Dorpskerk Zandvoort, 20 augustus 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 51:1-6 en Lucas 18:9-14 uit de Groene Bijbel voor de viering op de negende zondag van de zomer op 20 augustus 2017 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente te Zandvoort

Gemeente,

Als je als autobestuurder in het verkeer een stilstaande auto voor je nadert en een botsing wilt voorkomen, dan strekt tot aanbeveling het gas los te laten en af te remmen. Vanuit een bestuurderspositie neem je de verkeerssituatie waar, voorspel je handelingen van andere verkeersdeelnemers, evalueer je, beslis je en handel je.

Binnen de pedagogiek en sociologie wordt veel studie gedaan naar de manier waarop kinderen en volwassenen een groep benaderen die nieuw voor hen is. De vraag is welk gedrag het kind ontwikkelt of welke strategieën de volwassene in praktijk brengt om het ijs te breken, aansluiting te vinden bij een groep en erin opgenomen te worden. Je plaats ‘veroveren’ in een groep vraagt om psychologisch inzicht, begrip van morele en culturele codes, waarden, en doet een beroep op flexibiliteit, tact en creativiteit.

In de theologiegeschiedenis zijn er stromingen zichtbaar die of de afstand tussen God en mens piepklein maken zoals in de mystiek uit de veertiende eeuw van Ruusbroec, Meister Eckhart en Catharina van Siëna en er zijn stromingen die de afstand tussen God en mens levensgroot maken zoals in de dialectische theologie van Karl Barth. Ten tijde van de late middeleeuwen is aan de thematiek van sociale afstand en nabijheid een heel eigen draai gegeven. Er kwam een denken over God op waarin de onkenbare eigenschappen van God werden verheerlijkt. Als antwoord op moderne denkbeelden ontstond een nieuw godsbeeld, dat van de deus absconditus, ofwel de verborgen God die zich onttrekt aan het aardse leven.

De tollenaar in de gelijkenis blijft op een afstand staan en durft zijn ogen niet op te slaan. Waarom schroomt de tollenaar met opgeheven hoofd nog verder het religieuze gebouw in te lopen? Wat zoekt de tollenaar in de tempel? Wat doet iemand die afstand neemt van iets of iemand?

Het is niet zonder reden dat een basiliek als de Sagrada Familia in Barcelona zo groot is opgezet. Als je er als bezoeker, religieus of niet, je voet over de drempel zet, kun je de ervaring opdoen dat wat er binnen is, je overweldigt. Het beneemt je de adem. Een vergelijkbare ervaring zou de tollenaar zijn overkomen. Hij int geld en goed, heft belastingen, is de hele dag in de weer met het maken van berekeningen. Dat gaat zover dat alles bij hem op een weegschaaltje is komen te liggen: sociale relaties en ook de godsrelatie is voor hem een kwestie van wederkerigheid, een rituele ruilhandel. De tollenaar – onze hedendaagse belastingambtenaar – werd door joodse medeburgers gezien als een persoon die buiten het joodse verbond met God stond. Op een dag staat deze tollenaar naast zijn bed, voelt zich hondsberoerd, meldt zich ziek en gaat, met lood in de schoenen naar de tempel. Was zijn geweten al bezwaard, eenmaal in de tempel voelt hij hoe de ambiance van dit religieuze gebedshuis vloekt met zijn leefwereld van de staatskas, munten, tarieven en balansen.

Voor Lucas echter is uitgerekend dat gevoel van misplaatstheid voor de belastingbeambte de innerlijke houding bij uitstek om God te ontmoeten, en is dat niet wat mensen veelal naar een tempel brengt: het zoeken van contact met God in de eigen zielsgerichtheid, geloofsvoorstellingen en het gebed? De tollenaar heeft de moed verzamelt naar de tempel te gaan, eenmaal binnen is hij niet meer zo zeker van zijn zaak. Hij bekijkt zichzelf vanuit deze omgeving van een afstand. Die nieuwe oriëntatie heeft hij nodig om zijn beroepsuitoefening ‘objectief’ en kritisch tegen het licht te houden. Hij komt dan tot de conclusie dat hij van zichzelf vervreemd is geraakt en begrijpt ook waarom zijn stadsgenoten zijn werkzaamheden laakbaar achten. De navelstreng die hem, ooit een joods jongetje, met zijn God verbond, heeft hij doorgeknipt. Hij is een geldwolf geworden, een hebzuchtig, inhalig persoon. Het zelfinzicht, de confessie waartoe de tollenaar komt, vormt de ultieme plaats waar de tollenaar in zijn godsrelatie kan komen. Meer afstand kan hij niet overbruggen. Nu dient er een initiatief van de andere kant te komen. Hij heeft een handreiking van een ander nodig die hem weer verzoent met zijn God en hem in het reine brengt met zijn medeburgers.

Iemand die afstand neemt, laat een voornemen, een handeling of gezindheid varen. Je verwijdert jezelf van een plaats, persoon, goed of opvatting. Zo kun je vermijden het graf te bezoeken van een persoon die je dierbaar was en die je nog dagelijks mist. Je kunt er voor kiezen een persoon in je sociale omgeving te beletten je te naderen omdat je je niet met haar of hem wilt inlaten. Je kunt afstand doen van goederen die je niet meer nodig hebt, overbodig zijn geworden of van overtuigingen omdat ze relatief, onhoudbaar of beperkt zijn gebleken. Meer abstract kan een mens ook afstand doen van het idee van vrijheid of hoop: in dat geval zeggen we dat iemand de hoop heeft laten varen.

Tot slot, ik denk dat we op drie manieren de innerlijke gesteldheid van ‘afstand nemen’ ten positieve kunnen waarderen. Allereerst kan iets dat op een afstand wordt gehouden beter uitkomen dan wanneer je er met de neus bovenop zit. Is dat niet ook een reden waarom we tijdens een museumbezoek de nodige meters van een schilderij af gaan staan: om het geheel in ogenschouw te nemen en het vanuit die positie te beoordelen? Ten tweede is afstand nemen een houding waarin je de ander in de gelegenheid stelt jou uit te nodigen. En ten derde is het nemen van afstand nodig om je menswaardig tot iemand te richten.

Laat ons straks huiswaarts gaan als die tollenaar: begenadigd, rechtvaardig, onszelf nabij en met een open blik naar de ander.

Amen