Zondag 11 november 2018, ‘Adventskerk’ Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Marcus 5:22-43 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus van dr. Marie H. van der Zeyde voor de Cantateviering op zondag 11 november 2018 om 18.30 uur in de Adventskerk te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Marcus vijf vers tweeëntwintig tot drieënveertig leest als de opeenvolging van twee opstandingsverhalen. In deze verhalen heeft de term ‘opstanding’ niet de betekenis dat een mens die in de bij ons gangbare betekenis is gestorven, uit de dood herrijst of een patiënt die ‘klinisch dood’ is weer waarneembare tekenen van leven vertoont. De thematiek die Marcus via deze ‘spiegelverhalen’ wil aankaarten, is dat gemeenteleden begrippen die betrekking hebben op de menselijke geest ook als zodanig mogen gebruiken. Marcus kwam in zijn gemeente mensen tegen die geestelijke begrippen letterlijk opvatten, waardoor er begripsverwarring en discussies ontstonden, waarin hij verheldering gaat scheppen.

De term ‘opstanding’ heeft in het verhaal over de twaalfjarige Talitha de betekenis van fysieke, sociale en emotionele repressie te worden bevrijd. In het eerste opstandingsverhaal gaat Marcus het opnemen voor de puber in zijn gemeente. Hij heeft gezien dat menig puber vrijheid nodig heeft om haar of zijn eigen gang te gaan, maar die ruimte in de thuissituatie vaak niet krijgt. Talitha, de jonge, naamloze vrouw, die wordt gepresenteerd als “het dochtertje van Jaïrus”, is twaalf jaar. Op die leeftijd zijn veel jongeren met het eigen lichaam, relaties, identiteit en levenskeuzes bezig. Er gebeurt nogal wat met het lijf als een jongere de overstap maakt van basisschool naar brugklas.

Lichamelijke veranderingen vormen een puber richting de volwassenheid, en ook deze jonge vrouw beseft dat ze geen kind meer is. De vader van Talitha is hoofd van de synagoge. Hij is de bestuurder van de joodse gemeenschap, een leidinggevende die beslissingen neemt in besluitvorming over beleid, verantwoordelijkheden op zich neemt en evenementen organiseert. Wellicht heeft hij de ontwikkelingen die Talitha innerlijk en uiterlijk doormaakte niet op de voet gevolgd. Hij noemt haar nog altijd liefkozend met een verkleinwoord “mijn dochtertje”. Maar deze jonge vrouw wier anatomie een groeispurt heeft gemaakt, die biologische rijpingsprocessen ondergaat en wellicht net haar eerste menstruatie heeft gehad, voelt zich allang geen dochtertje meer, en is meer dan ‘een domineesdochter’. Ze maakt een periode door, waarin ze zich van haar ouders gaat losmaken. Als ik inzichten uit de psychoanalyse mag geloven, dan kost het een meisje doorgaans twee keer zoveel moeite te slagen in die onthechting als een jongen. Om zich te kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig persoon, die voor zichzelf leert spreken en wier identiteit niet wordt bepaald door de sociale relaties waarin ze is geboren, is voor Talitha van belang dat ze bij haar voornaam wordt aangesproken. Ze zou graag zien dat haar vader haar voor vol aanzag en verlangt ernaar dat hij haar serieus neemt. Dat doet hij niet door haar als een kleuter te behandelen en in de huiselijke sfeer vooral gesprekken over werkgerelateerde zaken te voeren. Jaïrus is hoofd van het joodse gebedshuis, terwijl deze puberende vrouw naar ruimte zoekt voor haar gevoelswereld. Om aandacht te vragen voor haar leefwereld en haar fysieke gestel waarbinnen zich van alles afspeelt, is ze een hongerstaking begonnen.

De pubertijd is voor jonge vrouwen een periode van overgangen, waaraan je binnen de pastorale sfeer aandacht kunt besteden door ze te markeren met seculiere of religieuze rituelen. Zo’n ritueel stelt de werkelijkheid die gaande is present, en verleent structuur aan een tijd die mogelijk als verwarrend, emotioneel en overweldigend wordt ervaren. De periode waarin een mens seksueel volwassen en mondig wordt, kan ook uitmonden in het ontwikkelen van eetproblematiek. In ons opstandingsverhaal valt te denken aan anorexia nervosa: deze vrouw wordt door een patriarchale ouder in haar persoonlijke groei belemmerd en krijgt geen hap meer door haar keel.

Het is een strategie die een jonge vrouw kan aanwenden om lichamelijk gezien op een jongen te gaan lijken. Wie voor een lange tijd geen suikers, eiwitten en vetten tot zich neemt, raakt niet alleen lichaamsgewicht kwijt, maar ook energie. Op den duur treedt haaruitval op, de glans verdwijnt uit iemands ogen, pupillen krijgen een doffe, wazige uitstraling, lichaamsrondingen krijgen geen vorm, je verliest je spraakvermogen, smaakzin en slaapt dagen achtereen. Die comateuze toestand van schijndood is waar Marcus op doelt met het woord ‘slaap’. Achter het hekwerk dat Talitha voor haar mond heeft geplaatst, staan die mensen in de gemeente die een zwijggebod is opgelegd en die de weeklagers ‘dood wensen’. De mensen die Talitha’s dood betreuren, zijn mensen die een ideologie in stand houden. Zij vertegenwoordigen de religieuze en politieke status quo, die wordt ondermijnd zodra minderheden mondig worden en gaan spreken. Marcus neemt daar geen genoegen mee. Hun misbaar is voor hem een misplaatst gebaar, en hij heeft Jezus van Nazareth als revolutionair nodig om die situatie op te heffen.

