Zondag 8 juli 2018, Kerkelijk Centrum Emmaüs Ede

Preek naar aanleiding van Jeremia 20:7-13 en Matteüs 10:16-33 uit de Bijbel in Gewone Taal voor de viering op zondag 8 juli 2018 om 10.30 uur in het Kerkelijk Centrum Emmaüs te Ede

Gemeente,

Jeremia was een priester die met de grootst mogelijke vanzelfsprekendheid zijn roeping aanvaardde. Hij was als kind veel in de tempel te vinden, hield van de rituelen en symbolen, en voerde de taken die hij daar had secuur uit. De werelden die de wierook, kaarsen en kleur opriepen, spraken tot zijn verbeelding. Ze vermengden zich met de vluchtigheid van het woord en gaven er concreet gestalte aan. Voor die sfeermakers zou Jeremia zijn leven lang oog blijven houden.

Jeremia had een democratische opvoeding genoten. Er waren regels waaraan hij geacht werd zich tot de puberteit te houden en die werden uitgelegd, beargumenteerd en stonden in het teken van zijn ontwikkeling. Zijn opvoeders hadden oog voor zijn persoonlijke interesses en gaven, en probeerden die te stimuleren. Jeremia was een artistiek kind, maakte graag nieuwe dingen en musiceerde er op los.

Het liefst schreef hij zijn eigen teksten en componeerde nieuwe muziekstukken. Uren achtereen zinspeelde hij soms op een schoon woord of een treffende noot, sloot zich in de nok van het gebedshuis op en wachtte op een moment van flow, waarin hij heel precies zijn visies en ervaringen van dat hemelse baldakijn waarin hij zich bevond, te veruiterlijken. Jeremias verbeelding was bijna grenzeloos en het waren de maatstaven van Israëls heiligdom, namelijk de discipline, de opeenvolging van handelingen en de liturgieën die dat wisten in te tomen en te kanaliseren. De leefwereld waarin Jeremia opgroeide was volwassen en de mannen die er rondliepen hadden vrouwelijke trekken.

Jeremia was gevoelig voor stemmingen en baseerde zijn besluiten vaak op zijn intuïtie. Zo ook zijn roeping. Hij leefde van de stilte, stemde zijn gehoor af op ‘de tijding van de Ene’ en had zich op religieuze gronden bestemd gevoeld tot het priesterschap. Totdat de politieke onrust in het Nabije Oosten toenam, de tempel in Jeruzalem instortte, en daarmee ook de idealen en waarden waar Jeremia in geloofde op losse schroeven kwamen te staan.

De mensen die hij wekelijks zo niet dagelijks in de tempel trof, waren niet langer gemeenteleden, maar werden ballingen. De pastorant aan het ziekbed werd een gedetineerde, de diaconale vrijwilligers slaven. De kleuren in Jeremias wereldbeeld waren verbleekt, zijn literaire en muzikale productie stopte en zielzorg leek plotsklaps een luxeartikel.

Ook ditmaal, zo dacht Jeremia, stond de Ene op de stoep. Niet om hem met gefluister of gezang zachtkens als priester naar voren te schuiven. Hij bonkte op zijn deur, hamerde op zijn slapen, beval dat Jeremia het als profeet op zou nemen tegen koningen, landvoogden, edelen, priesters en profeten. Zijn kooralbe – dat is een religieus gewaad met wijd uitlopende mouwen en een kap aan de rugzijde dat fungeert als gebedsmantel -, stola’s, koord, liedbundels, wierookdrager, scheepje, kelken en schalen kon hij thuislaten. Hij zou nu bovenal zijn intellect en in voorkomende gevallen zijn vuisten nodig hebben om zich kritisch tot man en macht te verhouden.

Jeremia had tegengesputterd, vond zichzelf geen geschikte kandidaat. Het protest, scanderen in spierballentaal, via argumentatie een maatschappelijk debat voeren, strijden om het eigen gelijk; het waren zijn vormen niet. Hij deinsde terug voor die stijl. Jeremia wil zingen, niet schreeuwen.

Maar de Ene, aldus Jeremia, bleef aandringen en had hem ‘verleid’ of liever – zo zou Jeremia het later verwoorden – in de val gelokt. Jeremia had niet de ruimte ervaren ‘nee’ te zeggen. De Ene ging niet akkoord met een weigering. Met tegenzin had Jeremia gevolg gegeven aan een publiek optreden en het was een kwelling voor hem. Het ‘godswoord’ dat voor hem als jonge priester een bron van inspiratie was geweest, waardoor het leven zich naar alle kanten opende, was een bron van ellende geworden. Zijn expressies die eerder zo bevrijdend hadden gewerkt en scheppend van aard waren, zorgden nu voor spanning en onzekerheid. Terwijl hij op een zee-engte tussen Charybdis en Scylla voer, droogden zijn ingevingen op.

