Zondag 29 mei 2022, Johanneskerk Leersum & zondag 3 juli 2022, boerderij De Hoef Leidsche Rijn

Preek naar aanleiding van Sefanja 3:12-20 en Romeinen 6:3-11 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 29 mei 2022 om 10.00 uur in de Johanneskerk te Leersum en op zondag 3 juli 2022 om 10.00 uur in boerderij De Hoef van de Protestantse Gemeente Leidsche Rijn

Gemeente,

In de Zweedse film De grote stilte die Ingmar Bergman in 1963 produceerde, staat de leegte in het leven van mensen centraal. Tijdens een reis die twee zussen maken, wordt een van hen ziek, waarna zij met een zoontje van een van de zussen in een hotel in een Noord-Europese stad verblijven. In dat grote logement voelen de zussen zich lusteloos. Ze raken gedesinteresseerd, verveeld, worden hangerig en ergeren zich aan elkaar.

Bergmans De grote stilte is het laatste deel van een trilogie over geloof. De zussen in Bergmans film hadden een doel voor ogen, een reisbestemming in gedachten. De vaart van hun leven zat er goed in. Als dat ‘levenstempo’ onvoorzien en ongewenst wordt vertraagd, is een vraag hoe elk van beide vrouwen met die onderbreking omgaat. Beide vrouwen ontwikkelen een vorm van alcoholisme en pikken willekeurig een man in een bar op. Het is de beleving van de tienjarige jongen die naar wegen zoekt om zich te vermaken, waardoor op de ‘holle tijd’ die de volwassen vrouwen ondervinden de nadruk komt te liggen.

Binnen de religie vallen er verschillende soorten stiltes te ontwaren. Tijdens het brengen van een offer is er sprake van een liturgische stilte. Eerbiedige stiltes worden in acht genomen bij het uitvoeren van rituelen. Mensen zijn massaal stil als er een bepaalde dag aanbreekt en voor het uitspreken van een religieus oordeel zijn hoorders stil. Aan het moment waarop Sefanja had besloten de stilte te doorbreken was een periode voorafgegaan waarin er geen profetische stem meer had geklonken. Jesaja en Micha waren de laatsten geweest die nog visionair optraden, visies uitsponnen waarin ze hoorders perspectieven voorhielden om hen uit te dagen iets te doen waarvan ze niet wisten dat ze ertoe in staat waren.

Nadat Jesaja en Micha zich niet langer in de openbaarheid vertoonden en stierven, was het stil geworden. Die stilte vormde een groot contrast met de alarmerende signalen die doorklonken in de kreten van de profeten. Er werden geen idealen meer geproclameerd, dromen niet gerealiseerd en mensen toonden niet veel ambitie. Na een periode van turbulentie in een samenleving kan een stilte heilzaam werken. Maar in de tijd van Sefanja kwam het leven er zelf door stil te liggen. Er heerste een rust en onbeweeglijkheid die onvrijheid verrieden in plaats van vrijheid die te herkennen is aan bedrijvigheid en drukte. Wat Sefanja met zijn visie doet, is antwoord geven op de monotonie, de eentonigheid van zijn tijd die problemen zoals een gebrek aan voedselvoorziening en oorlogsvoering met zich meebrachten. Zo zet hij ingrijpende religieuze hervormingen in gang. Sefanja probeert de motoren van het leven zelf weer aan de praat te krijgen door op te roepen handelingen te verrichten in een tegenovergestelde richting dan de wijze waarop mensen in zijn omgeving dat gewend waren. Het afleren en aanleren van een levensstijl, zo hoopte hij, zou resulteren in een continue stroom van voedselproductie, vrede en veiligheid.

Net als Sefanja is ook Paulus te karakteriseren als een profeet, omdat hij een beroep doet op de innerlijke verandering van zijn adressanten. En er is nog een overeenkomst te noemen tussen profeet en apostel. Zoals Sefanja oproept tot tegennatuurlijk handelen, beweert Paulus dat een religieus gelovige die gedoopt is in de geest niet langer onder de wet valt. Paulus staat voor de taak te laten zien dat de wet, die slavernij in de hand werkt, geen betrekking meer heeft op de geestelijke mens die in vrijheid leeft. In de sfeer waarin de gelovige zich beweegt, denkt, voelt en handelt zijn de geboden niet langer van toepassing. Daarmee diskwalificeert Paulus de mogelijkheid van overtredingen en de invloed van vormen van controle en handhaving die een mens ontmoedigen. De bindende regels van de wet en de ongebondenheid van de geest bedienen zich van een ander taalveld, belichamen een andere denkwereld. Maar Paulus, in tegenstelling tot Sefanja, legt ook met behulp van theoretische reflecties uit en haalt symboliek aan om door middel van beelden te beschrijven hoe de geestesdoop van de gelovige in het heden plaatsvindt.