In het tweede opstandingsverhaal thematiseert Marcus de emancipatie van de vrouw. In de joodse cultuur waarin Marcus schrijft, wordt bloed als een substantie beschouwd, die een mens onrein maakt. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen lijdt, heeft om die reden geen toegang tot het joodse gebedshuis. Stadsbreed hebben ‘medegelovigen’ haar vanuit een smetvrees-optiek bejegend. Met wie je in aanraking kwam, daar werd je mee besmet en als gevolg van die zienswijze leeft deze vrouw in een sociaal isolement. Je kunt zeggen dat die zuiverheidscultus haar ziek en verbeten maakte. Het gedokter, bezoek aan specialisten, kuren, pillen en de kosten die ermee gepaard gingen, hebben haar uitgeput. In die tijd bestonden er nog geen ziektekostenverzekeraars die haar consulten en ‘apotheken’ vergoedden. Lichamelijk en financieel was ze enorm verarmd.

Zoals in onze tijd mensen soms naast of in plaats van de reguliere gezondheidszorg een beroep doen op alternatieve geneeswijzen, zo oefent Jezus van Nazareth als representant van de geestelijke verzorging een bijzondere aantrekkingskracht op haar uit. Die geest denkt niet in termen van rein en onrein, overstijgt psychologische categorieën en is erop uit de mens op te richten tot een leefwereld waarin zij vrij kunnen denken, spreken en zich bewegen. Hij is ‘de trekpleister’ in de omgeving van wie ook zij hoge verwachtingen heeft. Ze heeft nog weinig te verliezen, het is nu of nooit! Dat ze hem ‘aan zijn jasje trekt’, is cultureel gezien grensoverschrijdend gedrag, omdat ‘een onreine’ geacht werd de handen thuis te houden. Noli me tangere (Raak me niet aan!) is een uitspraak die ze in de afgelopen twaalf jaren vaak te horen kreeg.

Met het oog op haar heil dat wil zeggen, dat wat haar goed doet, zijn niet de culturele codes normerend, maar het object van haar geloof, dat is genezing van het juk dat door de denkwijze van Marcus’ samenleving in stand wordt gehouden. Voor Marcus hangt ‘evangelie’ nauw samen met grensoverschrijding, het openbreken van begrippenparen en structuren die voor individuen onderdrukkend en levensverstikkend werken. Tegenover het medisch establishment laat Marcus een timmerman uit Nazareth komen, iemand die hout bewerkt, omdat Marcus in zijn gemeente gevallen kent die voor de medische wetenschap ongeneeslijk zijn, maar waarvan hij weet dat ze met eenvoud en basale menselijke warmte in de vorm van een aanraking geholpen zijn.

Amen

Dorpskerk Bleiswijk, 24 december 2017 en Johanneskerk Rotterdam, 25 december 2017

Preek naar aanleiding van Micha 5:1-6 en Lucas 1:57-2:22 uit de Bijbel in Gewone Taal voor de viering van Kerstnacht op 24 december 2017 om 19.00 uur in de Dorpskerk van de Hervormde Gemeente te Bleiswijk en uit de Naardense Bijbel voor de viering van Kerst op maandag 25 december 2017 om 10.00 uur in de Johanneskerk van de Hervormde wijkgemeente Lombardijen te Rotterdam

Gemeente,

Wat is de inhoud van Micha’s profetische ervaring, de gedachte die je voelt als je hem leest, het motief dat altijd in zijn hoofd resoneert? Wat windt hem op, zet hem in beweging? Is het bezorgdheid om het lot en de toekomst van mensen of de overheid? Is hij geïrriteerd over het schenden van morele wetten, verontwaardigd over het niet voldoen aan standaarden?

In de tijd van Micha onderdrukte de rijke, heersende klasse van Jeruzalem de plattelandsbevolking. Boeren die hun schulden niet konden betalen, werden gedwongen tot slavernij. Macht werd voor geld misbruikt, het land van agrariërs werd onteigend, huizen werden geconfisqueerd. Micha zag het met lede ogen aan, ging door een nacht van diepe geestelijke duisternis en besloot het op te nemen voor de plattelandsbevolking van Jeruzalem. Hij gunde de rijke haar of zijn welvaart, maar uitbuiting van de medemens ging hem te ver. Ooit was er niet die kloof tussen arm en rijk; de samenleving was niet hiërarchisch geordend in termen van welstand, kende geen rangen en standen.

