Donderdag 30 mei 2019, ‘De Regenboog’ Leiden & zondag 2 juni 2019, ‘Hervormde Kerk’ Zevenbergen

Preek naar aanleiding van Ezechiël 1:25-28 en 1 Johannes 2:1-6 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Hemelvaart op donderdag 30 mei 2019 om 10.00 uur in het Kerkelijk Centrum De Regenboog te Leiden en voor de viering op zondag 2 juni 2019 om 10.00 uur in de Hervormde Kerk te Zevenbergen

Gemeente,

Hoe kent u ‘de’ werkelijkheid? Welke rol kan de ervaring spelen voor het opdoen van ‘godskennis’? Dit zijn twee vragen die de auteur van het boek Ezechiël en de schrijver van De eerste brief van Johannes je kunnen stellen.

Als je wilt beoordelen of een gekozen methode aansluit bij een kenobject, dan definieer je als onderzoeker eerst de centrale begrippen die in je vraagstelling meekomen. De methode moet garanderen dat het tot bepaalde resultaten leidt, zich kan identificeren met het gekende en de onderzoeker wordt geacht kennis te verwerven of liever nieuwe uitspraken te doen over het onderwerp dat zij of hij bestudeert. Voor het omschrijven van de begrippen hanteer je criteria tot je op een punt komt waarachter je niet verder terug kunt. Dan vallen er besluiten vanuit een eerste persoons perspectief.

Het benaderen van de werkelijkheid en het reflecteren op de toegang tot de werkelijkheid noemen we voor het gemak ‘het algemene’. Het vaststellen van bronnen en hun status met betrekking tot God betitelen we als ‘het bijzondere’. In de theologie leert een student met name theoretisch te reflecteren op de wijze waarop mensen spreken over God door die taal via rationele concepten te analyseren. Die begrippenkaders zijn vaak afkomstig uit de hulpwetenschappen. Als gelovige leer je ‘God’ onder andere ‘kennen’ vanuit de ervaring. Maar aan de ervaring zitten voor een theoloog die analytisch denkt nogal wat haken en ogen: de ervaring is veranderlijk, ze komt en gaat wanneer ze wil, lijkt niet echt een vaststaande structuur te hebben, is een eindeloze stroom en dermate subjectief, dat je er moeilijk een breed gedragen theologie op kunt bouwen. Een analyticus kan geneigd zijn de ervaring als grond te schuwen en een tikkeltje te minachten. Hoe kan nog enige systematiek worden aangebracht in de wereld van ervaringen?

Vandaag de dag lijkt er een kentering te zijn in de waardering van de ervaring als bron van kennis van transcendentie. Een verklaring zou kunnen zijn dat onze tijd, die continu aan verandering onderhevig is, zich leent voor geloof op basis van ervaring. In een leefwereld die dynamisch en mobiel is, ontwikkelen mensen een besef van de werkelijkheid die ook zelf grotendeels een maakbaar construct is. Vaststaande concepten, grote verhalen, permanente structuren, systemen en grenzen voldoen in een dergelijke leefwereld en realiteitsopvatting niet. Van een mens die in een flexibele werkelijkheid leeft, wordt gevraagd dat zij of hij verschillende scenario’s klaar heeft staan, snel kan switchen van de ene naar de andere denkstijl, concepten kan herijken en hervormen.

In zo’n flexibele wereld gaan mensen ook anders naar zichzelf kijken. Het zelfbeeld is minder omlijnd en substantieel, introspectie dat wil zeggen, de blik naar binnen wordt belangrijker en er is aandacht voor intuïties en sensaties. Een meer vloeibare samenleving vraagt denk ik ook om vernieuwing van het denken over geloof. De ervaring zou ook voor de religie in de eenentwintigste eeuw weleens de vindplaats kunnen zijn voor de geestelijke toegang tot God. Ook in protestantse kring is er een herwaardering van ervaring als bron van geloof te zien.

Een ‘evenement’ als hemelvaart en het visionaire karakter van de teksten uit Ezechiël een vers vijfentwintig tot achtentwintig en 1 Johannes twee vers een tot zes passen bij een geloofsbeleving die de ervaring, waaronder je het gemoed en de beleving kunt rekenen, voor vol aanzien. God is te zien als de inhoud van een menselijke ervaring die zich van andere ervaringen onderscheidt, doordat bij de godservaring de realiteit van de inhoud van deze ervaring alleen door de realiteit van de ervaring wordt gewaarborgd. Het tijdelijke en bijzondere karakter van die ervaring maakt het soms moeilijk erover te communiceren en er onderzoek naar te doen. In beschrijvingen van hemelvaarten staan de achtergeblevenen vaak nog wat beteuterd te kijken, praten na en gebruiken beelden als ‘de beslagen ruit’, ‘een wazige spiegel’, ‘nevelen’ of ‘wolken’ om uit te drukken dat ze een sterke ervaring van transcendentie hebben gehad, maar dat niet helder is wat de inhoud van die ervaring behelsde.