Zowel Sefanja als Paulus waren figuren die zich geconfronteerd zagen met het probleem dat mensen niet in staat waren zichzelf te bevrijden van hun gewoontes, routines, rituelen en wetten. De impact van herhaling en gehoorzaamheid werkte als een verslaving waar mensen dermate door ‘gedrogeerd’ waren dat ze zich er geestelijk en lichamelijk niet van konden distantiëren. Voor de oplossing van dat probleem treedt Paulus op als een idealistisch schrijver.

Dat idealisme van Paulus kun je lezen als een reisbeschrijving van de dood naar het leven, waarin hij voluit in gesprek is met heidense en joodse tijdgenoten. Leven met God, dat wil zeggen je verenigen met wat je optilt, je uittilt boven wat je terneerdrukt, lam slaat, betekent tegelijkertijd sterven voor alle negatieve invloeden. Een totale en definitieve scheiding, een breuk zoals de dood dat is. Die breuk kun je ‘sterven met Christus’ noemen en maakt je los van datgene wat je van God scheidt. In de vorming van het nieuwe mens-zijn, waarin je wordt verenigd met ‘je betere zelf’, kan een lange stilte vallen. Iets in je wordt teniet gedaan. Dood, dat wil zeggen manieren van doen waaruit de bezieling is verdwenen, transformeert in doop.

De gelovige is dan niet langer belast met bijvoorbeeld overgeërfde handelswijzen, gekopieerde manieren van doen, maar leeft in eenheid met het levende en in openheid naar de toekomst. Dan kan het aan de oppervlakte van een mens’ voorkomen stil lijken, doodstil, terwijl er ‘ondergronds’ van alles woelt. De vrome zegt over dat proces: “God is in de mens aan het werk.” Er vindt een ‘strijd’ plaats, waarin de geest wil zegevieren over al die invloeden die een mens naar beneden halen en die, als de overwinning daar is, de mens in staat stelt wilsbekwaam en capabel op te treden. In die acten van vrijheid toont een mens dat zij of hij boven de wet staat.

Amen

Zondag 24 april 2022, De Brasserie in Het Zonnehuis van de Zonnehuisgroep Vlaardingen

Preek naar aanleiding van Johannes 20:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 24 april 2022 om 10.15 uur in De Brasserie in Het Zonnehuis van de Zonnehuisgroep Vlaardingen

Gemeente,

‘Johannes’ was een vertegenwoordiger van het Palestijnse jodendom van de eerste eeuw. Het Johannesevangelie is geschreven met het oog op een lezerspubliek met pastorale problemen, waarvan de auteur vond dat een levengevend geloof daar een oplossing voor bood. Ook Johannes 20 vers 1 tot 13 is geschreven met het oogmerk een grondhouding van geloof bij de lezer te wekken, en daarvoor trekt de auteur op naam van Johannes alles uit de kast, of liever, uit het graf. Het Johanneïsche verhaal van Jezus’ optreden reflecteert grotendeels het leven en de pastorale behoeften van de Johanneïsche gemeente. Het grootste pastorale probleem waar Johannes mee werd geconfronteerd was het besef van de eindigheid. De eindigheid was voor de pastoranten in zijn praktijk geen opbouwende gedachte. De realisatie dat men eindig was, ooit zelf zou sterven, motiveerde niet tot zelfbepaling, levenskeuzes, het opmaken van de balans van hoe het er met zichzelf voorstond, of men werkelijk ernst maakte met de zaken waarover men ernstig diende te zijn en al het andere relativeerde, maar hing, integendeel, als het zwaard van Damocles boven het leven van iedere pastorant.

De gedachte aan de eindigheid vormde geen krachtig hulpmiddel tot schifting van wat men belangrijk achtte en wat niet, hoe men wilde leven en wat men nog wilde bereiken of doen, het zorgde niet voor een gezonde spanning, maar effectueerde benauwenis, geborneerdheid en verlamming. De Johannesevangelist brengt het goede nieuws om mensen te bevrijden van de invloed van de wetenschap dat je sterfelijk bent en die hen weliswaar had kunnen bepalen bij wat voor hen het ware leven uitmaakt, maar dat het leven van Johannes’ pastoranten juist bedreigde, teniet deed. De gedachte aan de eigen sterfelijkheid deed hen niet meer, maar juist minder leven. Aan die afname gaat Johannes het hoofd bieden door een nieuwe werkelijkheid te presenteren die zich voor een mens kan openbaren in feitelijke stilte en de ervaring van leegheid.