Leidinggevenden werden geboren in de onbeduidende stad Bethlehem, de plaats waar een ieder voldoende aan haar of zijn trekken kwam, doordat de samenleving er was georganiseerd rondom het centrale begrip misjpat, dat vertaald kan worden als ‘gerechtigheid’, en niet in Jeruzalem, de stad waar het getouwtrek om de macht plaatsvond en slechts aan de behoeften van een beperkt deel van de mensen tegemoet werd gekomen.

De beginperiode was veranderd: de Jacobsladder in de samenleving die reikte tot de hemel werd vervangen door een sociaaleconomische ladder. Bepaalde mensen kregen aanzien, naar anderen werd niet langer omgekeken. Micha had er soms slapeloze nachten van. Micha is dus de profeet van de boeren, die stelling neemt tegen de mensen met het grote geld. Een maatschappijcriticus die kapitaalkrachtige mensen stevig toespreekt. Geen gemakkelijke positie aangezien zijn opponenten politiek machtig en bovendien theologisch goed onderlegd waren. Zijn tegenstanders zijn geen onorthodoxe mensen, zij hebben gevoel voor religieuze waarheid. Het is met name de wijze waarop zij omgaan met de religieuze erfenis van Israël die hen van Micha scheidt. Zij wisten de godsdienst naar hun hand te zetten, gaven daar invulling aan op een manier die ten allen tijde uitviel in hun eigen voordeel, ook als dat ten koste ging van anderen. Zij gebruikten bijvoorbeeld religieuze teksten heel selectief om immorele praktijken toe te dekken. Micha een doorn in het oog.

Wat Micha doet, is deze mensen herinneren aan de verhoudingen van voor de lancering van het economische denken. Toen was de rijke nog primair een gelovige, een mens die het niet in haar of zijn hoofd haalde het huis van haar of zijn medemens af te stropen, de ander het vlees van de botten te halen, haar te villen, hem zijn botten te breken. Micha’s doel is dat de boeren hun onteigende land weer terugkrijgen. Om dat doel te bereiken, luidt hij een heilzame tijd in, zeg een tijd voor een samenleving om te herstellen van verstoorde structuren. Die herstelperiode moest vooral begeleid worden door twee daartoe opgeleide, vakbekwame figuren: de zielzorger en de bestuurskundige. Samen representeren zij Micha’s messiaanse verwachting. Micha wil een nieuwe start maken en wijst Bethlehem aan als de geboorteplaats van dit veelbelovende duo. Dat hij Bethlehem uitkiest als de plaats to be is niet zonder reden. Bethlehem is een onbelangrijke stad, nauwelijks terug te vinden op de kaart, geen mens had er van gehoord. “Bethlehem? Waar ligt dat?”

Bethlehem was een nederig stadje zonder historie, waar Gods stadsplan verwerkelijkt werd. Hier moest je gaan wonen als je wilde meemaken hoe als uit het niets een stad met een ziel werd geboren, doordat haar burgers putten uit een inspiratiebron die het komende betrof. De toekomst was hun rijk.

We zoomen nu in op de figuur van de profeet om zijn respons beter te begrijpen. In tal van beroepen, denk aan een advocaat, dragen zij die een ambt uitoefenen een gewaad om zich te distantiëren van de eigen subjectiviteit. Men is aanspreekbaar op de uitoefening van de functie en niet op de persoon. Voor Micha geldt iets anders. Hoe zou hij anderen kunnen passioneren als hij daar zelf onaangeraakt door bleef? De profeet moet niet beschouwd worden als een ambassadeur, die onverstoorbaar blijft om effectief te werk te kunnen gaan. Bij hem vallen persoon en professie samen. Profetische inspiratie is geen neutrale, passieve act. Micha’s boodschap aan vermogende mensen in zijn tijd is geen onpersoonlijke reproductie van een sociaalkritisch geluid. Micha is geen huurling die zijn plicht doet in naam van God, een spreekbuis die als een papegaai de woorden van een ander herhaalt. Hij is emotioneel en religieus betrokken bij wie onderdrukt worden en ervaart de intimiteit met God als een overweldigende impact, waarvan het pathos doordringt in zijn hart en geest.

Micha is een eenzame man. Levend op de hoogste top heeft hij geen ander gezelschap dan God. Zijn standaarden zijn te hoog, zijn statuur te groot en zijn zorg te intens om te delen met andere mensen, maar toch deelt hij.

Micha kijkt naar zijn omgeving met een religieuze blik, zijn ervaringen zijn religieus van aard; zij vormen zijn persoonlijkheid ten diepste. Hij staat voor de taak de betrokkenheid van dat woord van God aan te kondigen, over te dragen en mee te delen, of hij het leuk vindt of niet. Als lezeres of lezer doe je er goed aan dat woord met evenveel pathos te lezen als Micha het schrijft. Micha’s woord is vurig en gloeit na. Zijn sympathie voor ‘de boerenkwestie’ is een respons voor een gevoeligheid die hemzelf overstijgt. Micha wordt niet aangetrokken tot een goddelijk wezen, maar is betrokken bij de onderdrukte agrariër in de samenleving waarin hij optreedt. De emotionele ervaring van Micha wordt op die manier het brandpunt voor de wijze waarop hij God begrijpt. Hij spreekt dus niet vanuit het recht, maar vanuit zijn emotionele ervaring in naam van God.

