelijkse situaties. In die bestaanswijzen kan God inwoning maken in de gelovige, die op haar of zijn beurt iets van het goddelijke leven naspeelt. Een vraag die bij Johannes’ pastoranten speelt is: representeert het uiterlijke het innerlijke? Grote aandacht besteedt hij dan ook aan de geestelijke verwerving van het goddelijke leven door aandacht voor de innerlijke dimensie van het leven en de uiterlijke daden die mensen verrichten. Hij ‘bestudeert’ de vormen van dynamiek tussen beide en gelooft dat God de verzamelnaam is voor de verbondenheid met elkaar. Die gemeenschap zou wat hem betreft ook op afstand de werkelijkheid van God mogen spiegelen, door het goddelijke leven, moderner vertaald ‘het nieuwe denken’ als uitgangspunt voor het eigen handelen te nemen. Dat vraagt wat hem betreft wel van een mens dat zij of hij uit geest geboren wordt, een metamorfose naar een andere bestaansvorm ondergaat, die je persoonlijkheid verandert.

Wie als moderne gelovige op zoek is naar een standaard voor de aanwezigheid en het genereren van nieuw leven, kan zich richten op een innerlijk principe, waardoor je iets kunt realiseren dat leidt tot ‘godskennis’. God laat zich dan (be)schrijven in je binnenste. Voor die methode is nodig in te stemmen met de ervaring en toestaan dat die ervaring allereerst een weg is met jezelf, om vervolgens te ontdekken dat je wandelt met God de heerlijkheid in, de ultieme vrijheid tegemoet.

Amen