Eigenlijk zou u er als hedendaags lezer goed aan doen het hele Johannesevangelie in een keer te lezen, eventueel biddend, en na te gaan wat het in uw eigen geestoproept, welke vragen u aan de tekst stelt, welke bijzonderheden zich bij u voordoen tijdens het leesproces, op welke problemen u eventueel stuit, welke leeservaringen u opdoet en welke reactie u uiteindelijk op de tekst geeft.

Het thema van Jezus’ verkondiging in het Johannesevangelie is het eeuwige leven. Voor deze verkondiging bedient Jezus zich bij Johannes van lange meditatieve beschouwingen en van uitvoerige discussies. In dit evangelie staan veel controverses en afscheidsredes. Jezus spreekt zoals de samenstellers van het Johannesevangelie schrijven: symbolisch en beschouwelijk. Nu echter is het stil gevallen.

Door de kerkvaders is het Johannesevangelie wel gekwalificeerd als een geestelijk, interpreterend en theologisch evangelie. Historische feiten spelen er geen hoofdrol in, theologische geschiedenis des te meer. De centrale vraag die in het Johannesevangelie en in het bijzonder in Johannes 20 vers 1 tot 13 aan de orde is, is: hoe komt een mens tot diep geestelijk zelfinzicht of liever, tot zelfopenbaring?

Johannes beantwoordt die vraag op twee manieren: enerzijds door levend te worden voor anderen door voor jezelf te sterven, verbeeld in de betekenis van het laatste avondmaal, jezelf als het brood te breken, om op die manier betekenisvol te worden voor een ander, anderzijds door de mens zich open te laten stellen voor onverwachte wendingen. Wanneer je in het Johannesevangelie namelijk het woord “wereld” tegenkomt, dan duidt “wereld” op de geslotenheid van de mens voor onvoorziene veranderingen, waardoor de werkelijkheid niet onvermoed open kan gaan. Aan de hand van de reactie van Maria zal ik straks toelichten hoe die geslotenheid eruit kan zien. Johannes beoogt dus de pastoranten voor wie hij schrijft ervan te overtuigen, dat, indien zij de zin van hun eigen leven niet zien, zij hun leven ten dienste zouden kunnen stellen van een ander en zich ontsluiten, toegankelijk te zijn voor kenteringen die zij van tevoren niet konden kennen. Zijn aanbevelingen kunnen erin resulteren, dat zijn pastoranten het perspectief van een gelovig bestaan combineren met hun alledaagse leven. Het Johannesevangelie laat zich dan ook wel lezen als een therapeutisch boek, een handboek voor geestelijke verzorging.

Wat we waarnemen, wel of niet zien en de wijze waarop we iemand of iets zien, is voor iedereen anders. Het wordt bepaald door het waargenomene zelf, eerdere ervaringen met het waargenomene en iemands persoonlijkheid. Je kunt het merken aan de opmerkingen die iemand anders maakt, nadat je je in dezelfde omgeving hebt bevonden, aan de verbanden die iemand legt, nadat je naar hetzelfde verschijnsel hebt gekeken of aan de bijzonderheden die iemand te berde brengt, nadat je hebt deelgenomen aan dezelfde gebeurtenis. Idem dito met de leerlingen en Maria. Na het zien van het lege graf en de lijkwindsels keren de leerlingen huiswaarts. Zij hebben het lege graf geïnterpreteerd als een gebeuren, opgevat als een indicatie voor een verrijzenis. De verrijzenis is een toestand, een verhouding tussen je lichaam, je bewustzijn en het eigen leven, dat voor een ieder op elk moment is weggelegd. Maria echter, de apostel der apostelen, percipieert het lege graf vanuit haar stemming van verdriet. Ze kwam uit het vissersdorp Magdala, was rijk, had Jezus onderhouden, die haar, op zijn beurt van veel negatieve invloeden had afgeholpen, had een sterke intuïtie en arriveerde ten gevolge daarvan vaak als eerste bij een onheilsplek, gedenk- of geluksplaats.