In het alledaagse leven doen mensen voortdurend ervaringen met het transcendente op. De handelingen die een mens uitvoert en de spreekwijzen waarvan een mens zich bedient, laten zien dat zij of hij zich daarmee bekent tot een bepaalde werkelijkheid. In de vragen die je stelt, de twijfels die je hebt, ontkenningen, erken je een zekere werkelijkheid. Je doet ze op basis van een beeld van de werkelijkheid. Je vertrekt zogezegd ergens vandaan, spreekt vanuit een plaats die dat spreken mogelijk maakt. Naast de achtergrond waartegen je spreekt, is er de horizon in relatie waartoe je spreekt. Er is de grond, het waarvandaan, dat elke vorm van reflectie mogelijk maakt, en het waarnaartoe, dat iedere beweging tot doel heeft. Die ‘grond’ is een geheim, omdat het niet transparant is. Mensen zijn er op de wereld als op een gemaskerd bal: je kunt de ander vragen haar of zijn motieven te formuleren, maar de vraag is maar of je met die articulaties iemands drijfveren op het spoor bent. Er zitten zoveel kanten aan het gedrag van een mens die voor haar- of hemzelf vaak ondoorzichtig zijn.

Hemelvaart staat voor de onbegrijpelijke volheid van de werkelijkheid. Hemelvaart herbergt oorden van ervaringen met transcendentie die ook hier en nu te beleven zijn: in de helderheid van geestelijke kennis, in de ervaring van radicale twijfel, in de fundamentele impuls tot gewetensverplichting, in de angst, in vreugde en hoop, en in de ervaring van de dood. Al die ‘ervaringsoorden’ voeren terug op of oriënteren zich aan een grond die in de alledaagse ervaring voor mensen onzichtbaar is.

Je kunt die ‘grond’ – ik gebruik de metafoor ‘grond’, maar er zijn vast ook andere metaforen of begrippen voor te bedenken – als mens niet doorzien of ‘bemachtigen’. De mens die zich dit waarnaartoe van deze ervaring al wordend voorstelt, drukt het het stempel ‘God’ op of geeft het de term ‘hoogste wezen’ mee. Als God gerelateerd is aan de innerlijke structuren van de mens en in het bijzonder van de nog niet verwerkelijkte mens, die zich al wordend in de richting van God beweegt en ‘de heerlijkheid ingaat’, dan is God geen vaststaande entiteit.

Dat losse godsbeeld komt ook naar voren bij de auteurs van Ezechiël en 1 Johannes. Wat je je als lezer(es) van het boek Ezechiël mag realiseren, is dat het is nagelaten aan een gemeenschap van gelovigen, die dit werk niet als afgesloten en onveranderlijk beschouwden. Het karakter van de theofanie, met de klassieke onderdelen van wind, vuur en licht, leent zich voor aanvullingen. Wat de profeet in Ezechiël in zijn vergelijkingen doet, is niet ‘het onuitsprekelijke’ of de empirische verschijningsvorm van een object of persoon beschrijven, hij wil een ervaring delen. Hiervoor maakt hij gebruik van het visioen als literaire vorm.

Net als in de priesterlijke traditie was ‘heerlijkheid’ erg belangrijk voor Ezechiël. Heerlijkheid duidt op een vorm van presentie, waarbij ‘de Ene’ tegenwoordig is op vreemde, in dit geval Babylonische, grond. Ezechiël deelt mee dat hij heeft ervaren dat God zonder tempel ‘in het buitenland’ met een mens meereist. Daarmee steekt hij de joden die in de diaspora leefden een hart onder de riem. God is niet gebonden aan een tempel, de institutionele religie of ingekaderde ideeën. Waar een mens zich bevindt, daar mag zij of hij ook haar of zijn God ervaren. Met die uitspraak van Ezechiël is veel duidelijk gemaakt, dingen zijn nu helder, opgelost. Heen en weer geslingerd tussen verschillende werelden met verschillende ‘wetten’, kreeg de in de verstrooiing levende jood nu bevestiging, het zelfvertrouwen dat zij of hij zo nodig had.

