Zondag 16 januari 2022, Christus Triumfatorkerk Den Haag, zondag 30 januari 2022, Open Pastoraat Gorinchem & zondag 6 februari 2022, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop

Preek naar aanleiding van 2 Kronieken 36:14-23 en Lucas 15:11-32 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 16 januari 2022 om 10.00 uur in de Christus Triumfatorkerk te Den Haag, op zondag 30 januari 2022 om 9.00 uur in de Johanneskerk van het Open Pastoraat Gorinchem en op zondag 6 februari 2022 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop

Gemeente,

Aan menig dorp of plaats is een historische vereniging of stichting verbonden. Zo ook aan Nieuwkoop. Het Historisch Genootschap Nieuwkoop, dat in 1987 werd opgericht, stelt zich ten doel belangstelling voor de geschiedenis van de drie kernen van de gemeente Nieuwkoop, dat zijn Nieuwkoop, Noorden en Woerdense Verlaat, te bevorderen. Het genootschap probeert dat doel te bereiken door historisch-culturele voorwerpen en documenten tentoon te stellen, alsook karakteristieke gebouwen, monumenten en dorpsgezichten te behouden. In het boek 2 Kronieken, dat we wel als het verslag van ‘het historisch genootschap’ van het Oude Testament kunnen zien, gebeurt iets vergelijkbaars.

Het boek 2 Kronieken is een chronologisch geordend verslag waarin tal van belangrijke feiten worden opgesomd. We kunnen 2 Kronieken lezen als een verzameling van tabellen waarmee de kroniekschrijver een verband wil leggen tussen de tijdrekening van de geschiedenis van de hoop van Israël en de historische context. Het was voor de kroniekschrijver nodig temidden van het woeden der gehele wereld een spoor te traceren van geestelijk welzijn. Voor een astronoom is dat een ster in lichte luister die ons als een vurig verschiet tegenstraalt. Voor de Aziatische dichter die naar het uiterste zuiden is afgereisd om de zon te zien opkomen en in lotushouding te aanbidden, is het een nieuw lied dat opdaagt, terwijl de nacht nog huivert. Voor de kroniekschrijver is het een lijst waarin gegevens chronologisch zijn gerangschikt, omdat hij op die manier overzicht kan aanbrengen. Tal van gewelddadige gebeurtenissen deden zich in de leefomgeving van de kroniekschrijver voor en hij kon er kop noch staart aan vinden.

De dood van een koning, een groep Joodse mensen die in ballingschap verkeerde, de verwoesting van de tempel in Jeruzalem, de gevangenneming van een koning; het waren gebeurtenissen die in een kort tijdsbestek werden voltrokken. Dat deze gebeurtenissen door mensen in gang werden gezet, was voor de kroniekschrijver duidelijk. Hij was er dagelijks getuige van en kon ze per geval beschrijven. Maar om te begrijpen hoe deze geweldsdaden ontstonden, en welk perspectief hij zijn lezeressen en lezers in het vooruitzicht zou stellen, daarvoor diende hij brute kracht en boze handelingen van een afstand te bekijken. Hij kon er niet middenin gaan zitten, er deel van uitmaken, maar had voor een begrip van zijn tijd nodig er als het ware naast te gaan staan.

We kunnen de keuze van de kroniekschrijver om niet actief op te treden tegen de gewelddadigheid waarvan hij getuige was, uitleggen aan de hand van het taoïstische begrip wu wei. Wu wei betekent ‘de natuur z’n gang laten gaan’. Een persoon die het wu wei-principe hanteert, maakt een inschatting van waar wel en waar niet op in te gaan. Wu wei is geen weigering je te engageren wanneer iemand bijvoorbeeld in nood verkeert. Het vormt eerder een besluit om je ergens niet mee in te laten waarvan je kunt inschatten dat het onveranderlijk is. 

De kroniekschrijver geeft de gebeurtenissen niet heel sec weer, maar maakt er een samenhangend verhaal van door zijn verhaal sterk religieus-literair neer te zetten. Met behulp van dat religieus-literaire karakter, dat we kunnen zien als een zingevingstaal, schept de kronist samenhangen die in een strikt historische beschrijving onderbelicht blijven. We zouden zijn kroniek kunnen lezen als een handboek in de Joodse religiegeschiedenis. En de kronist doet in zijn kroniek een belangrijke stap ten opzichte van de klassieke oudheid: hij ziet de gebeurtenissen in zijn tijd niet in het licht van een tragiek. Hij neemt afscheid van het idee dat gebeurtenissen tragisch, onontkoombaar zijn, omdat hij niet gelooft in het lot. De gedachte dat een hoofdpersoon ten onder gaat aan haar of zijn verzet tegen ‘een hogere macht’ of waarin deze voor een dilemma wordt geplaatst, gaat voor de kronist niet op.