Maria, ze stond bij het kruis en staat nu bij het graf, dat vrijwel leeg is. Verblind door haar verdriet en gezien de donkerte, het gebrek aan licht, zal ze nauwelijks iets hebben gezien als ze in het graf kijkt. Maria wordt overmand door emotie, is meer gericht op haar innerlijke beleving, waardoor ze niet goed kan begrijpen wat hier aan de hand is. In haar verbeelding wordt ze twee engelen, fabelachtige, denkbeeldige mensfiguren met vleugels gewaar, en ze merkt dat zich geen lichaam in het graf bevindt, maar schrikt daar niet van en raakt daar niet door ontregeld. De lijkwindsels, de doeken liggen er nog, alsof Jezus daaruit is gestapt, hij deze van zich af liet glijden. Die wetenschap had Maria kunnen troosten, want wist zij als meest geliefde discipel niet hoezeer Jezus gedurende zijn leven in allerlei kwesties verwikkeld was geraakt, niet op z’n minst door zijn systeemkritiek, door een volkstribunaal ter dood werd veroordeeld en nu niet langer werd blootgesteld aan intriges, kwade trouw, redetwisten, de commercie van de religie, aanhankelijkheid en uitputting. Het deed haar pijn dat Jezus er niet langer was, omdat ze aan hem gehecht was. Hij had haar gesteund tijdens een periode dat haar geestelijke gezondheid labiel was. Via zijn interventies in hun gesprekken had hij haar beperkte bewegingsruimte verruimd; ze had zich beschermd en veilig geweten. Nu Jezus schitterde door afwezigheid, enkel voor haar geestesoog kon verrijzen door zijn markante absentie, voelde ze zich leeg en was het alsof een deel van haar met hem was meegegaan. Als het aan haar lag, had ze de weggerolde steen voor het graf, een soort grot of spelonk, teruggerold, en had ze zich daar met ‘haar heer’ verstopt om nimmermeer afscheid van hem te hoeven nemen of afstand van hem te hoeven doen.

Maria vult de openheid en leegte van het graf niet nader in, omdat beide onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis die ze met de gestorvene had opgebouwd. De leerlingen lopen richting huis na het lege graf te hebben aanschouwd. Maria, als was het graf een kamer die met aandacht is ingericht, ziet de attributen rondom de leegte, de lijkwindsels, de zweetdoek, apart, ineengerold op één plek, en gaat na wat de leegte met de ruimte van het geopende graf, de attributen en haar doet. Door de ruimte op zich te laten inwerken, zich te realiseren wie er niet is, ziet ze uiteindelijk beter wat er wél is en herinnert zich de persoonlijkheid van de overledene, die met zijn afwezigheid in deze gedenkplaats uitdrukking geeft aan wie hij was. Jezus van Nazareth liet zich noch inkapselen, noch inmetselen: noch door kaders, noch door polemiek, noch door identiteiten, noch door schriftgeleerdheid of aanhaligheid.

Maria, een welgestelde vrouw, die soms verstrikt kon raken in haar vermogen en uit eigen ervaring wist, hoe ingewikkeld het leven kan zijn, maar nu heeft gezien, gaat geloven in wat het lege graf haar te zeggen heeft: dat een mens kan opstaan uit haar of zijn doden, deze opstanding kan leiden tot een lichaamstransformatie en je daarvan in trance kunt raken, kortom, een nieuw mens kunt worden. Over de opstanding, metamorfosen die telkens weer kunnen plaatsvinden wanneer mensen besluiten om de plaatsen die hen geen bewegingsvrijheid verlenen te verlaten, zowel in geografische en fysieke zin als in onszelf, zingt binnen de lichte muziek ook Andra Day met haar Rise Up.

Het kan moeilijk, zelfs pijnlijk zijn de eigen gehechtheden los te laten, maar als je daarover niet blijft weeklagen en in beweging komt, dan kun je tot de ontdekking komen dat de werkelijkheid zich opeens kan tonen op een manier die je nog niet eerder hebt gehoord en gezien.

Amen

Zondag 20 maart 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 27 maart 2022, Gereformeerde Kerk Dinteloord, zondag 3 april 2022, Protestantse Gemeente Wormerveer & zondag 10 april 2022, Houtrustkerk Den Haag

Preek naar aanleiding van Exodus 34:27-35 uit de Naardense Bijbel en 1 Korintiërs 13:1-13 uit de Herziene Statenvertaling voor de kerkdienst op zondag 20 maart 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, uit de NBV21 voor de kerkdienst op zondag 27 maart 2022 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Dinteloord, voor de kerkdienst op zondag 3 april 2022 om 10.00 uur in de Kerk aan het Noordeinde van de Protestantse Gemeente Wormerveer en uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 10 april 2022 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag

Gemeente,

Het boek Exodus is geschreven tijdens de glansjaren van twee koningen in de tiende eeuw voor Christus. Exodus bevat volksliteratuur, waarin de auteurs met gevoel voor drama tal van gebeurtenissen uitvergroten. De drama-literatuur in Exodus biedt tegenwicht aan de praktijk van het vasten, dat beoogt een mens innerlijk en fysiek te reinigen van gif-en afvalstoffen. Na de uittocht uit Egypte, het land van de afhankelijkheid, waar een mens de eigen vrijheid aan een ander heeft verkocht, de doortocht door de Rode Zee, symbool voor de ‘plaats’ waar een mens geen vaste grond onder de voeten heeft, de beproeving van ervaringen, die een mens bitter kunnen maken, en de strijd tegen de Amalekieten, ofwel, mensen die ons met hun verwachtingen terugdringen in oude rollen waarin we niet kunnen leven, na dat alles is het tijd voor een verheerlijking op een berg. Verheerlijking betekent dat een mens ontvankelijk wordt, zich openstelt voor inzichten van buitenaf.