Ook de oude mysticus die wij kennen als Johannes schrijft in het kader van pastorale zorg. De geadresseerden van zijn brief leefden verspreid, enkelen zijn verhuisd en met die verhuizing komen zij in aanraking met hele andere denkwerelden. Wellicht kent u de ervaring dat met veel reizen en het opdoen van buitenlandervaring de kennismaking met andere culturen ertoe kan leiden dat de eigen culturele concepten ter discussie komen te staan en gerelativeerd worden. Dat deden de nieuwkomers die waren opgegroeid in de Johanneïsche gemeente ook. Ze ontkenden de historische en fysieke realiteit van geestelijke ervaringen, zagen geen verband tussen X en Y, stelden kritische vragen over beweringen die niet congrueerden met praktijken en waarmee de geloofwaardigheid in het geding was.

De auteur nu gaat de eenheid bewaren door onderricht te geven in de nuances van het geestelijke leven. Via ‘de wijsheid’ en het oefenen van onderscheidingsvermogen hoopt hij te voorkomen dat zij schade aan de ziel oplopen. Het is een brief waarin hij fundamenteel stelling gaat nemen voor de ervaring als bron van geloof en ‘middel’ voor de manifestatie van God. Deze Johannes gaat geen bijdrage leveren aan bestaande theorievorming, hoeft z’n uitspraken niet wetenschappelijk te verantwoorden en laat z’n overtuiging ook niet door een commissie toetsen. Hij heeft zich wel drie basale vragen gesteld, voordat hij z’n briefje liet circuleren, namelijk: wat is geloof? In welke menselijke mentale capaciteiten vindt geloof z’n oorsprong? En, hoe ontstaat geloof? Een actuele identiteitscrisis en het denken over geloof in het leven van veel van zijn pastoranten had ertoe geleid dat hij zich opnieuw ging bezinnen op de menselijke godsdienst en ging de ervaring als een bijzonder vermogen tot godskennis zien.

Voor Johannes kan een mens ‘God’ of liever ‘de eigen waarheid’ bereiken door innerlijke activiteit, die wordt gevoed door een geestelijk leven. Een mens vormt zich allerlei gedachten, maakt keuzes, doet ervaringen op en beleeft geloof in dagelijkse situaties. In die bestaanswijzen kan God inwoning maken in de gelovige, die op haar of zijn beurt iets van het goddelijke leven naspeelt. Een vraag die bij Johannes’ pastoranten speelt is: representeert het uiterlijke het innerlijke? Grote aandacht besteedt hij dan ook aan de geestelijke verwerving van het goddelijke leven door aandacht voor de innerlijke dimensie van het leven en de uiterlijke daden die mensen verrichten. Hij ‘bestudeert’ de vormen van dynamiek tussen beide en gelooft dat God de verzamelnaam is voor de verbondenheid met elkaar. Die gemeenschap zou wat hem betreft ook op afstand de werkelijkheid van God mogen spiegelen, door het goddelijke leven, moderner vertaald ‘het nieuwe denken’ als uitgangspunt voor het eigen handelen te nemen. Dat vraagt wat hem betreft wel van een mens dat zij of hij uit geest geboren wordt, een metamorfose naar een andere bestaansvorm ondergaat, die je persoonlijkheid verandert.

Wie als moderne gelovige op zoek is naar een standaard voor de aanwezigheid en het genereren van nieuw leven, kan zich richten op een innerlijk principe, waardoor je iets kunt realiseren dat leidt tot ‘godskennis’. God laat zich dan (be)schrijven in je binnenste. Voor die methode is nodig in te stemmen met de ervaring en toestaan dat die ervaring allereerst een weg is met jezelf, om vervolgens te ontdekken dat je wandelt met God de heerlijkheid in, de ultieme vrijheid tegemoet.

Amen

De Open Hof Ede, 10 december 2017

Preek naar aanleiding van Exodus 32:7-14 en Lucas 15:1-10 uit de Naardense Bijbel voor de viering op de tweede zondag van Advent op 10 december 2017 om 10.00 uur in De Open Hof te Ede

Gemeente,

In onze cultuur zijn pogingen ondernomen om het verschil tussen transcendentie en immanentie uit te drukken. ‘Immanentie’ staat voor wat binnen onze ervaringswereld ligt – wat we bijvoorbeeld kunnen zien, horen, ruiken, voelen, beleven en vasthouden. ‘Transcendentie’ staat voor wat die waarnemingen overstijgt, wat daar bovenuit gaat, wat dat transcendeert, datgene waarnaar je kunt opklimmen en wat je mogelijk nooit bereikt.