In het wereldbeeld van de kronist vinden gebeurtenissen niet plaats volgens een gefixeerde afwikkeling, waar je als mens geen invloed op kunt uitoefenen, en waar je in zou moeten berusten. Voor de kronist is er geen ‘loop der dingen’, ‘de gang van de geschiedenis’ of ‘het heeft zo moeten zijn’. Iedere vorm van ‘voorbeschikking’ of determinatie is hem vreemd. De kronist is een kronist, geen tragedieschrijver en dus zal ook zijn afsluitende hoofdstuk geen droevig slot kennen. Al wordt er een tempel met de grond gelijkgemaakt, hij staat erop dat er een nieuw gebouw zal worden opgetrokken. De ballingschap? Die interpreteert hij als een puritein avant la lettre als de vervulling van de profetieën van Jeremia. Een vernietigde metropool? Die is te herbouwen. De gedeporteerde koning? Om zijn terugkeer en die van de Joden uit het strafkamp te garanderen, bewerkt de kronist, als was hij lid van een historische vereniging, een citaat uit een edict. Geschiedenis, getuige het optreden van de kronist, is een creatieve bezigheid: ze staat niet vast, je kunt haar sturen en scheppen. In die overtuiging kan de kronist zaken makkelijk omdraaien: hij eindigt zijn verslag met een triomfkreet waarin hij het aantreden van een heidense koning als een groot succes beschouwt voor de wederopbouw van een cultuur, de bevrijding van klein gehouden mensen en het schetsen van een toekomstperspectief dat gekenmerkt wordt door peis en vree.

Zowel 2 Kronieken zesendertig vers veertien tot drieëntwintig als Lucas vijftien vers elf tot tweeëndertig zijn in de eerste plaats verliesverhalen. De kronist zoekt naar een omgang met de terreur van zijn tijd en de evangelist schetst een parabel waarin dood en neergang worden uitgebeeld. De Odyssee van de jongste zoon leidt niet tot het ontwikkelen van een volwassen persoonlijkheid. De jonge mens die verlangt naar een zelfstandig bestaan en iets van de wijde wereld wil zien, groeit, ondanks de avonturen die hij beleeft en waarvan we zouden verwachten dat ze zijn persoonlijkheid zouden rijpen, niet op. Hij lijdt identiteitsverlies, doordat hij zijn religieuze roots ontkent en ‘overal bij wil zijn’. In de parabel wordt dat identiteitsverlies geaccentueerd door de jongen varkens te laten hoeden; voor een jood een verschrikking.

De jongste zoon absorbeert het leven, benut elke mogelijkheid, experimenteert er op los en accepteert noch noodzaak noch beperking. De jongste zoon heet niet voor niets ‘de jongste zoon’. Hij wordt niet bij een voornaam genoemd, bezit nog geen eigen identiteit behalve één die relaties benoemt. Deze jongen is op zoek naar zichzelf, wil genieten, er het eens goed van nemen, totale bevrediging smaken.

Ver van huis hangt aan het snelle leven vaak een prijskaartje. Wanneer hij zijn erfenis opvraagt die het product is van investeren, rijpen en bewaren, begint de jongen te vroeg met de volwassenheid. De jongste zoon wil op eigen benen staan. Hij is geen vaderskindje, hangt niet aan moeders rokken. En met dat hij zichzelf te voorbarig losrukt van het ouderlijk huis, ontkent hij iedere verhouding tot mensen die hem in het leven hebben geroepen. In de religieuze visie van de auteur van het Lucasevangelie heeft een mens die zichzelf wil zijn het nodig iemand boven zich te erkennen. Voor een gelovige is God de hulp waarmee het zich kan verliezen met als doel zichzelf uiteindelijk te winnen. Meebewegen met een ‘kracht’ waartoe een mens in verhouding staat en die van invloed is op het vermogen een eigen identiteit te ontwikkelen. Niet tegen de aard van dingen ingaan die hun beloop hebben en onveranderlijk zijn, zou de Taoïst zeggen.

Het probleem dat in de tekst wordt aangekaart, is dat deze jongen zichzelf wil worden op basis van zijn eigen termen. Doordat hij geen perspectief accepteert dat hem wellicht iets te zeggen heeft en waarmee een grens aan hem wordt gesteld, ontwikkelt hij in plaats van een waarachtig zelf een fabelachtig zelf. Hij komt dan ook niet roemoverladen, gekleed in een hofgewaad met een promotie thuis, maar berooid, met niets. Hij is zowel zijn mondigheid kwijtgeraakt alsook zijn hele hebben en houden. Zijn kleding is tot op de draad versleten, het zelf dat hij wilde worden is ontbonden. En toch wordt naar christelijk getuigenis geloofd dat uitgerekend de situatie waarin er nog weinig van een mens over is, de toestand is waarin de ander ons moet vinden. In de lege-handen-conditie gaat God niet van ons heen, maar kan geestelijke zelfwording pas echt beginnen. Want wanneer een mens zichzelf eenmaal uit handen geeft aan degene die zij of hij niet kan zien, kan er een begin worden gemaakt met herschepping, zeg met de vorming van een religieus zelf. Soms is nodig dat een mens, vooral één die iemand wil worden, zich door een ander, zeg de hemel, laat helpen, om in harmonie te raken met zichzelf en de omgeving, een evenwicht te bereiken.