In het boek Exodus staan zowel het loskomen van patronen die een mens onderdrukken, als het optrekken naar een groots festijn centraal: beide breukmomenten zijn samengevat in de geloofservaring van Israël. De uittocht van het volk Israël kunnen we begrijpen tegen de achtergrond van uitbuiting. Mensen waar ook ter wereld wordt in Exodus de mogelijkheid voor ogen gesteld om pogingen van medemensen tot manipulatie te ontmaskeren en daar geen genoegen mee te nemen door op een plaats te gaan leven waar men wel een humaan bestaan kan opbouwen. Wie buiten de oevers van Exodus treedt, kan zien dat de beweging van een uittocht en een intocht een schema is dat in veel Bijbelse verhalen terugkeert.

Volksliteratuur kan nauwelijks zonder een held. In het boek Exodus is Mozes de held aan wiens geboorte de status van een Hebreeuwse verlosser wordt toegeschreven. Zijn jeugd wordt beschreven en op zijn leidersrol wordt gezinspeeld. Hij is vooral een bemiddelaar, wordt geportretteerd als een intermediair die openbaart wat het verstand niet kan begrijpen. Mozes leefde voor het volk Israël, droeg de last ervan en ontwikkelt een visie op hun welzijn. Hij zal het grote vertrek van een groep geknechte mensen begeleiden, hun uittocht gestalte geven, hen helpen zich los te scheuren uit de tichelbakkerijen van de farao, maar niet, voordat er een theofanie, dat is een manifestatie van een godheid aan een mens, bij de Sinaï heeft plaatsgevonden.

Nadat Mozes veertig dagen op de berg vast, glanst zijn gezicht van licht. De berg staat voor enige plek waar het helemaal stil is en een mens vrij is van plannen, gedachten, zorgen, problemen en moderne slavendrijvers die je opjagen, onderwerpen aan eisen waar je niet aan kunt voldoen. Op de bergtop, hoog verheven, staat Mozes in het midden van zijn leven, houdt de ogen vast gericht op het land dat voor hem ligt. Mozes leeft alleen in de bergen, ver weg van de agitatie van de stad, het tumult op de markt en het spektakel van de cultuur. In de wildernis zorgt hij voor zijn schapen. In de stilte en gereinigd van enige emotie en lichamelijke zorg, wordt Mozes iets duidelijk. In de ‘wetteloosheid’ van de natuur staan hem enkele inzichten helderder voor ogen dan wanneer hij aan de voet van de berg, aan de rand van de samenleving geconfronteerd wordt met mensen die, moe en leeg, vanuit ontevredenheid hun beklag doen. Voor Mozes behelst dat inzicht dat ‘het goddelijke’ naar zijn eigen aard een grens heeft.

Na twee perioden van veertig dagen en nachten gaat Mozes zijn opvatting van het goede uithouwen in een nieuw stel stenen tafelen. Dat is Mozes ten voeten uit: hij schrijft goddelijke karakters in tabletten, geeft vorm aan een ethiek en test zijn ideeën daarover met behulp van de instrumenten in zijn handen. Nu zou iemand kunnen opwerpen dat Mozes er verstandig aan had gedaan een beetje in de pas te lopen met de geschiedenis om te harmoniëren wat hij op de berg van de godskennis had ervaren. Mozes echter is de man met de staf en de beitel: hoeder, leider en ambachtsman die laat zien dat zijn opvattingen over ‘hoe te leven’ en ‘wat te doen’ bewerkelijk zijn. Mozes de kunstenaar en wetgever ineen moet ze kunnen uithakken en met het grootste gemak ook weer kapot kunnen gooien.

Wat Mozes je leert is dat degene die zich intiem associeert met God voorbij moet gaan aan al wat zichtbaar is en geloven dat God daar is waar het begrip of de rede niet toe reikt. In de contemplatie van een transcendente natuur ontving Mozes de goddelijke ordinanties. De weg die Mozes daartoe bewandelt, is die van de zuiverheid van het lichaam besprenkeld met ‘religieus wijwater’. Hij vast.