Ik wil u uitnodigen de tekst uit Exodus tweeëndertig te herlezen door de bril van een gedicht van Ida Gerhardt, een toneelstuk van Samuel Beckett en het animatiefilmpje Father and Daughter. Die drie kunstuitingen kunnen ons denk ik leren beter te begrijpen wat dat is, wat godzoekers bezighoudt. Het zijn pogingen een verhouding aan te gaan met een ‘werkelijkheid’ waarvan je wel een voorgevoel kunt hebben, maar die zich niet laat waarnemen.

Ida Gerhardt schreef het gedicht Onder vreemden dat luidt als volgt:

Het speelt het liefste ver weg op het strand,
het kind dat nooit zijn eigen vader ziet,
die overzee is in dat andere land.
Het woont bij vreemden en het went er niet.
Zij fluisteren erover met elkaar.
Heimwee huist in zijn kleren en zijn haar.
En altijd denkt het dat hij komen zal:
vandaag niet meer; maar morgen, onverwacht
– en droomt van hem en roept hem in de nacht.
Ik wacht u, Vader van de overwal.

Ik zal het nog een keer voordragen. Het speelt het liefste ver weg op het strand (…).

Het mensenkind dat gelovig op weg is naar wat haar of hem met verlangen vervult, staat dagelijks op de uitkijk. Een kind dat opgroeit op een schippersinternaat en aan den lijve ervaart wat het betekent te leven met een afwezige moeder en vader staat te popelen van ongeduld als er post komt.

In 1952 schrijft de auteur Samuel Beckett het toneelstuk En attendant Godot (Wachten op Godot) en er bestaat discussie over of je Godot kunt laten samenvallen met God. Het decor is minimaal, er staat eigenlijk alleen een boom. In een kale omgeving geeft die boom het tijdsverloop aan – bladeren, het ontbreken van blad, de kleur en grootte ervan. De boom is de ontmoetingsplaats voor de personages Vladimir en Estragon. Terwijl beide vrienden elkaar treffen en wachten – de vraag is op wie of waarop – gaan zij met elkaar in gesprek. Het lijkt erop dat gaandeweg het toneelstuk de vraag of Godot nog aan de einder gaat verschijnen steeds meer naar de achtergrond verdwijnt. In de dialogen die zich tussen de vrienden ontspinnen, is de een voor de ander klankbord en vraagbaak ten overstaan van wie hij zijn eigen visies en daadkracht ontwikkelt. Estragon en Vladimir ontwikkelen hun persoonlijkheid des te sterker, naarmate zij dag in dag uit met elkaar converseren. Ondertussen kunnen zij wachten tot zij een ons wegen, Godot is en blijft de grote afwezige. Frappant genoeg is Godot in het besef van die afwezigheid nadrukkelijk aanwezig. Hij is onderwerp van gesprek en voor Vladimir en Estragon reden genoeg elkaar telkens weer op te zoeken. Dat gegeven van absentie blijkt in het stuk steeds minder van belang, aangezien beide heren zich aan elkaars gezelschap scherpen en warmen, de eigen individualiteit aan de oppervlakte komt en hun vriendschap zich verdiept.

Jaren geleden waren de modeontwerpers Viktor en Rolf te gast in het televisieprogramma Zomergasten. Een van de items die zij de kijker lieten zien en die uitgangspunt vormde voor het tafelgesprek was een filmpje waarin pentekeningen van een fietsende vrouw op een dijk aan elkaar waren gemonteerd. De beginbeelden tonen een meisje dat afscheid neemt van een man in lange mantel die in een roeibootje vertrekt. Energiek, haren in de wind fietst ze als jonge vrouw op een omafiets een heuvel op, volgt een dijk, staat stil en parkeert haar fiets op de plaats waar ze ooit afscheid nam van deze man.

Ze houdt daar halt en blijft staan wachten, hopend, aldus de suggestie, op een man die niet komt. De gang naar de uiterwaarden blijft zich herhalen. Het wordt een patroon, een ritueel uit te zien naar de onbekende figuur die niet komt opdagen. De tijd verglijdt, de vrouw wordt ouder, soms fietsen anderen met haar mee of zitten op de bagagedrager. Het filmpje brengt fragmenten van haar levensloop in beeld. Het fietstempo vertraagt, het staal piept en kraakt, de vrouw draagt haar haar inmiddels in een knotje. Ze is nu werkelijk een oma op een fiets en loopt met moeite door het helmgras naar die steevaste plaats. Ze vindt de gestrande, deels door zand overwaaide roeiboot en gaat in gebogen houding tegen de gekantelde flank liggen. Mogelijk is ze aan het einde van haar krachten of wil ze de roeiboot, die tastbaar verbonden is met herinneringen aan de man, ten volle in zich opnemen. En wie verschijnt daar op dat moment op het toneel? De man in de lange mantel die haar in zijn armen sluit. Wie het animatiefilmpje religieus duidt, heeft een verdedigbaar verhaal als zij of hij de vrouw uitlegt als de mens die snakt naar godsontmoeting vanuit het idee van geborgenheid. Laat ons nu naar dit animatiefilmpje kijken.