Het moment waarop iemand, uitgevochten en uitgeput, de eigen vertwijfelde zelfstandigheid opgeeft, de teugels van de, modern uitgedrukt, autonomie laat varen, is er religieus gezien sprake van bekering. Het markeren van dat keerpunt hoeft niet, zoals in de gelijkenis, met het opdreunen van een geijkt, verontschuldigend zinnetje. Het enige dat nodig is, is dat een mens die zichzelf wil zijn, de zorg en het meedenken van de ander kan toelaten. De act van die instemming belooft, gezien bekeringsverhalen, een groots avontuur.   

Amen                                       

Zondag 13 januari 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum & zondag 20 januari 2019, ‘Ontmoetingskerk’ Melissant

Preek naar aanleiding van Ezechiël 37:1-14 en Marcus 10:46-52 uit de Groene Bijbel voor de viering op zondag 13 januari 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum en voor de viering op zondag 20 januari 2019 om 09.30 uur in de Ontmoetingskerk te Melissant

Gemeente,

Het surrealisme was een antiburgerlijke kunststroming en een bewuste stoorzender. Het surrealisme had een programma en werd bijna een doctrine. Enkele voorbeelden van surrealistische kunstenaars zijn Max Ernst, Salvador Dalí , Frida Kahlo en Giorgio de Chirico.

Ezechiël is de grondlegger van het oudtestamentische surrealisme. Hij leeft in Babylonië, en Jeruzalem is het object van zijn orakels. Ezechiël is een man van extremen met een vurig, consciëntieus, subliem en vlegelachtig karakter. Hij wordt vooral aangetrokken door het barokke en schroomt niet hard en pessimistisch te oordelen over zijn tijdgenoten en hun verleden. Als hij weer tot bedaren is gekomen, zwakt hij zijn oordelen af door een boodschap, waarin hij met alle kwaliteiten van een visionaire poëet, heraut en apocalypticus vernieuwing aankondigt. Degenen onder u die in hun leven al de nodige vernieuwingen, en reorganisaties op het gebied van arbeid, verhuizingen in de privésfeer, hervormingen op religieus terrein en de implementatie van innovatieve ideeën en processen in de publieke sfeer hebben meegemaakt, zullen denkbaar een verzuchting slaken.

Ezechiël werd de leider en theoreticus van de surrealistische beweging in het Oude Testament. Hij was in zijn jonge jaren priester, trad uit die geestelijke orde, verloor zijn echtgenote en werd profeet toen het geloof van zijn gemeente in Jeruzalem zich op een dieptepunt bevond en het land een economische crisis doormaakte. God had zijn tempel verlaten, Mammon had de bank failliet verklaard. De orakels die in het boek Ezechiël staan en het visioen uit hoofdstuk zevenendertig vers een tot veertien vormen een surrealistisch ideologisch manifest tegen het verlies dat Ezechiël en zijn gemeenteleden op diverse fronten lijden. Het is van belang dat lijden te boven te komen en Ezechiël zag daartoe weinig heil in het hanteren van een gematigde stijl, maar wel in imaginaire literatuur met speciale visuele effecten. Voor zijn schildering gebruikt hij een overdadige woordkeur om de hartenklop van zijn lezer(es)s(en) te scanderen. Ezechiël streefde naar een mentaliteitsverandering die een cultuur van binnenuit moest hervormen. Lyriek, krachtige beeldtaal, mythologische motieven, bloemrijke detailbeschrijvingen, suggestie en absurditeiten, apotheoses, dramatiek, hij voert het allemaal op om ontzag in te boezemen en vertrouwen te wekken. Het doel heiligt de middelen.

Wanneer Ezechiël zijn verstand liet varen, niet langer gehoorzaamde aan de wetten van rationaliteit en logica en zijn superego een toontje lager liet zingen, dan waren dit de beelden, associaties en dromen die bij hem opkwamen. Van de grond af zouden die producten van het onbewuste het geloofsleven moeten kenteren.

Ezechiël richt zich in zijn beschouwing ook tot zijn collega’s, van wie hij hoopt dat zijn eloquente politieke betoog een emancipatie van auteurs en kunstenaars teweeg zal brengen. Door de psychische ervaring te exploreren en op te vatten als een openbaring, vermengt hij droom en realiteit tot een absolute realiteit van surrealisme. Het is de confrontatie met die onverwachte stijl en ongebruikelijke combinaties, waardoor Ezechiël het gebrek aan geloof bij zijn tijdgenoten verstoort en een nieuwe zin in de realiteit doet ontstaan. Een gelovige kan beweren dat Ezechiël zich bewust is van het aanbreken van een nieuw begrip van God. Die zal zich bekend maken zoals hij zich niet eerder heeft laten kennen.

Ezechiël zevenendertig vers een tot veertien is allereerst te lezen als een surrealistische leer die uitloopt op een eschatologische finale en achter de huidige negatieve ontwikkelingen een zin zoekt. De dorre beenderen zijn metaforen voor de vormen van ballingschap en crises die het volk Israël heeft meegemaakt. Voor Ezechiël veegt de beschrijving van de dorre beenderen de vloer aan met het geheel van de geschiedenis. Zij laten zien wat geschiedenis vanuit het heden eigenlijk is: steriel, statisch en betekenisloos. De ballingschap, era’s van geestelijke onvruchtbaarheid in mensenlevens, is geen eclips. Zij vormen niet perse kortdurende zonsverduisteringen, nachten van overgang voor het ochtendgloren. In dat geval zou de religie een sluier werpen over het naakte bestaan van de mens. Een optimistische interpretatie van de kloof ontkent dat mensen ongewild gebeurtenissen overkomen. Hier is de prognose van de profeet realistisch: de ballingschap is geen slaap, het is dood zonder uitzicht op morgen.

