Zondag 16 mei 2021, Ontmoetingskerk Nieuwveen, zondag 23 mei 2021, Bethelkerk Den Helder, zondag 30 mei 2021, Het Kruispunt Prinsenbeek, zondag 13 juni 2021, Bethlehemkerk Papendrecht, zondag 20 juni 2021, De Spil Kudelstaart, zondag 27 juni 2021, Ter Coulsterkerk Heiloo, zondag 4 juli 2021, Dorpskerk Zandvoort, zondag 11 juli 2021, De Ark Schiedam, zondag 18 juli 2021, Vredekerk Soesterberg & zondag 25 juli 2021 Stationskerk Hardinxveld

Preek naar aanleiding van Galaten 5:13-26 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 16 mei 2021 om 9.30 uur in de Ontmoetingskerk van de Protestantse Gemeente te Nieuwveen, op zondag 23 mei 2021 om 10.00 uur in de Bethelkerk van de Protestantse Gemeente te Den Helder, op zondag 30 mei 2021 om 10.30 uur in Het Kruispunt te Prinsenbeek, op zondag 13 juni 2021 om 10.00 uur in de Bethlehemkerk van de Hervormde Gemeente te Papendrecht, op zondag 20 juni 2021 om 10.00 uur in De Spil van de Protestantse Gemeente te Kudelstaart, op zondag 27 juni 2021 om 10.00 uur in de Ter Coulsterkerk van de Protestantse Gemeente te Heiloo, op zondag 4 juli 2021 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente te Zandvoort, op zondag 11 juli 2021 om 10.00 uur in De Ark van de Protestantse Gemeente Kethel te Schiedam, op zondag 18 juli 2021 om 10.00 uur in de Vredekerk van de Protestantse Gemeente te Soesterberg en op zondag 25 juli 2021 om 9.30 uur in de Stationskerk van de Protestantse Gemeente Hardinxveld-Giessendam

Gemeente,

Als je de brieven van Paulus leest, dan kom je daarin de thema’s van vrijheid en geloof, de geest en de ethiek, en evangelie en wet tegen. Ook in de Galatenbrief is dat het geval. De brief van Paulus aan de Galaten, die waarschijnlijk in de Turkse regio Centraal-Anatolië woonden, dicht bij het huidige Ankara, is een document uit de eerste eeuw, dat je een indruk kan geven van de ontstaansgeschiedenis en voortgang van de eerste gemeenten en van de rol die het paulinische christendom daarin speelde. Meer nog dan een historisch document van Paulus zelf, bevat de brief van Paulus aan de Galaten het verslag van zijn bekering, die constitutief is voor zijn eigen religieuze positie. Paulus wil in de Galatenbrief duidelijk maken, dat hij niet via een historische traditie tot het christendom is gekomen, maar dat hij door een ervaring tot een levenshouding is bekeerd. Paulus wil naar die ervaring terugkeren, maar het probleem is, dat hij die ervaring niet van een religieuze uitleg kan voorzien, wellicht, omdat hij die ervaring niet historisch benadert, maar veeleer relationeel en die ervaring ziet als een complex van betekenissen en haar daardoor onbeschreven laat en niet nader interpreteert. Paulus kan en wil zijn ervaring niet via de historisch-religieuze taal van zijn tijd met haar reeds bestaande religieuze en juridische begrippen articuleren en weigert daarmee elke systematisering en verdere schematisering van een voor hem authentieke, originele, individuele ervaring die hij zonder religieuze afhankelijkheden heeft opgedaan en die de drijvende kracht achter zijn nieuwe levenshouding vormt, de motivatie achter zijn apostolische missie in het leven van de gemeenschappelijke wereld. Paulus kan zijn ervaring noch framen aan de hand van Grieks-Helleense ideeën, noch aan de hand van joods-israëlitische concepten. En, om die ervaring intact te laten en er voeling mee te houden, communiceert Paulus er niet uitvoeriger over en maakt zijn oerervaring daardoor voor anderen niet begrijpelijk. Paulus’ bekering is een privékwestie. In plaats van over zijn ervaring te spreken, doet Paulus iets anders: hij bewijst en toont de geest door de authentieke wijze waarop hij zijn tijdelijke leven leeft. Ervaring, geloof, levenshouding en geest, zij zijn het die doen aan existentiecommunicatie, en de apostel Paulus is de figuur om dit te laten zien.