‘De Ene’ wordt in onze tekst antropomorf geportretteerd als een driftkikker, een mens die nog geen manieren heeft gevonden haar of zijn boosheid te reguleren. Ik citeer: “De Ene spreekt tot Mozes: Ga, daal af! – want die gemeente van jou heeft het verdorven.” En verderop: “(…) gezien heb ik deze gemeente en ziehier, een gemeente hard van nek is het! – welnu, laat me met rust, dan kan mijn toorn tegen hen losbranden en zal ik hen verteren.” Allerlei emoties worden hem toegedicht. Een geraas en getier van jewelste is het. ‘De Ene’ is buiten zichzelf van woede, uitzinnig, nog even en hij slaat helemaal op tilt. Hij krijgt spijt dat hij uit z’n slof is geschoten, dat hij zich zo heeft laten gaan. Kan het menselijker? Het dreigement in vers tien “Laat me met rust, dan kan mijn toorn tegen hen losbranden en zal ik hen verteren (…)” is een beroep op geweld, het uitoefenen van druk dat voor de auteur een retorische functie heeft. Ook de auteur was bekend met het intermenselijke verschijnsel dat wie haar of zijn zin niet krijgt, terrein begint te verliezen, zich mogelijk halsstarrig gaat gedragen.

Wat speelt zich in de tekst nu af? De gemeente vormt een groep mensen die allen hebben ervaren wat het betekent in de vrijheid te zijn gezet. Ik zeg het nadrukkelijk passief, want de traditie waarin dit verhaal staat erkent dat een situatie van in onderdrukking leven, grenzen met zich meebrengt ten aanzien van de mogelijkheden jezelf van die dwingelandij te bevrijden. Ondanks die bevrijding lijkt het nog niet zo gemakkelijk in vrijheid te leven. Wat het betekent vrij te zijn in bewegen en handelen, is voor de gemeente geen eenvoudige opdracht. Zij zal zich dienen af te vragen hoe ze die vrijheid wil invullen en ‘garanderen’. Ze heeft zich verheugd op de komst van een figuur die een tijdperk inluidde waarin de tiran geen poot meer had om op te staan. De langverwachte naar wie gehunkerd werd, heeft zijn entree gemaakt en de deuren naar een verlost leven opengezet. Die verlossing lijkt vervolgens reden te geven het eigen bestaan te beveiligen. Uit ongeloof, wanhoop of de behoefte aan houvast, probeert de gemeente concreet gestalte te geven aan ‘die onzichtbare hand’ die hen weer opgelucht adem deed halen. De schaduwen op de wand van Israëls grot worden dan niet alleen onterecht gehouden voor de werkelijkheid van ‘God zelf’, de devote attitudes van buigen, offeren en aanbidding zouden weleens wederom de portee kunnen vormen voor een gemeente die zichzelf kleiner maakt dan nodig, zich vernedert, wegcijfert en nog meer van die religieus gelegitimeerde houdingen. Het mensbeeld dat impliciet in de tekst naar voren komt en op het spel staat, is dat van een die fier, met rechte rug haar gang in de wereld gaat. Een protestant zou de joodse auteur kunnen zien als een protestant avant la lettre: beelden zouden per definitie verdacht zijn. Het punt is echter dat de gemeente ‘de één niet voor een ander aanziet’ en het resultaat van beeldenverering niet is, dat het beeld een tiran wordt die haar onder de duim houdt en de eigen vrijheid onnodig beknot.

In onze cultuur wijst veel erop dat we het idee van transcendentie hebben opgegeven en menig mens zich volledig verzoend heeft met de zich omringende, zichtbare, empirische werkelijkheid van ‘het kalf’. Nietzsches dolle mens die met een lantaarn in de hand op het marktplein God zoekt, doet dit tegenover toehoorders die het idee van God allang hebben opgegeven. Vandaag de dag is de godszoeker nog net zo dol. Zij of hij is eerder uitzondering dan regel en wie haar of zijn godsidee nog niet heeft verloren, heeft een seculier, atheïstisch publiek wat uit te leggen. Wie echter haar of zijn God is kwijtgeraakt, hoeft niet meteen een andere te omhelzen of die voor God aan te zien. De ruimte die vrij komt na godsverlies kun je ook open, leeg laten. Wilt u in het licht van die woorden het gedicht Deïsme van Gerrit Achterberg beluisteren?