In de gebeurtenissen die Ezechiël aankondigt, speelt hij zelf een rol, hetzij door in actie te komen, hetzij door te lijden. Hij stemt niet in met de denkwijze dat de geschiedenis zich herhaalt. In dat geval zouden hij en zijn tijdgenoten deel uitmaken van een cyclische beweging, waarbij ijzeren tijden worden afgewisseld door gouden eeuwen. In een pre-apocalyptische geest zegt Ezechiël de geschiedenis het bankroet aan. Heilsgeschiedenis is pas irreëel! Hij verwacht geen balans van ‘goede tijden, slechte tijden’. Als er nu niet iemand met een visie opstaat, dan strandt de geschiedenis van een gemeente die al kreupel was in Egypte alsnog in Babylon.

Ezechiël presenteert aan ons dus ook het volk Israël in een nieuwe samenstelling. Wat uit elkaar gevallen is, gaat hij niet op de oude wijze weer samenvoegen. De visie van de profeet gaat over herschepping, en niet over een restauratie. In de dialoog die hij opzet, tilt hij zichzelf en de hoorder naar het niveau van geloof en vertrouwen. En zoals je tijdens het bekijken van een film weet dat de hoofdacteurs zullen overleven om het einde van de film te garanderen, zo zou God toch nog wel iets in petto hebben om te voorkomen dat de dood de ‘hoopvolle belofte’ van het leven is? Vandaar de inzet van een onmogelijkheid: dat die dorre beenderen allemaal tegelijk herleven. Alleen God kan de Gordiaanse knoop doorhakken en meester over de geschiedenis worden. De opstanding van de verslagen mens betekent een terugkeer uit de doodsvallei door de ruaḥ, de reuring van de geest, naar de locus van het land, het leven zelf.

Er is één voorbehoud. De dorre beenderen moeten er wel naar verlangen te leven en zij zullen zelf moeten werken aan het realiseren van hun levenswil. Dit is het punt waarop Ezechiël de wereld van de droom loslaat en inruilt voor hyperrealisme en een meer wetenschappelijke stijl. De participatie van mensen zelf is nodig om een rijke en stabiele cultuur tot stand te brengen. De doden moeten hun opstanding willen, zich openstellen voor de komst van de geest. De opstanding is niet een externe, goddelijke act onafhankelijk van het partnerschap van de mens. Enkel zij die weten hoe het is om door de dood heen te gaan, zullen ook weten wat het betekent op te staan.

Aan de steun voor de opstanding gaat een confessie vooraf: dat een mens bekent dat in de energieloze staat waarin zij of hij zich bevindt, verlamd, uiteengeslagen, troosteloos, versteend en doodgezwegen, kortom in uw Babylon, alle hoop verloren is en de mens volledig is afgesneden van de dynamiek van het menselijk leven. En dan komt er een profeet, eerst Ezechiël, later Jezus, en wie u het leven maar geven, die met hun geestkracht onze graven openbreken, ons voorgoed wekken, met hun gloed ons recht op onze voeten zetten, opdat wij vol van leven het morgenlicht zullen begroeten. Voor Ezechiël dient het verleden van ongeloof te worden afgesloten, zodat er een nieuwe economie op gang kan komen. Die nieuwe economie vertoont weinig overeenkomsten met de vorige economie, net zoals levende wezens niet op doden lijken. Nu weet iedere opstandeling dat God heer en meester over de geschiedenis is. Daar was het Ezechiël allemaal om te doen.

Amen

Zondag 10 juni 2018, Protestantse Gemeente Bolnes te Ridderkerk

Preek naar aanleiding van Ezechiël 17:22-24 en Marcus 4:26-34 uit de Groene Bijbel voor de viering op zondag 10 juni 2018 om 09.30 uur in de Protestantse Gemeente Bolnes te Ridderkerk

Gemeente,

Hoe Ezechiël schrijft, wordt bepaald door de manier waarop zijn ‘hoofd’ in elkaar zit. Wat we in Ezechiël zeventien vers tweeëntwintig tot vierentwintig lezen, geeft een inkijkje in de psychologie van Ezechiël over de manier waarop hij de wereld bekijkt. Wij als lezer(es)s(en) kijken naar hem door een sleutelgat. Hoe Ezechiëls godsdienstpsychologie eruitziet, gaan we in kaart brengen, om te begrijpen hoe hij tot zijn uitspraken komt.