Jeremia had zich bedrogen gevoeld, want zijn publieke optreden was telkens weer op een fiasco uitgelopen. Zijn klachten over de catastrofe van de ballingschap en de aanklachten die hij tegen daders richtte, haalden weinig uit. Hij maakte zich bespottelijk en voelde hoe hij door al dat gemoraliseer afstompte. En hoe harder hij riep dat ‘de Ene’ met hem was, hoe minder zijn opponenten hun rede hoefden in te zetten, en des te meer Jeremia zelf niet langer in zijn exclamaties geloofde.

Waardoor lijdt de mens Jeremia? De vraag “Waaraan lijdt u?” is misschien wel een typisch christelijke vraag en voor degene die er een antwoord op weet, is verlossing mogelijk voorhanden. Vanuit de natuurkunde kan een mens vragen naar de oorzaak van ‘gebeurtenissen’ of verschijnselen, juist omdat de natuurkunde zich bezighoudt met fenomenen die waarneembaar en meetbaar zijn. Ze richt zich op de structuur van het zichtbare, de interactie tussen basiselementen in ruimte en tijd om uiteindelijk een verklaring te bieden. Als het om menselijk gedrag gaat, en lijden in het bijzonder, dan is de vraag naar oorsprongen en redenen problematisch. Wie kan ‘aanwijzen’ waar lijden begint, wat het veroorzaakt en hoe het op te heffen?

In het Oude Testament ontmoeten wij auteurs – zo ook in Jeremia – die moeite hebben een pijnlijk probleem te analyseren, maar uiteindelijk via zelfinzicht zichzelf weer op de been helpen. De enige ‘uitweg’ die Jeremia had gezien, was de rollen om te draaien en geen protest aan te tekenen tegen de onderdrukker, maar een poëtische klaagzang aan te heffen aan het adres van de Ene. Het is een wanhoopspoging die van Jeremia twintig vers zeven tot dertien een biecht, religiekritiek en geloofsbelijdenis ineen maken.

Ook in het Nieuwe Testament – zo ook bij de evangelist Matteüs – getuigen auteurs van het besef dat als er sprake is van menselijk lijden het lastig is de vinger op de wond te leggen, met één groot verschil ten opzichte van het Oude Testament, namelijk dat in het Nieuwe Testament vaak de opvatting terugkeert dat de persoon die lijdt geen goed zicht heeft op de oorsprong van haar of zijn lijden, en dat het een ander is die haar of hem van haar of zijn lijden kan verlossen.

Indien Jeremia op Matteüs’ sofa zou plaatsnemen, dan zou Matteüs vanuit zijn evangelische diagnostiek tot de conclusie komen dat Jeremia een categoriefout maakt, dat wil zeggen van een begrip gebruikmaakt naar analogie van een begrip dat tot een andere categorie van begrippen behoort. Volgens Matteüs had Jeremia zich niet in zijn religieuze zelfverstaan vergist, maar wel in de wijze waarop ‘het politieke spel’ in een wereld die hij niet goed kende en waar hij zelf niet bekend was, wordt gespeeld. Als een schaap te midden van wolven had de Ene Jeremia uitgezonden. Jeremia heeft vrijwel zijn gehele leven in de bewierookte werkelijkheid van de tempel geleefd. Nu zet hij een paar stappen in een politieke buitenwereld waar hele andere ‘sociale codes’ gelden. Hier gold het recht van de sterkste, hier kon je slechts overleven door sluw en simpel te zijn. Nuance, complexiteit, creatief denken en solidariteit met de zwakke wekten argwaan. Wat had Jeremia van zijn tegenstanders verwacht? Een warm onthaal?

Matteüs kijkt met heel andere ogen naar Jeremia dan de manier waarop Jeremia zijn situatie inschat. In Matteüs’ vocabulaire vindt een subtiele omkering plaats. Het woord ‘lijden’ wordt in het licht van zijn evangelie omgedoopt tot ‘getuigen’. Matteüs situeert Jeremias jammerklacht – en Jeremia heeft nog zoveel geestkracht in zich dat op dichterlijke wijze te doen en zijn ‘klaagkunst’ te rangschikken – met terugwerkende kracht in een profetische beweging en duidt Jeremias klaagpsalm als een staaltje van goddelijk geïnspireerde taal. Een mens die haar of zijn samenleving wilde bouwen op de vernieling van de religie en enkel zekerheid vond in wetten en instituties voelde zich bedreigd. In zo’n situatie produceren kunstenaars die een cultuur stutten en tot bloei laten komen vooral martelaarsakten, omdat ze in de openheid en ruimte die ze nodig hebben om hun scheppingen gestalte te geven worden beknot.

Jeremia had de brui aan zijn carrière als profeet gegeven, was gaan reizen, leefde als een nomade en zou zijn reisverhalen pas veel later bundelen en uitgeven. Van de samenleving – een hersenschim zo leek het hem nu – verwachtte hij nog weinig. Van individuen des te meer. In Jeruzalem had hij Matteüs getroffen die zich in een vergelijkbare situatie bevond. Jeremia had zijn hart bij hem uitgestort en Matteüs was opgetreden als een priester en compagnon. Beiden wonen samen in het Quartier Latin van de hoofdstad van het Joodse land. Ze behoren tot dezelfde huishouding.

Amen