De mens is voor een tijd een plaats van God.
Als je die som aftrekt van iedereen,
blijft er een kerkhof over met een steen,
waaronder ligt, die was gekomen tot deze voleinding,
dit abrupte slot.

Maar God gaat verder,
strijkt over hem heen in zijn miljoenen.
God is nooit alleen,
want hij bestaat uit levensoverschot.

Wij zijn voor hem een vol benzinevat,
dat hij leeg achterlaat en zonder spijt.
Sedert hij voortbeweegt en zich verspreidt,
gingen wij dood en liggen langs het pad.
Als niet de herder Jezus Christus kwam
om ons te vinden als verloren lam.

Ik zal het gedicht herhalen. De mens is voor een tijd een plaats van God. (…)

De dichter brengt een gezichtspunt naar voren dat ook in het Lucasevangelie naar voren komt en wel is uitgelegd als kenosis, ontlediging. De keuze (je) God vaarwel te zeggen, afstand te doen van religieuze overtuigingen en uitspraken waarmee je jezelf kunt behangen om goede sier te maken of jezelf een plaats te verwerven in het bestaan, blijkt een conditie waarin ‘de ene van Nazareth’ om de hoek komt kijken. Het is als met een gevonden voorwerp dat, opgeraapt, langs de kant van de weg door een willekeurige voorbijganger aan een lantaarnpaal of bankleuning is bevestigd, die het op die manier een prominente plaats verleent, in de hoop, dat de eigenaar het alsnog in het oog krijgt.

Een waarde die de evangelist hoog in het vaandel heeft staan, is collectiviteit. Een mens hoeft weliswaar geen kuddedier te zijn, maar als het aan de evangelist ligt, behoeven individuen die al te autonoom opereren enige correctie. Op weg naar volwassenwording speelt individuatie een belangrijke rol – een kind maakt zich los van haar of zijn ouders om ooit zelf op eigen benen te staan. Een ‘natuurlijk’ proces dat past binnen de twee kernwaarden ‘mondigheid’ en ‘zelfstandig denken’ die in West-Europa sinds de verlichting als groot goed worden gezien. In Oosterse culturen wordt een mens, meer dan in West-Europa, gezien als een sociaal wezen dat onderdeel uitmaakt van gemeenschappen. De overtuiging is dat een mens zich ook op individueel niveau beter ontplooit als het verweven is en blijft met een sociaal netwerk. Als ik om me heen kijk, zie ik dat collectieven, zij het in sterk vermagerde vorm, in West-Europa weer mogen. Kleine groepen mensen ontwikkelen rond een gezamenlijk gedroomd ideaal initiatieven met als doel iets van de grond te krijgen. De evangelist zou die vormen van gemeente-zijn vast toejuichen.

De vraag, ongeacht de cultuur, is echter waarom het ene schaap aan de wandel gaat en zich afscheidt van ‘de kudde’. Voor een individualist is een collectief al snel ‘een massa’ – een woord dat voor haar of hem een negatieve connotatie heeft. Ook Jezus is een uitgelezen voorbeeld van iemand die het slachtoffer werd van ‘een systeem’. Een gemeenschap kan fungeren als een alibi niet je eigen weg te durven gaan. En als er ook maar één mens is die lijdt onder het heelal van groepsmoraal, politieke correctheid of ‘wat algemeen redelijk is’, dan zou mijn pastorale advies zijn: maak dat je wegkomt.

Amen

Open Hof Bleiswijk, 13 augustus 2017

Preek naar aanleiding van Hooglied 5:9-6:3 en 1 Johannes 5:9-15 uit de Naardense Bijbel voor de viering op de achtste zondag van de zomer op 13 augustus 2017 om 09.30 uur in de Open Hof te Bleiswijk

Gemeente,

Als ik de cijfers mag geloven rondom echtscheiding en het aantal mensen dat kampt met relatieproblemen, is er weinig reden voor een hallelujastemming op relatiegebied. Wat beweegt mensen een relatie met elkaar aan te gaan, het via een samenlevingscontract of huwelijk voor een leven lang met elkaar te wagen en een hecht paar te vormen? Welke verwachtingen, verlangens en hoop koester je bij de relatie? Hoe kun je er zorg voor dragen dat beide levenspartners afzonderlijk, en de relatie zelf liefdevol blijven? Hoe blijf je in een relatie in contact met jezelf, ontvankelijk voor de ander en vergroot je de intimiteit? Hoe houd je de vinger aan de pols bij wat er bij de ander leeft, wat zij of hij nu belangrijk vindt en hoe breng je verdieping aan in je relatie? Hoe maak je je behoeften kenbaar en vertrouw je twijfel, angsten en leed aan elkaar toe? Hoe creëer je kwaliteitstijd voor de relatie en stimuleer je de liefde?

