Zondag 28 februari 2021, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop

Preek naar aanleiding van Genesis 37:5-10 en Handelingen 2:17-21 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst van de Gereformeerde Kerk Nieuwkoop op zondag 28 februari 2021 om 10.00 uur in de Remonstrantse Kerk te Nieuwkoop

Gemeente,

Genesis 37 bevat de zogeheten Jozef-cyclus, die een mythologische verhaallijn neerzet, die begint met de dromen van Jozef, vervolgens de effecten van zijn dromen op zowel hemzelf als zijn omgeving beschrijft en eindigt met het leven van Jozef in waaktoestand. De verhaallijn staat in de context van bijbelse geschiedschrijving waarin gebeurtenissen vanuit een houding van geloof als heilzaam worden gezien. In het verleden is de tekst Genesis 37:5-10 wel uitgelegd als een heldenverhaal, waarbij de auteurs en tekstgebruikers uit leeskringen binnen de Semitische onderklasse Jozef, de elfde zoon van Jakob, uiteindelijk als een invloedrijke figuur en machthebber in Egypte afficheren. Daarmee construeren zij voor zichzelf, hun lezers en toehoorders een rolmodel, een persoonlijkheid die een voorbeeldfunctie vervult, waarmee zij zich kunnen identificeren.

Kunstenaars, goeroes, actrices, verzetshelden, politici en heersers kunnen de functie van rolmodel vervullen door de creaties die ze maken, door het aanspreken van mensen op hun transcendente vermogens, door de schoonheid en acteerprestaties die ze leveren, door hun geestelijke weerbaarheid en moed om tegen verordeningen in te gaan en door kundig te besturen. De mensen uit de Semitische onderklasse ambieerden het meeste invloed uit te oefenen. Wat echter in de werkelijkheid nog niet het geval is, kan via dromen worden ervaren als iets dat werkelijkheid kan worden. De machtsdromen en de uiteindelijk leidinggevende positie van Jozef geven uitdrukking aan het verlangen van de Semitische onderklasse om mee te regeren in een ondemocratisch politiek bestel. De figuur van Jozef representeert een bestuursvorm waarbij de Semitische onderklasse zich kan uitspreken en waarmee zij een democratisch beginsel uitdraagt. U ziet dat bijvoorbeeld aan het gegeven, dat er nooit iets rechtstreeks aan Jozef wordt geopenbaard, maar de auteurs Jozef in de slaap gedachten laten hebben over wat zij heel graag willen en waarvoor zij in de werkelijkheid niet durfden uitkomen.

In de bijbelse literatuur spelen dromen bij  verschillende bijbelse en historische personen een rol, zoals bij Jakob, Daniël, Jozef en Paulus. Wat zijn dromen eigenlijk? Hoe kunnen we naar dromen kijken? Hoe moeten we ze, indien al, duiden? Zijn dromen misschien enkel herhalingen van herinneringen? Waarom dromen we? Heeft droomgedrag een doel? En wanneer we dromen of een verwijzing naar dromen in bijbelse teksten tegenkomen, wat kunnen we daar dan uit afleiden?

Dromen zijn ficties, fantastische beelden die tijdens de slaap in de neurale netwerken van ons lichaam ontstaan. Ze zijn hallucinatoir in de zin dat ze verdraaide concepten en percepties bevatten, die tendentieus of onrealistisch zijn. Dromen zijn ook narratief, in de zin dat het fabuleuze versies zijn van de gebeurtenissen die we in het echte leven kunnen tegenkomen, maar dan weergegeven als op een andere manier verbonden. In een droom kunnen we combinaties en patronen creëren, die we nog niet eerder hebben gemaakt. Dromen lijken vooral een manier om ons functioneren in het wakende leven te verbeteren. Wellicht dat we ons daarom zo aangetrokken voelen tot het irreële in ons wakkere leven. Het fenomeen van de droom is een geschikt experiment voor toekomstig gedrag, omdat je in de droom indirect en risicoloos verlangens en gedrag kunt uitproberen. Dromen zijn daarmee een manier waarop we onszelf nieuw gedrag kunnen aanleren, zonder de eventueel schadelijke gevolgen daarvan te ondervinden.