De Galatenbrief wordt veelal gedateerd tussen 50 en 57 na Christus en voordat Paulus zijn brief aan de Romeinen liet opstellen. Deze gemeenten in Galatië functioneerden binnen de context van de politiek en de economie van het Romeinse rijk en hadden tot dusver hun leven geleefd in het licht van de ethiek van het jodendom, met haar nadruk op het naleven van diverse wetten en regels. De brief doet verslag van een conflict tussen Paulus, de Galaten en een groep joodse christenen, maar ook van interne conflicten tussen leden uit de gemeenten van Galatië. Dit conflict wordt eerst theoretisch uiteengezet en vervolgens toegepast op het leven. Veel van de leden uit de gemeenten van Galatië kwamen uit de middenklasse die in de Griekse cultuur waren gesocialiseerd. Zij waren voornamelijk handelslieden, kunstenaars, oorlogsveteranen, en ook slaven. Enkel de gemeenteleden uit de middenklasse kenden economische welvaart en hadden toegang tot de Griekse cultuur. Een ander, groot deel van de bevolking, zoals arbeiders en handwerkslieden, leefden aan de rand van de samenleving. Dit deel van de bevolking wist uit eigen ervaring wat het kon betekenen gediscrimineerd en onderdrukt te worden, mensen uit de middenklasse lazen er met name over. Dit aspect van sociale klasse en de verschillende belangen die ermee samenhangen, spelen een rol in Paulus’ toespitsing op de kwestie van vlees en geest in Galaten 5 vers 13 tot 26. Voor nu is van belang de bekeerling Paulus te zien in zijn strijd met de religieuze opvattingen in zijn bestaan als apostel, een strijd tussen wet en geloof. Het gedrag dat kenmerkend is voor christelijk bewustzijn, is vanuit die strijd te begrijpen. Wet en geloof zijn beide modi, tussenstadia, doorgangen die naar het leven moeten leiden, een doelstelling die de toekomst beheerst. Paulus was zowel Romeins burger als farizeeër en kende de Romeinse en de joodse wereld dus van binnenuit. Paulus wist heel goed wat het betekende om onderworpen te zijn aan zowel de Romeinse wet als aan de joodse wetten, die vooral ritueel, ceremonieel en moreel van aard zijn. Vanwege het evangelie dat hij verkondigde, was hij door vertegenwoordigers van beide werelden lijfelijk bestraft: door de Romeinen via geseling, door de joden met 39 slagen. Je zou kunnen verdedigen dat het ondergaan van deze martelingen een teken is van geest. Wellicht hebben deze lijfstraffen Paulus ook gemotiveerd tot het cultiveren van een houding van je eigen lijden dragen en het opstaan uit je doden versterkt. Tegelijkertijd tonen die lijfstraffen de onverdraagzaamheid van regimes die zich bedreigd voelden door Paulus als andersdenkende, één die een evangelie proclameert van Jezus van Nazareth, een anarchist die mensen probeert in te nemen voor een nieuw leven dat in het teken staat van vrijheid en daarvoor uiteindelijk onschuldig werd gekruisigd. De levensleer van Jezus van Nazareth, met z’n specifieke, onderscheidende manier van spreken, denken, oordelen en handelen heeft het leven van Paulus 180 graden gedraaid. De parallel en de mogelijke identificatie van het lichaam van Paulus met het lichaam van Jezus is niet onbelangrijk: Paulus’ lichaam was een vervolgd, gemarteld en bekritiseerd, een mishandeld lichaam, waaruit wellicht daardoor des te sterker de radicale roep klinkt om de wet of liever het recht van de voorkeursloze naastenliefde, al gelovend en praktiserend, in vrijheid te leven. En werd Jezus uiteindelijk gekruisigd, Paulus zal worden onthoofd.

De Galaten leden aan de ene kant onder het juk van de joodse wetten, aan de andere kant onder de last van het Romeinse gezag met zijn slavenhandel, militaire praktijken en arbitrair rechtssysteem. Stelt u zich voor, dat er voortdurend legertroepen door de wijk waar u woont, trekken en u op instigatie van de overheid verplicht wordt om in de behoeften van het leger te voorzien, u in financieel opzicht met het provinciebestuur moet meewerken om de economische last van de soldij te dragen, dat op de lokale markten waar u uw boodschappen doet, verkoop van slaven plaatsvindt, mensen vanwege hun levensbeschouwelijke overtuigingen vervolgd konden worden, zonder dat dit als een strafbaar feit werd gezien en mensen door de meest invloedrijke politieke bestuurders werden vermoord zonder daarvan een spoor achter te laten.