In de predikantspraktijk ontmoet ik mensen die hun huwelijk kerkelijk willen laten inzegenen. De religieuze vormgeving van een huwelijksinzegening vraagt tijd, aandacht en is ingebed in een breder zingevingsnetwerk. Als stellen op gesprek komen, stel ik hen vragen om een beeld te krijgen van hun persoon en wie zij volgens henzelf in de relatie zijn. Soms blijkt het nog knap lastig te articuleren wat een levenspartner in de ander ziet en de emoties, gevoelens en beleving die daarmee samenhangen. Een pastor kan taal, symboliek, rituelen, spiegelverhalen, gebeden en vertelkunst aanreiken om die onderlinge verbondenheid talig en visueel gestalte te geven.

In diezelfde praktijk ontmoet ik ook mensen met verbroken relaties of partners die een scheiding overwegen. Aan dat besluit, zo komt in gesprekken naar boven, gaan vaak verstoringen op het gebied van communicatie en het onvermogen patronen te doorbreken vooraf. Er is bijvoorbeeld niet evenveel ruimte voor beide partijen om ideeën in te brengen. Mensen gaan langs elkaar heen leven, ergeren zich aan elkaar doordat de praktische kanten van een gedeeld huishouden gaan overheersen. Geliefden gaan elkaar argwanen, begrijpen de wereld waar de ander uit komt niet voldoende. De verwachting van de ander als tegenover die kanten in je aanspreekt die je tot dusver nog nauwelijks hebt ontwikkeld, komt niet uit. Zielen die ooit niet van elkaar af konden blijven, ontlopen elkaar, sluiten zich op in hun eigen wereld, er klinken verwijten door in wat de ene partner tegen de ander zegt of er is een derde in het spel.

De vreugdestemming waarin je ooit trouwde en de liefdesliederen die je er zong, zijn omgeslagen in verdriet, teleurstelling en een klaagzang. Als dergelijke relatieproblemen stand houden of verergeren dan biedt de beroepsgroep van psychologen en psychotherapeuten in de vorm van relatietherapie of consulten vaak handvatten om aan de relatie te werken. In de counseling worden veelal inzichten uit de systeembenadering, psychotherapie, communicatiewetenschappen, cognitieve psychologie en gedragstherapie verdisconteert die op de relatie worden toegesneden.

In onderscheid van een psychologische benadering, bieden het pastoraat en de geestelijke verzorging een meer theologische en narratieve benadering van relatieproblemen. Ze werken met andere modellen, mensbeelden, bedienen zich van een andere taal en leggen bijvoorbeeld accenten bij structuren van de relatie en narrativiteit, dat wil zeggen: de verhalen die mensen over zichzelf en de ander vertellen. Een belangrijk punt daarbij is als pastor op zoek te gaan naar aanknopingspunten voor transcendentie in die relatieverhalen. Via gesprek gaat een pastor na op welke plaatsen mensen hun gesitueerdheid overstijgen, waar hun bevlogenheid ligt en schept zij mogelijkheden. Religieus gesproken is de vraag hoe ‘God’ oplicht in de verhalen van mensen, hoe zij hun ziel opnieuw in God kunnen dopen en op welke manieren de transcendentie kan worden vergroot.

Wie ‘de fictieve ander’ in die gesprekken naar voren brengt en die je meer algemeen als ‘de grond van je eigen vrijheid’ kunt beschrijven en die door een religieus gelovige ‘God’ wordt genoemd, kan bovendien tot de ontdekking komen dat ‘wie voor God leeft’ ook in een relatie ten langen leste niet afhankelijk is van de waardering, erkenning en invloed van de partner. Je spiegelen aan de fictieve ander en de relatie daaraan ondergeschikt maken is wat we kunnen leren uit 1 Johannes vijf vers negen tot vijftien.

In de passage komen een aantal zwaartepunten naar voren die je kunt omsmeden naar vragen en vormen van aandacht die een relatie vruchtbaar maken. Wie naar het gedrag van haar of zijn partner kijkt, observeert waar haar of zijn zintuigen op reageren en luistert hoe de ander spreekt, kan zich afvragen waarvan de ander getuigt en begrijpen in welke overtuigingen de ander is geworteld. Een tweede vraag is: wat gelooft die ander? en dan doel ik niet zozeer op een inhoud, maar op een verlangen dat die ander wil verwezenlijken en hoe je de relatie zo vormgeeft dat je voorziet in wegen waarop de ander zich naar de uitwerking van dat verlangen kan toebewegen. In dat geval moedig je de partner aan en schenk je vertrouwen. Een derde aandachtspunt is attent te zijn op de mate waarin beide partners vrijheid van spreken hebben. Is er een gelijke verdeling van spreektijd? Komen beide partners evenveel aan het woord?