We zijn tijdens het dromen niet alleen in staat om over de toekomst te fantaseren, maar kunnen ook gebeurtenissen creëren die niet zijn gebeurd. Ten tijde van de samenstelling van het boek Genesis huldigden de auteurs de opvatting dat men aan de hand van dromen de toekomst kon kennen. Dromen zouden op de non-fictieve-werkelijkheid vooruitlopen. Vele eeuwen later, in de eerste decennia van de twintigste eeuw, werden dromen, zoals u vast weet, door de psychoanalyticus Sigmund Freud heel associatief uitgelegd, door dromen te zien als deel van onze psychoseksuele ontwikkeling. Hij betoogde, dat dromen een uitdrukking zijn van onderdrukte verlangens die het gevolg zijn van traumatische ervaringen in het vroege leven. Veel van zijn ideeën zijn in diskrediet gebracht en vandaag de dag wordt binnen de studie van dromen, de zogeheten oneirologie, vooral gekeken naar de biologische mechanismen die ten grondslag liggen aan dromen. Lange tijd is nog gedacht dat dromen het gevolg zouden zijn van externe factoren, zoals het contact tussen ledematen en fysieke voorwerpen tijdens de slaap. De visie op dromen als voorkennis van de toekomst, de Freudiaanse opvatting van dromen en de zienswijze dat dromen het resultaat zijn van de aanraking van het menselijke lichaam met een fysiek voorwerp zijn drie traditionele visies op de interpretatie van dromen. Vandaag de dag wordt eerder naar dromen gekeken als unieke fysiologische staten, waarin activiteiten die lijken op activiteiten die wij waarnemen als we wakker zijn, worden gefingeerd, terwijl gedrag inactief is gemaakt door chemische systemen die verlamming tijdens de slaap veroorzaken. Dromen zijn oefenplaatsen voor het leren van een nieuwe, moeilijke taak, om deze vervolgens uit te voeren als we niet slapen. Een nieuwe taak leren, zoals in het geval van Jozef leidinggeven, is dan niet vergelijkbaar met het opslaan van herinneringen op een computer, maar behelst het scherpstellen en verfijnen van een enorm, gelaagd netwerk van verbindingen die gebaseerd zijn op een beperkte serie voorbeeldgegevens, een oefen dataset.

Naast het benaderen van de droom als een veilige manier om nieuwe, complexe vaardigheden aan te leren, is er nog een aspect van waaruit we naar het droomgedrag van Jozef kunnen kijken. Iemand die een nieuwe vaardigheid leert, kan het gevaar lopen zo goed te worden in het leren ervan dat zij of hij zich te goed aanpast aan het dagelijks leven en de daarin voorkomende taken. In het geval een persoon te goed is aangepast aan het dagelijks leven of aan taken, of liever, wanneer een netwerk zo verfijnd is afgesteld op de bijzonderheden van een dataset waarvoor het is getraind, dan slaagt een persoon of een netwerk er vaak niet in om nieuwe bijzonderheden van een dataset te generaliseren. Dan is er sprake van zogenoemde overadaptatie, overaccommodatie, waarbij een persoon of netwerk te zeer overeenstemt met een taak of proces, dat het aanleren van nieuw gedrag er juist door bemoeilijkt wordt. Dromen, en dat is het tweede aspect, kunnen fungeren als een manier om dagelijkse overadaptatie te voorkomen door tijdens de slaap storingen in te brengen. Deze storingen hebben niet als doel om het geleerde tijdens het wakkere leven te handhaven of te bekrachtigen, maar om de overadaptatie die met dat leren gepaard gaat tegen te gaan. Dromen zijn dan zelfgegenereerde, corrumperende impulsen. De act van het dromen heeft dus het effect van één, het verbeteren van je functioneren en van twee, het generaliseren van nieuw gedrag in je dagelijks leven.