Lucas heeft met Micha gemeen dat ook hij in zijn ‘artsenpraktijk’ persoon en wetenschap op elkaar betrok. Zijn klinische interventies gingen vergezeld van empathie. Zijn codex medicus bevat tegelijkertijd een evangelie dat een profetisch karakter heeft in de zin dat het niet voorschreef, maar voorzag en aanzei. Sloeg je er in zijn handboek een pagina op na over een ziektebeeld of fenomeen zoals ‘kinderloosheid’, dan beschreef Lucas niet enkel symptomen, kenmerken, oorzaken, diagnostiek, preventie en prognoses, maar vertelde je een verhaal waarin hij observaties, ervaringen en emoties meenam.

Omwonenden en verwanten hadden zich verheugd over een dame op leeftijd in zijn praktijk wier kinderwens, onverwacht, toch nog in vervulling ging. Lucas gaf raad vanuit hoofd en hart. De inwoners van het bergland in Judea, waar Lucas zijn praktijk had gevestigd, zullen na zijn komst hebben geweten wat heil betekent. Hij verbond wat mank ging, hielp bij bevallingen, gebroken mensen sprak hij genezend toe, hij legde huisbezoeken af, trok rond en bevrijdde geïsoleerde mensen uit oorden van eenzaamheid. De mensen in dat dorp ervoeren alsof een gezant, Gods dageraad, hen bezocht om hen uit de duisternis en schaduw van de dood weg te halen en hun leven op te richten. Menig ziel werd sterk in de geest, vol verwachting klopte ieders hart, de heerlijke avond waar Micha al van droomde was gekomen.

Het voortbestaan van een slecht bereikbaar bergdorp was met een kleine geboortegolf gezekerd, de infrastructuur werd onder Lucas’ bestuur verbeterd, de gezondheidszorg kreeg een kwaliteitsstandaard, de werkgelegenheid nam toe, dorpelingen gingen betrekkingen aan en sloten vredesonderhandelingen met vertegenwoordigers van omliggende plaatsen. De sjaloom waaide door de bomen, oudsten van het dorp verzamelden zich eens in de zoveel tijd rondom de misjpat. Wie de gezonde lucht in Lucas’ bergen inademde, deed nieuwe energie op. Dit wilde het zeggen te leven als vrije mensen, God te dienen in vroomheid en elkaar in gerechtigheid.

Amen

Het Kruispunt Voorschoten, 16 april 2017

Preek naar aanleiding van Psalm 119:9-16 uit 150 psalmen vrij (vert. Huub Oosterhuis) en Marcus 5:22-43 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus (vert. dr. Marie H. van der Zeyde) voor de viering van Pasen op zondag 16 april 2017 om 10.00 uur in Het Kruispunt van de Protestantse gemeente te Voorschoten

Gemeente,

De psalmist in de lange wijsheidspsalm 119 maakt gebruik van herhaling en het is de monotonie die eruit volgt waardoor de lezer(es) die de psalm reciteert het eigen leven erdoor kan verdiepen. In een vertrouwd basispatroon leer je nieuwe aspecten van eenzelfde ‘wereld’ te ontdekken. De psalmist heeft een parcours uitgetekend, zet een paar lijnen uit om je als lezer(es) een grondstructuur te geven. Daarbinnen krijg je de vrijheid het avontuur te zoeken, opgravingen te doen en je eigen leven meer perspectief te geven.

Het met regelmaat lezen van Psalm 119 is te vergelijken met hetzelfde rondje hardlopen waarin je zo gewend bent geraakt aan de route dat je de tijd hebt te mediteren en te observeren, of met een stuk tekst dat je zo dierbaar is dat je het by heart kent en er los van de context je eigen interpretatie van kunt geven. Kortom, als je het stadium van ‘beginner’ bent ontstegen kun je je aandacht verplaatsen naar ‘andere zaken’.

We lopen nu een paar ‘technische’ kanten van de psalm langs om te begrijpen hoe dit loflied is opgebouwd. Wie de elementen van de psalm krijgt aangereikt, ze herkent en weet toe te passen heeft voldoende kennis verder in de psalm eigen wegen te gaan.

Psalm 119 is een poëtisch gebed dat binnen het vroege jodendom een heel meditatieve functie had. Joodse godsdienstige mensen leerden de psalmen uit het hoofd en droegen die in allerlei verbanden voor. De psalm leest in z’n geheel als een acrostichon, dat wil zeggen dat elk couplet begint met een letter uit het Hebreeuwse alfabet. De verssectie negen tot zestien begint met de tweede Hebreeuwse letter Beth. De beth wil bijsturen, kleine correcties aanbrengen. Psalm 119 is bij de poëtische geschriften ingedeeld en maakt binnen de poëtische geschriften deel uit van een wijsheidstraditie. De term ‘wijsheid’ verwijst niet naar academische filosofie zoals je dat vandaag de dag als geesteswetenschap aan de universiteit kunt studeren. Zoals er nu een levensbeschouwelijke doelgroep bestaat van zinzoekers, spirituelen en mensen die belangstelling hebben voor levenskunst, zo formuleert de psalmist een ‘joodse levenskunst’ voor de ballingen. Elk couplet uit Psalm 119 bevat een term waarmee ‘gelovige levenskunst’ wordt beschreven en die de psalmist in het geheel ‘het woord van God’ zal noemen.