Mozes doet nog iets meer: voordat hij de berg beklimt, wast hij zijn gewaad. Aangezien kleding bij het maken van een bergtocht of bergbeklimming gauw vuil wordt en een vlek de gang naar God niet belemmert, denk ik niet dat we de term ‘gewaad’ letterlijk moeten opvatten. Het gewaad vertegenwoordigt de uiterlijkheden van het leven waarin een mens zich kan hullen. Met de kleren om het lijf van Mozes worden zijn bezigheden bedoeld die samenhangen met zijn rollen. Wil God aan hem kunnen verschijnen, dan is een voorwaarde dat hij al zijn dagelijkse functies neerlegt. Pas in zijn naaktheid kijkt Mozes niet in een wazige spiegel naar zichzelf in alle ambten die hij bekleedt, maar wordt een scherpomlijnd, betrouwbaar beeld van hem weerkaatst. En dit is het Adamskostuum, de schone lei-conditie, waarin God een mens kan naderen. De mens die vervolgens overschaduwd wordt door Gods geest herstelt het ongebroken karakter van de eigen zijnswijze, wordt als het ware onsterfelijk door de letters, geschreven met een geestelijke pen.

In 1 Korintiërs 13 vers 1 tot 13 gebruikt Paulus het exodusmotief om de beperkingen van het mozaïsche verbond aan te wijzen. Hij doet dat op basis van zijn eigen apostolische ervaring en het is verankerd in zijn autobiografie. Met het oog op het doel om de restricties van de stenen tafelen naar voren te brengen, refereert Paulus aan de straling van Mozes’ huid. Mozes neemt een lichtverschijning waar, doet een ervaring van verblinding op, op het ogenblik dat God hem passeert. Wellicht zou je kunnen zeggen dat Mozes de plaats zag waar God zich eerder bevond. In het voorbijgaan ontstaat er een flikkering die onzichtbaar, ontoegankelijk is voor de mens die God recht in het gezicht wil kijken. Dat Mozes zijn gezicht met een sluierdoek moest bedekken en er een gloed op zijn gezicht verschijnt, wil zeggen dat hij in de toepassing van de wet vaak een oogje moet dichtknijpen.

De stenen platen zijn gemaakt van aardse materie en Mozes kon ze als een document doorsturen naar ‘de Ene’ die er zijn stempel op zou achterlaten. Een mens echter, kan de wet in letters van steen bij zich dragen, dat wil nog niet zeggen dat zij of hij begrepen heeft wat genade kan betekenen. Gratie, kwijtschelding, vergeving of volledige absolutie in het toepassen van de wet is een act waarin verbittering kan omslaan in zachtmoedigheid. De tafelen waarin Mozes de wet uitbikte waren van steen. Zonder liefde echter heeft geen enkele wet enige waarde: liefde is de conditie waaronder een wet kan gedijen. Liefde is voor Paulus als een uit te voeren opdracht en einddoel. Met het concreet beoefenen van de liefde tijdens het eigen leven laat de liefhebber de wet in Godwaartse richting opgaan.

Wat je van de apostel Paulus leert is dat in het geval van de liefde er slechts één grens is, en dat is, dat er aan liefde geen grens zit. Het goede, deugd heeft een limiet in zichzelf. Goed doen houdt een keer op, maar liefde wordt niet afgebakend door beperkingen. De apostel leert je een begrip van het ‘perfecte’ leven voor de mens. Het pad van de liefde is een voortreffelijke weg die niet begaanbaar is zonder gratie en daadkracht. Wie haar praktiseert maakt wat gebroken is heel en kan een nieuw perspectief bieden op mensenlevens.

Amen

Zaterdag 3 april 2021, Protestantse Gemeente Voorhout, zondag 4 april 2021, Protestantse Gemeente Breukelen, zondag 11 april 2021, Gereformeerde Kerk Woubrugge, zondag 25 april 2021, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop & zondag 2 mei 2021, Amstelkerk Ouderkerk aan de Amstel

Preek naar aanleiding van Johannes 20:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op Stille Zaterdag 3 april 2021 om 21.30 uur in de Kleine Kerk van de Protestantse Gemeente te Voorhout, voor de viering van Pasen op zondag 4 april 2021 om 10.00 uur in de Pauluskerk van de Protestantse Gemeente te Breukelen, voor de kerkdienst op zondag 11 april 2021 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge, voor de kerkdienst op zondag 25 april 2021 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop en voor de kerkdienst op zondag 2 mei 2021 om 10.00 uur in de Amstelkerk te Ouderkerk aan de Amstel

Gemeente,

‘Johannes’ was een vertegenwoordiger van het Palestijnse jodendom van de eerste eeuw. Het Johannesevangelie is geschreven met het oog op een lezerspubliek met pastorale problemen waarvan de auteur vond dat een levengevend geloof daar een oplossing voor bood. Ook Johannes 20 vers 1 tot 13 is geschreven met het oogmerk een grondhouding van geloof bij de lezer te wekken, en daarvoor trekt de auteur op naam van Johannes zogezegd alles uit de kast of liever uit het graf. Het Johanneïsche verhaal van Jezus’ optreden reflecteert grotendeels het leven en de pastorale behoeften van de Johanneïsche gemeente. Het grootste pastorale probleem waar ‘Johannes’ mee werd geconfronteerd was het besef van de eindigheid. De eindigheid was voor de pastoranten in zijn praktijk geen opbouwende gedachte, de realisatie dat men eindig was, ooit zelf zou sterven, motiveerde niet tot zelfbepaling, levenskeuzes, het opmaken van de balans van hoe het er met zichzelf voorstond, of men werkelijk ernst maakte met de zaken waarover men ernstig diende te zijn en al het andere relativeerde, maar hing, integendeel, als het zwaard van Damocles boven het leven van iedere pastorant.