Beide aspecten betekenen voor ons dat gebeurtenissen die we kunnen ervaren die aan een handeling gerelateerd zijn en die er tegelijkertijd in essentie van verschillen, behulpzaam kunnen zijn voor ons functioneren. Door dromen als oefenplaatsen voor te ontwikkelen gedrag en als verstoringen van te goed aangepast gedrag te beschouwen, kunnen we verder gaan dan de traditionele droomopvattingen en het proces van leren, doen zien als een serie van afwegingen die bij elkaar horen. Als dromen inderdaad deze functionele doelen hebben, dan kunnen we de kunstmatige dromen die we ficties noemen en die we ook in bijbelse teksten tegenkomen bevredigend waarderen als een wezenlijke vorm van zelfbestuur.

Wellicht biedt deze nieuwe visie op dromen ook een verklaring waarom we kunst, films, romans en games prettig vinden, aangezien we ons constant aanpassen aan de realiteit. De verbeeldingrijke, gecorrumpeerde irrealiteit zoals die door kunstenaars, filmmakers, auteurs en gamedesigners naar voren wordt gebracht, helpt ons te voorkomen dat onze hersenen te gefixeerd raken in het ontwikkelen van dezelfde patronen. Zij breiden ons repertoire van handelingen niet alleen uit, maar doen dat op manieren die ons assisteren bij generalisatie en daarmee bij ons vermogen om te leren en te kennen.

Als ons dagelijks leven ten gevolge van de ontwikkeling van menselijke beschaving steeds complexer wordt, aanpassing aan dat dagelijks leven steeds gemakkelijker, wij zowel meer biologische dromen hebben als ons verdiepen in culturele producten zoals kunst, dan stelt de uitvinding van ficties ons mogelijk in staat baat te hebben bij de voordelen van dromen op het moment dat we wakker zijn.          

Amen

Zondag 6 mei 2018, Dorpskerk Zandvoort

Preek naar aanleiding van Deuteronomium 6:20-25 en 1 Petrus 2:1-10 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 6 mei 2018 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Zandvoort

Gemeente,

Binnen de pedagogiek en onderwijskunde wordt studie verricht naar de wijze waarop mensen leren en onderzocht welke leermethoden bij diverse manieren van leren aansluiten. De auteur van de perikoop uit Deuteronomium heeft zich gebogen over de vraag hoe een samenleving van gelovigen kan stabiliseren en welke training hij kan aanbieden voor de ontwikkeling van ‘geloofskapitaal’. Hij biedt cursusmateriaal aan in de vorm van verordeningen, bepalingen en voorschriften die hij afstemt op de doelgroep en die schakels vormen in de instandhouding en ontwikkeling van haar geloof.

Voor de kinderen heeft hij een catechismus geschreven, een overzicht van beginselen en geloofsopvattingen in de vorm van vragen en antwoorden. Met die gedragsprotocollen wil hij een bestendige set van uitgangspunten aanreiken die zij, in welke omgeving ze ook een bestaan proberen op te bouwen, ten allen tijde kunnen raadplegen. Hij is van mening dat de geadresseerden van zijn tekst vooral leren door te doen en hun geloofswereld begrijpen door hun praktijken te herhalen. De motivatie voor het toepassen van die uitgangspunten was te voorkomen dat de Israëliet weer een slaafs leven zou leiden, als mens geknecht en klein gehouden werd. Met zijn religieus erfgoed biedt hij de kinderen een stuk geloofsonderricht aan dat de kern vormt van Israëls vroomheid en waarvan hij hoopt dat ze erop kunnen terugvallen als ze zichzelf vragen gaan stellen als: wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waar liggen mijn roots (wortels)? Welke waarden wil ik in ere houden en van welke opvattingen doe ik graag afstand? De tekst uit Deuteronomium biedt aanleiding het gesprek tussen verschillende generaties op gang te brengen en de betrokkenheid op elkaars leefwereld te vergroten.