Ezechiël is een profeet die in een ander type beschaving staat dan wij. Van allerlei scheidingen tussen diverse terreinen, zoals staat en religie, diverse wetenschappen en geavanceerde technologie zoals wij die kennen, kan Ezechiël zich niet bedienen. Hij is aangewezen op een veel directer en ‘onmiddellijker’ medium, waarmee hij zin verleent aan de historische en politieke gebeurtenissen van zijn tijd. Ezechiël leest in de politieke gebeurtenissen van zijn tijd een optreden van God. Hij zal proberen die politiek te beïnvloeden door het schrijven van brandbrieven en parabels, omdat het volgens hem tijd is voor politieke hervormingen of theologisch uitgedrukt ‘herschepping’.

Ezechiël baseert zijn programma op dromen, die reageren op een volksgeschiedenis die in zijn ogen corrupt is. Die geschiedenis kan hij zelf niet direct veranderen, ook niet door hem te herschrijven en historische gebeurtenissen wat anders te presenteren. U kunt dat zien aan de passieve taal die Ezechiël op dit punt hanteert. Hij is echter wel in staat met behulp van zijn visionaire ervaringen de gebeurtenissen naar een ideale toekomst te verleggen, en ze vanuit een theologisch perspectief te herlezen.

Wat je aan de tekst kunt ontlenen, is hoe Ezechiël in de rol van profeet tegen politieke samenhangen aankijkt en welke religieuze betekenis hij daaraan toekent. Als lezer(es) neem je kennis van zijn visie en ‘zingevingssysteem’. Hij laat je in zijn huid kruipen en daarin ligt, denk ik, de meerwaarde van de tekst.

Wat is de historisch-politieke aanleiding voor het schrijven van de parabel uit Ezechiël zeventien vers tweeëntwintig tot vierentwintig? Koning Jojakin die tijdens de ballingschap gevangen is genomen, is afgevoerd. Hij is de vernederde boom, waarvan Ezechiël hoopt dat hij verheven zal worden en zijn plaats weer zal innemen. De vervanger van Jojakin die zich met geweld een plaats heeft verworven aan de top van het koninklijk bedrijfsleven zal, zo voorspelt Ezechiël, opdrogen zoals de wijnstok die zijn wortels uitstrekt naar een andere bron, dan waaruit hij voor zijn groei put.

De nieuwe koning sloot een politiek verdrag en bezegelde die met een trouweed, waarbij hij de goden van de andere contractpartners aanriep. Hij deed niet enkel een beroep op zijn eigen religie als getuige voor het nakomen van de aangegane verplichting, ook ‘vreemde goden’ werden er bij betrokken. Dat botst met het monotheïstische geloof van Israëls vroomheid en is Ezechiël een doorn in het oog. In het oude Nabije Oosten was de koning verantwoordelijk voor de uitoefening van zijn ambt.

Ezechiël gelooft dat God de gever is van leven of liever, dat de mens die leeft haar of zijn leven aan God te danken heeft. Voor Ezechiël is God de bron waar een mens zich tot kan wenden als zij of hij, uitgeput en opgebrand, op zoek is naar nieuwe levenskracht. De tekst laat een politieke ontwikkeling zien die de religie raakt en waar Ezechiël vanuit een meer traditionele visie op reageert. De parabel is zijn manier van omgaan met een situatie waarin een nieuwe vorst, mogelijk vanuit diplomatie, ervoor kiest de goden van andere religies te respecteren. Dat gebaar naar andere levensbeschouwingen die de samenwerking tussen verschillende politieke partijen bevordert, leest Ezechiël als een contractbreuk met de God van de jood Adonai. De nieuwe vorst pleegt volgens hem meineed, ‘gaat vreemd’.

U kunt Ezechiël vergelijken met iemand die vandaag de dag het combineren van diverse elementen uit verschillende religies en levensstijlen negatief waardeert. De gelovige die al haar of zijn eieren niet in één mandje legt, wordt wel gezien als een syncretist. Die duiding echter vloeit voort uit de opvatting dat een mens aan één levensstijl inclusief religie gehouden zou zijn en dat in een combinatie sprake is van tegengestelde en onderling onverenigbare geloofsovertuigingen.

Wie oecumenisch en polytheïstisch naar hetzelfde fenomeen kijkt, zal met termen als ‘pluriformiteit’ of ‘ambiguïteit’ van het maken van religieuze combinaties een meer positieve waardering geven. De spanning die achter de tekst schuilgaat is dat de nieuwe koning de sferen van religie en politiek en de diversiteit binnen beide gebieden kan samenvoegen, terwijl Ezechiël veel verticaler over die verhouding denkt. Voor hem staat de joodse religie boven de politiek en bestrijkt een eigen, onafhankelijk terrein. Vanuit die hiërarchische indeling schrijft hij de parabel van de ceder, die een heilsorakel is. In de parabel, een gelijkenis zoals een parabel ook wel wordt genoemd, verwerkt Ezechiël een les die hij ontleent aan de actuele politieke situatie zoals Ezechiël die beschouwt. Die les bestaat eruit hoge bomen bij te snoeien en lage – lees onttroonde – bomen te laten opklimmen. Het is een profetisch leidmotief dat de plaats van de mens ten opzichte van God laat zien. Soms kom je dat profetische geluid nog wel eens tegen onder liedzangers of columnisten.