De situatie waarin wij de geliefde in Hooglied vijf vers negen tot zes vers drie ontmoeten is er één waarin ze verhinderd is op zoek te gaan naar haar lief. Ze schakelt de dochters van Jeruzalem in haar te helpen zoeken naar het ‘object’ van haar begeren. Zij zouden als intermediairs berichten dat de beminde ziek van liefde is. Dat verzoek roept bij de dochters vragen op over zijn profiel: hoe ziet hij eruit? Waaraan is hij te herkennen?

Dan komt de vraag die in aanloop naar een samenlevingsvorm tussen twee geliefden een rol speelt en zich soms nauwelijks laat beantwoorden, namelijk: wat is er zo speciaal aan hem of haar dat je uitgerekend aan hem of haar een eed wilt zweren? De beminde geeft antwoord op deze vragen via een beschrijvend loflied op de minnaar. Via het gedicht worden gevoelens uitgesproken en een ondersteunend klimaat geschapen dat uitnodigt tot groei en het waarmaken van mogelijkheden.

Hoe gaat de dichter van het Hooglied te werk? En, hoe slaagt hij erin een tekst neer te zetten die ervoor kan zorgen dat twee van elkaar verwijderde partners weer nader tot elkaar kunnen komen? Via het loflied vergroot hij de afwezige uit. De fysieke afwezigheid van ‘de ene geliefde’ die voor een verliefde jonge vrouw in het Oude Nabije Oosten een levenspartner was en voor een religieus gelovige ‘God’ kan zijn, doet het besef ontluiken hoe sterk de band van de liefde is. Paradoxaal genoeg lijkt wel alsof de absentie van je lief, een onderbroken vereniging, innerlijk toont hoe een persoon in je aanwezig is. Iemand is lijfelijk mijlenver weg en in de eigen voorstellingen toch ook zo dichtbij.

Wat de dichter doet is dat hij de beminde de geliefde laat roemen. De beminde geeft de geliefde complimenten op een wijze waaruit blijkt wat en waarom de beminde daar zo vol van is en door weer te geven wat de ander heeft bijgedragen aan wat hij voor haar betekent. De dichter wordt heel specifiek in z’n beschrijvingen en spitst die toe op de persoon. Het zijn twee communicatietechnieken die interactie mogelijk maken doordat de geliefde zich er in het bijzonder door aangesproken zal weten. De beminde prijst de schoonheid van de geliefde door de afzonderlijke ledematen van boven naar beneden te verheerlijken. Een afbeelding van het gezicht is ook het eerste waarnaar wordt gevraagd bij officiële documenten en profielschetsen omdat het hoofd het lichaam representeert. Mensen hebben pas het idee dat ze de ander hebben gezien als ze er letterlijk een gezicht bij hebben.

De bewondering die de beminde voor de geliefde koestert, straalt af op haar woordkeus: kostbaar is de geliefde in haar ogen, oogverblindend mooi. De ogen en het hoofd van de minnaar worden beschreven met visuele beelden, kleur, schittering en vergeleken met bewegende duiven. Voor wangen en lippen wordt geur gebruikt en het beeld van een kruidentuin opgeroepen. Wangen zijn als torens van kruiden en lippen als lelies. De keuze van beelden die de dichter maakt, is van belang voor het begrijpen van het gedicht. Door de geurbeelden suggereert de beminde haar vereniging met de minnaar en wellicht herinnert ze hem aan plaatsen waar zij eerder gezamenlijk hebben vertoefd. In haar beschrijvingen maakt ze duidelijk waar zij naartoe getrokken wordt. De armen, het bovenlijf en de benen vergelijkt ze met kostbare materialen. In het algemeen is de beminde onder de indruk van de schoonheid van de minnaar en tot in de details prijst ze zijn voorkomen. Nu hebben ook de dochters een beeld bij de geliefde aan de hand waarvan ze hem kunnen herkennen en zijn ze gemotiveerd naar hem op zoek te gaan.

Religieuze liefdespoëzie kan functioneren als een consult tijdens ‘stadia’ op de eigen levensweg waarin je relatie met ‘de ene’ in het slop raakt, er sprake is van partnerrelatieproblemen. Het kan je op weg helpen je over te geven en terug te keren tot de liefde als ‘een goddelijke grond’, het bewuste niveau van de innerlijkheid waardoor je in staat bent schoon en goed met je lief te spreken.

Amen