De auteur beschouwt de joodse geloofsidentiteit als een kostbaar goed. Hij koestert haar opvattingen en praktijken en wil ze bewaren en beschermen tegen de invloed van andere religies. Het is een verschijnsel dat vandaag de dag nog te zien is in meer traditionele geloofsgemeenschappen: de geloofsoverdracht op volgende generaties werkt, juist omdat de sociale cohesie, dat wil zeggen de dichtheid sterk is.

De auteur zou volgens mij om twee redenen zijn catecheses niet kunnen herhalen. De eerste is dat een mens die voorstander is van deelname aan religieuze interactie een ‘spontaan’ cognitief wezen is, dat voor haar of zijn handelen niet eerst aanwijzingen hoeft op te volgen en berekeningen hoeft te maken, maar eerder uit eigen beweging gedrag vertoont. De tweede reden is dat de actualiteit van een situatie met al z’n nuances algemene principes problematiseren. En wie als mens juist wel kennis neemt van andere denkbeelden, godsdiensten en levenswijzen zal voelhoorns ontwikkelen voor de complexiteit en meerdimensionaliteit van de werkelijkheid.

De schrijver van de pastorale brief is een fijnproever met oog voor detail. Hij legt het besef aan de dag van de unieke situatie waarin een mens zich bevindt, met al z’n verschillen en ingewikkeldheid als hij spreekt in termen van: “Wees als pasgeboren kinderen begerig naar de zuivere, geestelijke melk waardoor u zult groeien en gered zult worden.” Wie op het punt komt een beslissing te nemen voor de eigen levensloop kan die beslissing proberen te staven met argumenten, statistieken of een traditie, maar zal vooraleerst dat besluit zelf dienen te nemen. Dat besluit vindt plaats in de wereld van de geest, een beweging die gemaakt wordt door geloof, dat zich niet kan beroepen op vaststaande grenzen.

Als je de brief op naam van het pseudoniem Petrus leest, dan komen daar vermanende en leerstellige secties in voor. Die ‘onderdelen’ van de brief staan ten dienste van het doel van de verandering die de auteur wil bewerken. De auteur had wel ‘lef’ te veronderstellen dat hij in de positie verkeerde een ander te vermanen. Had hij er niet goed aan gedaan allereerst het nodige zelfonderzoek te verrichten voor hij een ander de les zou lezen?

Het woord ‘vermaning’ roept vaak negatieve associaties op en de reden dat vermaand worden niet altijd een pretje is, zal zijn dat de persoon die vermaant een hiërarchie aanbrengt, waarvan de vermaande zich kan afvragen of dat terecht is. De vermaner doet voorkomen alsof zij of hij zelf niet onder de terechtwijzingen valt die zij of hij voorstelt en wil een ander aansporen tot ‘het goede’.

Wie als professional wordt opgeleid voor een agogisch beroep, krijgt sociale technieken aangereikt die haar of hem in staat stellen op een constructieve wijze met kritiek om te gaan. Petrus doet iets vergelijkbaars als hij via de metafoor van de steen als christologisch beeld een manier voorstelt om met ‘afwijzing’ om te gaan. Voorbeelden van terreinen waarop afwijzing en afkeuring een rol spelen zijn: voertuigen, werk en relaties. Voor Petrus houdt afwijzing verband met de rol van de christelijk gelovige in de wereld. Die rol is niet een hoofdrol in een strak geregisseerd draaiboek, een succesverhaal om mee te pronken en vormt niet de neerslag van een glanzende carrière.