De gedachte aan de eindigheid vormde geen krachtig hulpmiddel tot schifting van wat men belangrijk achtte en wat niet, hoe men wilde leven en wat men nog wilde bereiken of doen, het zorgde niet voor een gezonde spanning, maar effectueerde benauwenis, geborneerdheid en verlamming. De Johannesevangelist brengt het goede nieuws om mensen te bevrijden van de invloed van de wetenschap dat je sterfelijk bent en die hen weliswaar had kunnen bepalen bij wat voor hen het ware leven uitmaakt, maar dat het leven van Johannes’ pastoranten juist bedreigde, teniet deed. De gedachte aan de eigen sterfelijkheid deed hen niet meer, maar juist minder leven. Aan die afname gaat Johannes het hoofd bieden door een nieuwe werkelijkheid te presenteren die zich voor een mens kan openbaren in feitelijke stilte en de ervaring van leegheid.

Eigenlijk zou u er als hedendaags lezer goed aan doen het hele Johannesevangelie in één keer te lezen, eventueel biddend, en na te gaan wat het in uw eigen geest oproept, welke vragen u aan de tekst stelt, welke bijzonderheden zich bij u voordoen tijdens het leesproces, op welke problemen u eventueel stuit, welke leeservaringen u opdoet en welke reactie u uiteindelijk op de tekst geeft.

Het thema van Jezus’ verkondiging in het evangelie volgens Johannes is het eeuwige leven. Voor deze verkondiging bedient Jezus zich bij Johannes van lange meditatieve beschouwingen en van uitvoerige discussies. In dit evangelie staan veel controverses en afscheidsredes. Jezus spreekt zoals de samenstellers van het Johannesevangelie schrijven: symbolisch en beschouwelijk. Nu echter is het stil gevallen.

Door de kerkvaders is het Johannesevangelie wel gekwalificeerd als een geestelijk, interpreterend en theologisch evangelie. Historische feiten spelen er geen hoofdrol in, theologische geschiedenis des te meer. De centrale vraag die in het Johannesevangelie en in het bijzonder in Johannes 20 vers 1 tot 13 aan de orde is, is: hoe komt een mens tot diep geestelijk zelfinzicht of liever, tot zelfopenbaring?

Johannes beantwoordt die vraag op twee manieren: enerzijds door levend te worden voor anderen door voor jezelf te sterven, verbeeld in de betekenis van het laatste avondmaal, jezelf als het brood te breken, om op die manier betekenisvol te worden voor een ander, en anderzijds door de mens zich open te laten stellen voor onverwachte wendingen. Wanneer je in het Johannesevangelie namelijk het woord ‘wereld’ tegenkomt, dan duidt ‘wereld’ op de geslotenheid van de mens voor onvoorziene veranderingen, waardoor de werkelijkheid niet onvermoed open kan gaan. Aan de hand van de reactie van Maria zal ik straks toelichten hoe die geslotenheid eruit kan zien. Johannes beoogt dus de pastoranten voor wie hij schrijft ervan te overtuigen, dat, indien zij de zin van hun eigen leven niet zien, zij hun leven ten dienste zouden kunnen stellen van een ander en zich ontsluiten, toegankelijk te zijn voor kenteringen die zij van tevoren niet konden kennen. Zijn aanbevelingen kunnen erin resulteren, dat zijn pastoranten het perspectief van een gelovig bestaan combineren met hun alledaagse leven. Het Johannesevangelie laat zich dan ook wel lezen als een therapeutisch boek, een handboek voor geestelijke verzorging.