Een bezwaar dat je kunt hebben ten aanzien van Ezechiëls opzet is dat hij klaagt wat er ‘fout gaat’, omdat hij uitgaat van een ideale situatie. Hij gaat uit van hoe de verhouding tussen politiek en religie volgens hem behoort te zijn. De profeet is een hele normatieve figuur en kan profeet zijn bij de gratie van de wereld van het denkbeeldige, waarin zaken ideaal worden voorgesteld.

Bij de evangelist in Marcus vier vers zesentwintig tot vierendertig gebeurt er iets anders. Zo rap als de ethicus in de profeet laat zien wat er niet deugt, zo haast de evangelist zich om wat er niet goed gaat te bedekken en het liefdevol te omzwachtelen. Op die wijze belichaamt hij de hoge eisen van zijn evangelie. Voordat hij zijn evangelie neerschreef, had Marcus zich de vraag gesteld: hoe vertel ik mijn lezer(es)s(en) die al thuis zijn in de wereld van de religie dat ik goed nieuws heb ontvangen? Marcus kiest ervoor zijn goede nieuws door middel van gelijkenissen te vertellen. Het is zijn manier van lesgeven. Die gelijkenissen omvatten raadsels of spreuken.

De gelijkenis is dus een vorm van figuurlijk taalgebruik. Ze behelst een levendige vertelvorm en roept de betrokkenheid van de lezer(es) op doordat deze zich, al lezend, af gaat vragen welk ding waar voor staat. De gelijkenis is speels als een raadspelletje. In het proces van het raden wordt duidelijk dat voor iedere lezer(es) de gelijkenis andere betekenissen genereert. Door betekenis te verlenen aan de parabel van Marcus doet de lezer(es) zelfkennis op. Want de wijze waarop je als lezer(es) of hoorder betekenis geeft aan het gelezene of gehoorde hangt af van de unieke manier waarop je in elkaar zit. Allerlei betekenislagen die de lezer(es) opdelft, de details die je ziet en de thema’s die de lezer(es) naar voren brengt, zeggen iets over jou als mens. De gelijkenis functioneert op die wijze vooral als een spiegelverhaal. In je verhouding tot dat wat je leest, kom je tot zelfverstaan.

De parabel heeft echter ook zelf een inhoud te bieden, los van alle subjectieve lezingen van de lezer(es). Een kerngedachte waarin velen zich zullen herkennen. De eerste stap voor het verstaan van die boodschap is, voordat je de drempel van de gelijkenis betreedt, te luisteren en die luisterhouding vol te houden zolang de gelijkenis duurt.

Als Ezechiël is ook Marcus begaafd met ‘beelddenken’. Hij nodigt je uit zijn arena van imaginaire beelden binnen te lopen om op die wijze vertrouwd te raken met een vorm van geestelijk leven. Via het bekende reikt hij beelden aan, waarmee hij je uitnodigt een vraag of thema te overwegen op een manier waardoor nieuw inzicht ontstaat in jezelf en de onderhavige kwestie. Voor Marcus is die kwestie het volste vertrouwen dat hij heeft in de manifestatie van ‘de nieuwe liefde’ als uitgangspunt voor een vreedzame samenleving. Hij verbeeldt die overtuiging met het planten van een klein mosterdzaad dat zal resulteren in ‘groot groen’. Indirect vraagt hij je naar je eigen geloof, de mogelijkheden die je ziet voor je eigen groei en wat je voor zelfgroei nodig hebt.

Het beeld van de zaaier kan dienen voor ieder mens die met haar of zijn woorden het eigen leven ‘inricht’. Wie taal gebruikt, schept een sociale werkelijkheid. Het woord is als zaad dat je op het land van het eigen leven strooit. Met je taal, datgene wat je communiceert, laat je een mens in je leef- en denkwereld delen. Omdat de ander nooit helemaal toegankelijk is, weet je als spreker sporadisch hoe je eigen woorden bij de ander landen en wat zij oproepen, maar wel hoe het ‘aanslaat’ als er van de andere kant een reactie komt. Op het moment dat er sprake is van herkenning tussen geestverwanten – ‘chemie’ of een klik – dan gaat je huid tintelen, de poriën open en is het tijd om te oogsten, dat wil zeggen uit te wisselen en bij elkaar op verhaal te komen. In de bewerking van aarde op zaad, die staat voor de intermenselijke communicatie, vinden mensen elkaar, ongeacht aan welke grondbeginselen zij hangen. Dan is er de euforische sfeer, de positieve stemming, reden tot ‘feest’, want in dat verband wordt een mens levensrijp. Het is het moment van overvloed, waarin mensen ogenblikken beleven van lang leven in de gloria. Zalig ben je als je dat mag ondervinden.