Om te begrijpen wat er in de tekst gebeurt, gaan we terug naar het verhaal achter de tekst. De brief die Petrus schrijft is gericht aan christelijke groepen die in plattelandssteden wonen. Zijn lezerspubliek bestaat uit boeren die zich na een reorganisatie een plaats proberen te verwerven in een stedelijke gemeente. In hun eigen kleine kring hadden die boeren zich weten te redden: ze spraken dezelfde taal, zetten zich in voor collectieve waarden en deelden een vergelijkbare emotionele wereld. De overgang naar een stadse samenleving had gezorgd voor spreiding en het vergde veel inspanning de couleur locale op te pikken en erop af te stemmen. Een niet gering aantal van deze boeren hadden werk gevonden in de civiele bouw. In de functie van stukadoor, betonstaalvlechter, metselaar of stratenmaker hevelden zij hun kennis en vaardigheden uit de agricultuur over en vulden die aan met het vakmanschap uit de bedrijfstak van de stedenbouw. Zo wisselde een veehouder uit Klein-Azië zijn expertise uit met een ingenieur uit de Romeinse provincie.

De aansluiting echter bij de religiebeleving van stedelingen had voor strubbelingen gezorgd. De religieuze leiders begrepen weinig van de verwevenheid van religie en natuurbeleving bij de boer. Het bestaan van die boer was ondanks hard werken van zoveel onzekere factoren afhankelijk, dat hij de religie vaak nodig had die spanningen te kanaliseren. Hij kon afgaan op de voorspellingen van het KNMI of surfen op de buienradar, hij gebruikte het gebed om zich aan een toekomst toe te vertrouwen die in weerwil van ingewonnen inlichtingen grilligheid met zich meebracht.

Het gebrek aan het vermogen elkaar te verstaan had tot conflict geleid en het is deze tweespalt waar Petrus als pastor op inhaakt. Hij doet dat door aansluiting te zoeken bij het nieuwe arbeidsleven van de boer. Hij verpakt zijn analyse van het conflict in termen van de bouwkundige bedrijfstak waarin zij werkzaam zijn en gaat het principieel voor hen opnemen. De steen die door de bouwlieden is afgekeurd staat symbool voor de boer wiens religiebeleving geen weerklank vond bij een van urbanisme doortrokken religieus leider. Langs de weg van de analogie van de afgekeurde hoeksteen geeft Petrus stem aan een gevoel van verwerping dat de boer vaak in zijn innerlijk beleefd en het lijden dat hij vaak via praktische klussen verbijt. Petrus dicht aan die afkeuring en dat lijden een messiaanse betekenis toe. Hij legt een strategie aan de dag waarin hij solidariteit kweekt door te wijzen op een lijdensfiguur uit het vroege christendom. En hij formuleert een visie waarin hij de emoties van de boer die teleurgesteld is en zich onbegrepen voelt, omsmeedt tot een voorgangersrol die de voormalige boer in de gemeente zal gaan spelen.

De rationele en institutionele religie waarmee de stadsgemeente van die religieuze leiders bekend waren, zou behoefte hebben aan de religieuze ervaringen van de boer die de mystiek nieuw leven zou inblazen. Aangezien veel stadse gemeenteleden hoogopgeleid waren en hun dagelijkse activiteit cognitief van aard was, snakten zij naar praktisch christendom, waarin liefdedaden centraal stonden, een ruimte waarin plaats was voor innerlijke subjectiviteit en een onuitsprekelijke verbondenheid die het verstand te boven ging. De jongere in de gemeente, van wie het leven vooral bestond uit boeken en beeldschermen, leert graag van de oudere hoe zij of hij de fundamenten legt voor de bouw van een buitenhuisje, een hoogbed voor beplanting aanlegt, handschoenen breit of plaatkoek maakt. De oudere zou veel opsteken van de jongere, die laat zien hoe je sociaal netwerkt, een digitale presentatie in elkaar zet, een vreemde taal leert, of een overzicht krijgt van de culturele voorzieningen in een stad. Het effect van een dergelijke uitwisseling tussen mensen die van elkaar willen leren, is waar Petrus op doelt met de zinsnede “(…) uit het duister worden geroepen.” Dan blijft de plattelander niet op het veld kniezen, maar wordt een pionier als het gaat om hervormingen in de kerkelijke gemeente en mondt Petrus’ pedante preek alsnog uit in een cantate.

Amen