De psalmist richt zich in vers negen tot zestien in het bijzonder tot de jongere die in een veelvormige wereld leeft, nog geen geschiedenis heeft opgebouwd en van wie de identiteit nog vele kanten op kan. De joodse jongere die op vreemde bodem vertoeft, is de adressant van onze psalm. De jongere is op zoek naar ‘bronnen van het zelf’, heeft vragen over herkomst, is uit op levensrichting en experimenteert om zichzelf te worden. Als je de psalm woord voor woord herleest, zul je zien dat de psalmist ‘de verstrooide jongere’ in de psalm een thuis geeft. De psalmist heeft zijn lied zo geconstrueerd dat het onder begeleiding van een snaarinstrument als een poëtisch gebed in de privéruimte te gebruiken is. In het rijmen van gedachten hanteert hij een poëtisch stijlmiddel die de jongere uitnodigt meerstemmig waar te nemen. De psalmist spoort de zoekende jongere aan te mediteren. Is hij aan het einde gekomen? Dan verwijst de spiraalvorm weer terug naar het begin. In het maken van die cirkelbewegingen ontsluiten zich niet eerder opgedane inzichten. De herhaling zorgt voor focus die ertoe kan leiden dat de lezer(es) of zanger(es) zo in de tekst of melodie verdiept raakt dat het een vernieuwing van het eigen denken tot gevolg heeft en je als herboren uit de psalm stapt.

In de verwantschap van de verzen ontspint zich een patroon van ‘hoor en wederhoor’, er ontstaat een bepaald proces waarin de verzen wederzijds op elkaar ingaan. Het is een mengvorm die het spiegelbeeld vormt van het menselijk leven zelf met haar grondlijnen en onverwachte wendingen. De psalmist heeft via zijn psalm getoond dat hij mee kan komen in het New York van de joodse jongere. En als de beweging van het pluriforme menselijke leven de jongere teveel wordt, dan loodst de psalmist haar of hem naar de prikkelarme, rustgevende omgeving van de eentonige lof aan een monotheïstische God. De psalm lijkt op een mantra.

De pastorale zorg van de psalmist reikt verder dan de leefwereld van jongeren, want telkens wanneer een mens haar of zijn geloof in zichzelf, God, medemens en wereld begint te verliezen, klaagt en smeekt, dan zet de psalmist in met lof en dank. Zinkt de moed je in de schoenen? Hoort hij een ‘valse noot’? Dan deelt hij complimentjes uit om je vertrouwen weer op te vijzelen. Psalm 119 vers negen tot zestien vormen dus niet enkel verhelderende en elegante verzen, het zijn pastoraal gezien uitstekende verzen!

Marcus vijf vers tweeëntwintig tot drieënveertig leest als de opeenvolging van twee opstandingsverhalen. In deze verhalen heeft de term ‘opstanding’ niet de betekenis dat een mens die in de bij ons gangbare betekenis is gestorven uit de dood herrijst of een patiënt die ‘klinisch dood’ is weer waarneembare tekenen van leven vertoont. De thematiek die Marcus via deze ‘spiegelverhalen’ wil aankaarten, is dat gemeenteleden begrippen die betrekking hebben op de menselijke geest ook als zodanig mogen gebruiken.

Marcus kwam in zijn gemeente mensen tegen die geestelijke begrippen letterlijk opvatten waardoor er begripsverwarring en discussies ontstonden waarin hij verheldering gaat scheppen. De term ‘opstanding’ heeft in het verhaal over de twaalfjarige Talitha de betekenis bevrijd te worden van fysieke, sociale en emotionele repressie.

In het eerste opstandingsverhaal gaat Marcus het opnemen voor de puber in zijn gemeente. Hij heeft gezien dat menig puber vrijheid nodig heeft haar of zijn eigen gang te gaan, maar die ruimte in de thuissituatie vaak niet krijgt. Talitha, de jonge, naamloze vrouw die wordt gepresenteerd als ‘het dochtertje van Jaïrus’ is twaalf jaar. Op die leeftijd zijn veel jongeren met het eigen lichaam, relaties, identiteit en levenskeuzes bezig. Er gebeurt nogal wat met het lijf als een jongere de overstap maakt van basisschool naar brugklas.

Lichamelijke veranderingen vormen een puber richting volwassenheid en ook deze jonge vrouw beseft dat ze geen kind meer is. De vader van Talitha is hoofd van de synagoge. Hij is de bestuurder van de joodse gemeenschap, een leidinggevende die beslissingen neemt in besluitvorming over beleid, verantwoordelijkheden op zich neemt en evenementen organiseert. Wellicht heeft hij de ontwikkelingen die Talitha innerlijk en uiterlijk doormaakte niet op de voet gevolgd. Hij noemt haar nog altijd liefkozend met een verkleinwoord ‘mijn dochtertje’. Maar deze jonge vrouw wier anatomie een groeispurt heeft gemaakt, die biologische rijpingsprocessen ondergaat en wellicht net haar eerste menstruatie heeft gehad, voelt zich allang geen dochtertje meer en is meer dan ‘een domineesdochter’. Ze maakt een periode door waarin ze zich van haar ouders gaat losmaken.