Amen

Kerkelijk Centrum Emmaüs Ede, 15 oktober 2017 en Oude Jeroenskerk Noordwijk, 29 oktober 2017

Preek naar aanleiding van 2 Kronieken 36:14-23 en Lucas 15:11-32 uit de Naardense Bijbel voor de viering op de vierde zondag van de herfst op 15 oktober 2017 om 10.30 uur in het Kerkelijk Centrum Emmaüs te Ede en uit de Groene Bijbel voor de viering op de zesde zondag van de herfst op 29 oktober 2017 om 10.00 uur in de Oude Jeroenskerk te Noordwijk

Gemeente,

Aan menig dorp of plaats is een historische vereniging verbonden. Zo ook aan Noordwijk. Het Genootschap Oud-Noordwijk, dat in 1962 werd opgericht, stelt zich ten doel het Noordwijks erfgoed te behouden. Het genootschap probeert dat doel te bereiken door erfgoed aan te kopen, te renoveren en te integreren in het lokale historisch museum, dat gevestigd is in een oude binnenduinse hoeve en tot stand kwam door de hulp van verenigingsleden, vrijwilligers en giften van de Noordwijkse bevolking. In het boek 2 Kronieken, dat we wel als het verslag van ‘de historische vereniging’ van het Oude Testament kunnen zien, gebeurt iets vergelijkbaars.

Het boek 2 Kronieken is een chronologisch geordend verslag, waarin tal van belangrijke feiten worden opgesomd. We kunnen 2 Kronieken lezen als een verzameling van tabellen waarmee de kroniekschrijver een verband wil leggen tussen de tijdrekening van de geschiedenis van de hoop van Israël en de historische context. Het was voor de kroniekschrijver nodig temidden van het woeden der gehele wereld een spoor te traceren van geestelijk welzijn. Voor een astronoom is dat een ster in lichte luister die ons als een vurig verschiet tegenstraalt. Voor de Aziatische dichter die naar het uiterste zuiden is afgereisd om de zon te zien opkomen en in lotushouding te aanbidden, is het een nieuw lied dat opdaagt, terwijl de nacht nog huivert. Voor de kroniekschrijver is het een lijst waarin gegevens chronologisch zijn gerangschikt, omdat hij op die manier overzicht kan aanbrengen. Tal van gewelddadige gebeurtenissen deden zich in de leefomgeving van de kroniekschrijver voor en hij kon er kop noch staart aan vinden.

De dood van een koning, een groep Joodse mensen die in ballingschap verkeerde, de verwoesting van de tempel in Jeruzalem, de gevangenneming van een koning; het waren gebeurtenissen die in een kort tijdsbestek werden voltrokken. Dat deze gebeurtenissen door mensen in gang werden gezet, was voor de kroniekschrijver duidelijk. Hij was er dagelijks getuige van en kon ze per geval beschrijven. Maar om te begrijpen hoe deze geweldsdaden ontstonden, en welk perspectief hij zijn lezeressen en lezers in het vooruitzicht zou stellen, daarvoor diende hij brute kracht en boze handelingen van een afstand te bekijken. Hij kon er niet middenin gaan zitten, er deel van uitmaken, maar had voor een begrip van zijn tijd nodig er als het ware naast te gaan staan.

We kunnen de keuze van de kroniekschrijver om niet actief op te treden tegen de gewelddadigheid waarvan hij getuige was, uitleggen aan de hand van het taoïstische begrip wu wei. Wu wei betekent ‘de natuur z’n gang laten gaan’. Een persoon die het wu wei-principe hanteert, maakt een inschatting van waar wel en waar niet op in te gaan. Wu wei is geen weigering je te engageren wanneer iemand bijvoorbeeld in nood verkeert. Wu wei vormt eerder een besluit om je ergens niet mee in te laten waarvan je kunt inschatten dat het onveranderlijk is.

De kroniekschrijver geeft de gebeurtenissen niet heel sec weer, maar maakt er een samenhangend verhaal van door zijn verhaal sterk religieus-literair neer te zetten. Met behulp van dat religieus-literaire karakter, dat we kunnen zien als een ‘zingevingstaal’, schept de kronist samenhangen die in een strikt historische beschrijving onderbelicht blijven. We zouden zijn kroniek kunnen lezen als een handboek in de Joodse religiegeschiedenis. En de kronist doet in zijn kroniek een belangrijke stap ten opzichte van de klassieke oudheid: hij ziet de gebeurtenissen in zijn tijd niet in het licht van een tragiek. Hij neemt afscheid van het idee dat gebeurtenissen tragisch, onontkoombaar zijn, omdat hij niet gelooft in het lot. De gedachte dat een hoofdpersoon ten onder gaat aan haar of zijn verzet tegen ‘een hogere macht’ of waarin deze voor een dilemma wordt geplaatst, gaat voor de kronist niet op.

In het wereldbeeld van de kronist vinden gebeurtenissen niet plaats volgens een gefixeerde afwikkeling, waar je als mens geen invloed op kunt uitoefenen, en waar je in zou moeten berusten. Voor de kronist is er geen ‘loop der dingen’, ‘de gang van de geschiedenis’ of ‘het heeft zo moeten zijn’. Iedere vorm van ‘voorbeschikking’ of determinatie is hem vreemd. De kronist is een kronist, geen tragedieschrijver en dus zal ook zijn afsluitende hoofdstuk geen droevig slot kennen. Al wordt er een tempel met de grond gelijkgemaakt, hij staat erop dat er een nieuw gebouw zal worden opgetrokken. De ballingschap? Die interpreteert hij als een puritein avant la lettre als de vervulling van de profetieën van Jeremia. Een vernietigde metropool? Die is te herbouwen. De gedeporteerde koning? Om zijn terugkeer en die van de Joden uit het strafkamp te garanderen, bewerkt de kronist, als was hij lid van een historische vereniging, een citaat uit een edict. Geschiedenis, getuige het optreden van de kronist, is een creatieve bezigheid: ze staat niet vast, je kunt haar sturen en scheppen. In die overtuiging kan de kronist zaken makkelijk omdraaien: hij eindigt zijn verslag met een triomfkreet waarin hij het aantreden van een heidense koning als een groot succes beschouwt voor de wederopbouw van een cultuur, de bevrijding van klein gehouden mensen en het schetsen van een toekomstperspectief dat gekenmerkt wordt door peis en vree.