Wat we waarnemen, wel of niet zien en de wijze waarop we iemand of iets zien, is voor iedereen anders. Het wordt bepaald door het waargenomene zelf, eerdere ervaringen met het waargenomene en iemands persoonlijkheid. Je kunt het merken aan de opmerkingen die iemand anders maakt, nadat je je in dezelfde omgeving hebt bevonden, aan de verbanden die iemand legt, nadat je naar hetzelfde verschijnsel hebt gekeken of aan de bijzonderheden die iemand te berde brengt, nadat je hebt deelgenomen aan dezelfde gebeurtenis. Idem dito met de leerlingen en Maria. Na het zien van het lege graf en de lijkwindsels keren de leerlingen huiswaarts. Zij hebben het lege graf geïnterpreteerd als een gebeuren, opgevat als een indicatie voor een verrijzenis. De verrijzenis is een toestand, een verhouding tussen je lichaam, je bewustzijn en het eigen leven, dat voor een ieder op elk moment is weggelegd. Maria echter, de apostel der apostelen, percipieert het lege graf vanuit haar stemming van verdriet. Ze kwam uit het vissersdorp Magdala, was rijk, had Jezus onderhouden, die haar, op zijn beurt van veel negatieve invloeden had afgeholpen, had een sterke intuïtie en arriveerde ten gevolge daarvan vaak als eerste bij een onheilsplek, gedenk- of geluksplaats.

Maria, ze stond bij het kruis en staat nu bij het graf, dat vrijwel leeg is. Verblind door haar verdriet en gezien de donkerte, het gebrek aan licht, zal ze nauwelijks iets hebben gezien als ze in het graf kijkt. Maria wordt overmand door emotie, is meer gericht op haar innerlijke beleving, waardoor ze niet goed kan begrijpen wat hier aan de hand is. In haar verbeelding wordt ze twee engelen, fabelachtige, denkbeeldige mensfiguren met vleugels gewaar, en ze merkt dat zich geen lichaam in het graf bevindt, maar schrikt daar niet van en raakt daar niet door ontregeld. De lijkwindsels, de doeken liggen er nog, alsof Jezus daaruit is gestapt, deze van zich af liet glijden. Die wetenschap had Maria kunnen troosten, want wist zij als meest geliefde discipel niet hoezeer Jezus gedurende zijn leven in allerlei kwesties verwikkeld was geraakt, niet op z’n minst door zijn systeemkritiek, door een volkstribunaal ter dood werd veroordeeld en nu niet langer werd blootgesteld aan intriges, kwade trouw, redetwisten, de commercie van de religie, aanhankelijkheid en uitputting? Het deed haar pijn dat Jezus er niet langer was, omdat ze aan hem gehecht was. Hij had haar gesteund tijdens een periode dat haar geestelijke gezondheid labiel was. Via zijn interventies in hun gesprekken had hij haar beperkte bewegingsruimte verruimd; ze had zich beschermd en veilig geweten. Nu Jezus schitterde door afwezigheid, enkel voor haar geestesoog kon verrijzen door zijn markante absentie, voelde ze zich leeg en was het alsof een deel van haar met hem was meegegaan. Als het aan haar lag, had ze de weggerolde steen voor het graf, een soort grot of spelonk, teruggerold, en had ze zich daar met ‘haar heer’ verstopt om nimmermeer afscheid van hem te hoeven nemen of afstand van hem te hoeven doen.

Maria vult de openheid en leegte van het graf niet nader in, omdat beide onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis die ze met de gestorvene had opgebouwd. De leerlingen lopen richting huis na het lege graf te hebben aanschouwd. Maria, als was het graf een kamer die met aandacht is ingericht, ziet de attributen rondom de leegte, de lijkwindsels, de zweetdoek, apart, ineengerold op één plek, en gaat na wat de leegte met de ruimte van het geopende graf, de attributen en haar doet. Door de ruimte op zich te laten inwerken, zich te realiseren wie er niet is, ziet ze uiteindelijk beter wat er wél is en herinnert zich de persoonlijkheid van de overledene, die met zijn afwezigheid in deze gedenkplaats uitdrukking geeft aan wie hij was. Jezus van Nazareth liet zich noch inkapselen, noch inmetselen: noch door kaders, noch door definities, noch door identiteiten, noch door polemiek, noch door schriftgeleerdheid of aanhaligheid.

Maria, een welgestelde vrouw, die soms verstrikt kon raken in haar vermogen en uit eigen ervaring wist, hoe ingewikkeld het leven kan zijn, maar nu heeft gezien, gaat geloven in wat het lege graf haar te zeggen heeft: dat een mens kan opstaan uit haar of zijn doden, deze opstanding kan leiden tot een lichaamstransformatie en je daarvan in trance kunt raken, kortom, een nieuw mens kunt worden. Over de opstanding, metamorfosen die telkens weer kunnen plaatsvinden wanneer mensen besluiten om de plaatsen die hen geen bewegingsvrijheid verlenen te verlaten, zowel in geografische en fysieke zin als in ons zelf, zingt ook Andra Day met haar Rise Up. U kunt deze opname via internet bekijken.

Het kan moeilijk, zelfs pijnlijk zijn de eigen gehechtheden los te laten, maar als je daarover niet blijft weeklagen en in beweging komt, dan kun je tot de ontdekking komen dat de werkelijkheid zich opeens kan tonen op een manier die je nog niet eerder hebt gehoord en gezien.  

Amen