Als ik inzichten uit de psychoanalyse mag geloven dan kost het een meisje doorgaans twee keer zoveel moeite te slagen in die onthechting als een jongen. Om zich te kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig persoon die voor zichzelf leert spreken en wier identiteit niet wordt bepaald door de sociale relaties waarin ze is geboren, is voor Talitha van belang dat ze bij haar voornaam wordt aangesproken. Ze zou graag zien dat haar vader haar voor vol aanzag en verlangt ernaar dat hij haar serieus neemt. Dat doet hij niet door haar als een kleuter te behandelen en in de huiselijke sfeer vooral gesprekken over werkgerelateerde zaken te voeren. Jaïrus is hoofd van het joodse gebedshuis terwijl deze puberende vrouw naar ruimte zoekt voor haar gevoelswereld. Om aandacht te vragen voor haar leefwereld en haar fysieke gestel waarbinnen zich van alles afspeelt, is ze een hongerstaking begonnen.

De pubertijd is voor jonge vrouwen een periode van overgangen waaraan je binnen de pastorale sfeer aandacht kunt besteden door ze te markeren met seculiere of religieuze rituelen. Zo’n ritueel stelt de werkelijkheid die gaande is present en verleent structuur aan een tijd die mogelijk als verwarrend, emotioneel en overweldigend wordt ervaren. De periode waarin een mens seksueel volwassen en mondig wordt, kan ook uitmonden in het ontwikkelen van eetproblematiek. In ons opstandingsverhaal valt te denken aan anorexia nervosa: deze vrouw wordt door een patriarchale ouder in haar persoonlijke groei belemmerd en krijgt geen hap meer door haar keel.

Het is een strategie die een jonge vrouw kan aanwenden om lichamelijk gezien op een jongen te gaan lijken. Wie voor lange tijd geen suikers, eiwitten en vetten tot zich neemt, raakt niet alleen lichaamsgewicht kwijt, maar ook energie. Op den duur treedt haaruitval op, de glans verdwijnt uit iemands ogen, pupillen krijgen een doffe, wazige uitstraling, lichaamsrondingen krijgen geen vorm, je verliest je spraakvermogen, smaakzin en slaapt dagen achtereen. Die comateuze ‘toestand’ van schijndood is waar Marcus op doelt met het woord slaap.

Achter het hekwerk dat Talitha voor haar mond heeft geplaatst, staan die mensen in de gemeente die een zwijggebod is opgelegd en die de weeklagers ‘dood wensen’. De mensen die Talitha’s dood betreuren, zijn mensen die een ideologie in stand houden. Zij vertegenwoordigen de religieuze en politieke status quo die wordt ondermijnd zodra minderheden mondig worden en gaan spreken. Marcus neemt daar geen genoegen mee. Hun misbaar is voor hem een misplaatst gebaar en hij heeft Jezus als revolutionair nodig die situatie op te heffen.

In het tweede opstandingsverhaal thematiseert Marcus de emancipatie van de vrouw. In de joodse cultuur waarin Marcus schrijft, wordt bloed als een substantie beschouwd die een mens onrein maakt. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen lijdt, heeft om die reden geen toegang tot het joodse gebedshuis. Stadsbreed hebben ‘medegelovigen’ haar vanuit een smetvrees-optiek bejegend. Met wie je in aanraking kwam, daar werd je mee besmet en als gevolg van die zienswijze leeft deze vrouw in een sociaal isolement. Je kunt zeggen dat die zuiverheidscultus haar ziek en verbeten maakte. Het gedokter, bezoek aan specialisten, kuren, pillen en de kosten die ermee gepaard gingen, hebben haar uitgeput.

In die tijd bestonden er nog geen ziektekostenverzekeraars die haar consulten en ‘apotheken’ vergoedden. Lichamelijk en financieel was ze enorm verarmd. Zoals in onze tijd mensen soms naast of in plaats van de reguliere gezondheidszorg een beroep doen op alternatieve geneeswijzen, zo oefent Jezus van Nazareth als representant van de geestelijke verzorging een bijzondere aantrekkingskracht op haar uit. Die geest denkt niet in termen van rein en onrein, overstijgt psychologische categorieën en is erop uit de mens op te richten tot een leefwereld waarin zij vrij kunnen denken, spreken en zich bewegen. Hij is ‘de trekpleister’ in de omgeving van wie ook zij hoge verwachtingen heeft. Ze heeft nog weinig te verliezen, het is nu of nooit! Dat ze hem ‘aan zijn jasje trekt’ is cultureel gezien grensoverschrijdend gedrag omdat ‘een onreine’ geacht werd de handen thuis te houden. “Raak me niet aan!” is een uitspraak die ze in de afgelopen twaalf jaren vaak te horen kreeg.