Zowel 2 Kronieken zesendertig vers veertien tot drieëntwintig als Lucas vijftien vers elf tot tweeëndertig zijn in de eerste plaats verliesverhalen. De kronist zoekt naar een omgang met de terreur van zijn tijd en de evangelist schetst een parabel waarin dood en neergang worden uitgebeeld. De Odyssee van de jongste zoon leidt niet tot het ontwikkelen van een volwassen persoonlijkheid. De jonge mens die verlangt naar een zelfstandig bestaan en iets van de wijde wereld wil zien, groeit, ondanks de avonturen die hij beleeft en waarvan we zouden verwachten dat ze zijn persoonlijkheid zouden rijpen, niet op. Hij lijdt identiteitsverlies doordat hij zijn religieuze roots ontkent en ‘overal bij wil zijn’. In de parabel wordt dat identiteitsverlies geaccentueerd door de jongen varkens te laten hoeden; voor een jood een verschrikking.

De jongste zoon absorbeert het leven, benut elke mogelijkheid, experimenteert er op los en accepteert noch noodzaak, noch beperking. De jongste zoon heet niet voor niets ‘de jongste zoon’. Hij wordt niet bij een voornaam genoemd, bezit nog geen eigen identiteit behalve een die relaties benoemt. Deze jongen is op zoek naar zichzelf, wil genieten, het er eens goed van nemen, totale bevrediging smaken.

Ver van huis hangt aan het snelle leven vaak een prijskaartje. Wanneer hij zijn erfenis opvraagt, die het product is van investeren, rijpen en bewaren, begint de jongen te vroeg met de volwassenheid. De jongste zoon wil op eigen benen staan. Hij is geen vaderskindje, hangt niet aan moeders rokken. En met dat hij zichzelf te voorbarig losrukt van het ouderlijk huis, ontkent hij iedere verhouding tot mensen die hem in het leven hebben geroepen. In de religieuze visie van Lucas heeft een mens die zichzelf wil zijn, het nodig iemand boven zich te erkennen. Voor een gelovige is God de hulp waarmee het zich kan verliezen met als doel zichzelf uiteindelijk te winnen. Meebewegen met een ‘kracht’ waartoe een mens in verhouding staat en die van invloed is op het vermogen een eigen identiteit te ontwikkelen. Niet tegen de aard van dingen ingaan die hun beloop hebben en onveranderlijk zijn, zou de Taoïst zeggen.

Het probleem dat in de tekst wordt aangekaart, is dat deze jongen zichzelf wil worden op basis van zijn eigen termen. Doordat hij geen perspectief accepteert dat hem wellicht iets te zeggen heeft en waarmee een grens aan hem wordt gesteld, ontwikkelt hij in plaats van een waarachtig zelf, een fabelachtig zelf. Hij komt dan ook niet roemoverladen, gekleed in een hofgewaad met een promotie thuis, maar berooid, met niets. Hij is zowel zijn mondigheid kwijtgeraakt alsook zijn hele hebben en houden. Zijn kleding is tot op de draad versleten, het zelf dat hij wilde worden is ontbonden. En toch wordt naar christelijk getuigenis geloofd dat uitgerekend de situatie waarin er nog weinig van een mens over is, de toestand is waarin de ander ons moet vinden. In de lege-handen-conditie gaat God niet van ons heen, maar kan geestelijke zelfwording pas echt beginnen.

Want wanneer een mens zichzelf eenmaal uit handen geeft aan degene die zij of hij niet kan zien, kan er een begin worden gemaakt met herschepping, zeg met de vorming van een religieus zelf. Soms is nodig dat een mens, vooral een die iemand wil worden, zich door een ander, zeg de hemel, laat helpen om in harmonie te raken met zichzelf en de omgeving, een evenwicht te bereiken.

Het moment waarop iemand, uitgevochten en uitgeput, de eigen vertwijfelde zelfstandigheid opgeeft, de teugels van de, modern uitgedrukt, ‘autonomie’ laat varen, is er religieus gezien sprake van bekering. Het markeren van dat keerpunt hoeft niet, zoals in de gelijkenis, met het opdreunen van een geijkt, verontschuldigend zinnetje. Het enige dat nodig is, is dat een mens die zichzelf wil zijn, de zorg en het meedenken van de ander kan toelaten. De act van die instemming belooft, gezien bekeringsverhalen, een groots avontuur.

Amen