Met het oog op haar heil, dat wil zeggen dat wat haar goed doet, zijn niet de culturele codes normerend, maar het object van haar geloof dat is genezing van het juk dat door de denkwijze van Marcus’ samenleving in stand wordt gehouden. Voor Marcus hangt evangelie nauw samen met grensoverschrijding, het openbreken van begrippenparen en structuren die voor individuen onderdrukkend en levensverstikkend werken. Tegenover het medisch establishment laat Marcus een timmerman uit Nazareth komen, iemand die hout bewerkt omdat Marcus in zijn gemeente gevallen kent die voor de medische wetenschap ongeneeslijk zijn, maar waarvan hij weet dat ze met eenvoud en basale menselijke warmte in de vorm van een aanraking geholpen zijn.

Amen

Molentocht Purmerend, 28 januari 2017

Preek naar aanleiding van Lucas 17:11-19 uit de Bijbel in Gewone Taal voor de gebedsviering op zaterdag 28 januari 2017 om 10.15 uur in Molentocht te Purmerend

Gemeente,

Wanneer in de verhalen van het Oude Testament of de parabels, de gelijkenissen van het Nieuwe Testament een bijzonderheid wordt aangekondigd, dan doet de verteller dat vaak met de woorden: en het gebeurde. Als u dat anekdotische element leest, dan mag u gelijk gealarmeerd op het puntje van uw stoel gaan zitten, want u weet: er gaat wat gebeuren!

Zo ook in deze korte vertelling van Lucas. Lucas oefent het beroep van medicus uit en het hoeft ons dus niet te verbazen dat hij een groep patiënten uit zijn ‘huisartsenpraktijk’ een belangrijke rol toebedeelt. Jezus reist naar Jeruzalem, letterlijk ‘stad van vrede’. Jeruzalem, u hoort er het Hebreeuwse woord shalom en het Arabische woord salam in terug. De gang die Jezus maakt zou, als de naam de plaats eer aan zou doen, uitmondden in een bestemming waar geen conflicten heersen, een oord waar het goed, hemels toeven is, een plek waar iets in vervulling gaat. Hij doet dat door een grensgebied te doortrekken. Jezus gaat midden door een gebied waar veel Joden in die tijd, die het contact met Samaritanen het liefst willen vermijden, als het even kan een omweg zouden maken. Je kunt ook zeggen dat Lucas, die zich vaak beroept op een bron waarvan de auteur veel belangstelling had voor topografie, in plaats van het ‘binnendoor’ heel precies de reisroute wil aangeven en daar een heel exacte formulering voor gebruikt. Voor Lucas is Jezus iemand die grenzen doorbreekt.

“En toen hij een dorp inging” staat er dan in een typisch Lucas-zinnetje. Daarin speelt de thematiek van de grensovergang weer een prominente rol. Niet voor niets blijven de besmettelijke melaatsen, die zich buiten het dorp bevinden, op een afstand staan. U kunt melaatsen qua maatschappelijke status goed vergelijken met de untouchables, ‘de onaanraakbaren’ in het Indiase kastensysteem die dagelijks schoonmaakwerkzaamheden verrichten en omdat zij vieze handen maken uit de buurt worden gehouden van de ‘smetteloze’ elite. In dit verhaal zijn paria’s de lepralijders die in Israël als onrein werden beschouwd en zich tot een priester konden wenden om zich te laten diagnosticeren.

We kunnen ons afvragen of Lucas zich heeft laten inspireren door het verhaal van de Aramese legeroverste Naäman die eveneens aan huidvraat of misschien wel psoriasis of huidkanker leed en door de profeet Elisa werd genezen.

Hoe dan ook, de priester fungeert als een figuur die de scheidslijn tussen de gemeenschap van gezonde mensen en de zieken die daarvan buitengesloten zijn op rituele wijze markeert. En ook met deze door een club van fitte, uitgebalanceerde mensen voorgeschreven norm, die uitmaakt wie wel en wie niet tot een samenleving behoren, heeft Lucas een appeltje te schillen. Hij weet als arts die dagelijks geconfronteerd wordt met lichamelijke manco’s als geen ander dat de praktijk er anders uitziet dan een ideaalbeeld. En een ieder die op een afstand staat, die er eigenlijk uitligt, is genoodzaakt hard te schreeuwen als er iemand op haar of zijn weg komt van wie zij of hij vermoedt dat deze persoon haar of hem bijbels gezegd ‘heil’, of onbijbels gesproken ‘geluk’, ‘voorspoed’ kan bieden.

Deze outsiders proberen Jezus’ aandacht te trekken en geven hem een eretitel mee: Meester, baas of chef, jij die over kennis beschikt die wij niet hebben, bekommer je om ons, heb medelijden, wees mild, welwillend, heb clementie. ‘Laat je gevoel spreken’ zouden wij anno nu zeggen.

Nou, wat dunkt u? Jezus zal toch wel bereid zijn naar deze mensen te luisteren en ze een recept voor te schrijven? Maar wat blijkt? De leprozen zijn bij Jezus niet aan het juiste adres. Jezus mag dan in de ogen van Lucas een ruimhartige Jood zijn, hij heeft geen geneeskunde gestudeerd en is ook geen ingewijde die op een vaste standplaats, in een tempel religieuze handelingen verricht. Wil een Israëliet werkelijk van zijn kwalen genezen dan dient hij zich, zoals we al in het boek Leviticus vernemen, te reinigen of zoals de evangelist Lucas het naar de kunst van de Grieken noemt ‘helen’. En dus dienen deze lepralijders hun gezicht aan de priester te laten zien. Als geestelijke zal hij de oorzaak van hun problemen achterhalen en hen beter maken. Toch?

En dan voltrekt zich een proces waar de bijbel bol van staat. Een mens volgt goede raad op en warempel, haar of zijn wens gaat in vervulling. Een beetje psycholoog zou zeggen: aha, het placebo-effect! De zieke heeft nog niet een bezoek gebracht aan een specialist – in dit geval een dermatoloog –, maar enkel de suggestie, het geloof dat een gang naar de dokter of de inname van een pilletje werkt, sorteert een gunstig effect op het eigen welbevinden.

Nu zijn we aanbeland bij de twee kernverzen die ons op deze ochtend tot opbouw mogen zijn. Er is er een, de enkeling, die de moed heeft zich los te maken van de groep, die op zijn schreden terugkeert, omkeert, zich be-keert en zijn dankbaarheid uitdrukt. En – en hier begeeft Lucas zich op glad ijs – deze eenling heeft de Samaritaanse identiteit, het is een buitenlander. Lucas was kennelijk goed op de hoogte van ‘het vreemdelingenvraagstuk’ en doet al schrijvend een voorstel om zijn steentje bij te dragen aan het integratiebeleid. Hij ontwikkelt namelijk de in die tijd gewaagde these dat Gods aanbod alle naties geldt en niet slechts een selecte, voorbeeldige, uitverkoren groep mensen.

De ruimte van God wordt niet enkel bevolkt door blanke, van gezondheid blakende, PKN-georiënteerde Nederlanders, maar ook door seculiere, sport-minded Noord-Europeanen, islamitische Arabieren die grieperig de moskee bezoeken, aan obesitas-lijdende Amerikanen en aan aids lijdende Afrikanen, om maar een paar stereotype voorbeelden de revue te laten passeren.

Het is dus uitgerekend de, in de ogen van de lezers die Lucas op het oog heeft, ‘heiden’ die zijn waardering en erkenning betoont, waarmee Lucas te verstaan wil geven dat deze enkele ziel zo ‘heidens’ helemaal niet was. We zien het vaker gebeuren, bij Zacheüs en de vrouw met de albasten kruik gevuld met mirre, om twee voorbeelden te noemen, dat het authentieke individu ten voorbeeld wordt gesteld aan een groep mensen.

Het kan moeilijk zijn je los te maken uit een collectief, een geheel waarin bepaalde gedragspatronen de morele code bepalen. Toch is dit waar Lucas toe oproept: de eigen verantwoordelijkheid te nemen, ere te geven aan een mens die ere toekomt, die persoon te bedanken aan wie je een dankwoord verschuldigd bent. En als het even kan, niet mondjesmaat, ingehouden, gereserveerd of zuinigjes, maar als deze man die van zijn, ook aan zijn psyche en maatschappelijke positie vretende, huidziekte genezen is: vreugdevol, uitgelaten, jubelend, ‘door het dolle heen’, zich overgevend aan zijn ontstellende blijde gemoed.

Een persoon met een meer flegmatisch, gelijkmatig, kalm temperament zou kunnen opmerken: Lucas, overdrijf je niet een beetje, hoe theatraal, wat een dramatiek: “(…) hij viel op zijn gezicht voor zijn voeten om hem te bedanken.” Kan het een onsje minder? Nou, nee. Nooit geen dankjewel meer zeggen, en dit niet ook uitdrukken in een krachtig gebaar, nee, dank-je-wel. Ik las onlangs een zinnetje aan het slot van een rede dat me in dit verband is bijgebleven: “Vaak beseft men niet half wat men aan anderen te danken heeft.” Diezelfde rede kan ook afsluiten met de woorden: de religieus gelovige beseft niet half, wat zij of hij aan God te danken heeft. De Samaritaan, de zogenaamde heiden boordevol geloof, hij beseft heel goed wat hij aan een ander te danken heeft en houdt niets achter om tegen Jezus op aarde en God in de hemel te zeggen: Dankjewel.

Wat rest zijn dan nog een paar retorische vragen die Lucas Jezus in de mond legt. “Zijn niet tien gereinigd geworden? Waar zijn de negen? Waren er geen gevonden om terug te keren, God de eer te geven dan deze buitenlander? En u, hoe kunt u op deze ochtend uw dankbaarheid uitdrukken?

In het slotakkoord klinken de vrijsprekende woorden van de opstanding, de aansporing een nieuw leven te beginnen, een leven dat zich kenmerkt door van lepra bevrijde, hervonden vrijheid. “En hij zei tot hem: ‘Sta op, ga heen; jouw geloof heeft je genezen.’” Lucas raakt het thema nog een keer aan, het vertrouwen of het niet afschilferende, maar rijpe geloof, het lef de stoute schoenen aan te trekken en uit volle borst te zeggen: dankjewel.

Amen