Het eerste probleem waar Paulus met zowel de Romeinse wet als de joodse wetten op stuitte, is dat zij uitsluiting, discriminatie en sociale verschillen in de hand werkte. In Paulus’ visie was de verstedelijkte samenleving waarin hij leefde, gebaseerd op intolerantie, wederkerigheid, macht, geld en standen. Mensen die dit niet bezaten, waren geen, zoals wij modern zouden zeggen, “kwetsbare individuen”, maar maakten überhaupt geen deel uit van de samenleving. En dus is een evangelie dat pretendeert universeel te zijn, te allen tijde bestemd voor een ieder, ongeacht maatschappelijke status, een ongewenste nivellering van maatschappelijke verhoudingen voor de een, en een bevrijdende, humanistische boodschap voor de ander.

Het tweede probleem dat Paulus met de genoemde wetten had, is dat deze via voorschriften opnieuw tot plichten met verantwoordelijkheden leidde, waarmee hij en de  Galaten opnieuw hun vrijheid verloren. Op basis van Paulus’ ervaring die zijn leven op z’n kop had gezet, stond hij vrij tegenover de tradities die achter die wetten schuilden. Wat hem door de geest werd ingegeven, was een nieuwe standaard voor zijn eigen levenswijze geworden en beveelt hij ook de  Galaten aan.

De brief aan de Galaten is te kwalificeren als een apologetische, retorische brief, die veel emotioneel beladen taal bevat met als doel de lezers te overtuigen van Paulus’ opvatting van het evangelische christendom en van wat aantrekkelijke redenen zijn om je met dat gedachtegoed en die inherente levensstijl in te laten. Paulus is hier als auteur via zijn scribent, die de brief voor hem opschreef, doelbewust uit op polarisatie om een structurele verandering in die hiërarchische samenleving op gang te brengen. Een van de uitdagingen waar Paulus voor staat is die gewenste, op gang te brengen polarisatie niet te lang te laten duren, aangezien kortdurende polarisatie weliswaar productief is om maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen en verschillende, conflicterende belangen te verhelderen, maar langdurige polarisatie zou die Romeins-joodse samenleving nog veel verdeelder, meer gesegregeerd maken dan ze al was. Doorgaans is het relatief makkelijk om groepen te vormen op basis van definities of sociologische kenmerken waarmee mensen zich onderscheiden van anderen, hun identiteit laten gelden op basis van die al dan niet verworven kenmerken en ze in veel gevallen te laten manifesteren als dat in hun voordeel is. Als u bijvoorbeeld denkt aan de wijk waarin u woont, de scholen waarop u hebt gezeten en uw kinderen en kleinkinderen zitten, de omgevingen waar u werkzaam bent geweest, de sociale media waar u gebruik van maakt en uw eventuele lidmaatschappen van allerlei organisaties, herkent u dan hoe deze instanties, instituten en media u definiëren door u te profileren als openbaar versus religieus, nationaal versus multi-etnisch-cultureel, kosmopolitisch versus lokaal, rijk versus arm, theoretisch versus praktisch opgeleid, links versus rechts of Randstedelijk versus niet-Randstedelijk? Paulus nu was gericht op het stichten van een nieuwe geloofsgemeenschap waarin dit type sociale tegenpolen idealiter geen enkele rol meer spelen. Hij treedt op als katalysator en maatschappelijk hervormer door de invloed van die polen te ontbinden.

Paulus echter doet nog iets meer door een speciaal voorstel te formuleren ten aanzien van de Galaten. Paulus heeft een goede relatie met de gemeenteleden van de Galaten ontwikkeld, maar op het moment van schrijven dreigt deze relatie door concurrerende evangeliën die rondgaan, verstoord te raken. De gemeenteleden uit Galatië waren inwendig verdeeld geraakt: welke prediker of evangelist moest men geloven nu zij tegenstrijdige evangeliën verkondigden? In de brief neemt Paulus stelling tegen zijn concurrerende medepredikers.

Paulus gaat zijn best doen om de goede relatie met de Galaten te behouden door een uitgewerkt antwoord te bieden op een vraag die voor hen beide essentieel is, namelijk: hoe behoudt je je vrijheid buiten een wet die je gedrag stuurt door middel van voorschriften zonder die wet te schenden? Volgens Paulus is het mogelijk om je zonder de wet goed te gedragen als je je laat leiden door de geest, waardoor je uit liefde handelt, omdat, één, wie zich laat leiden door de geest niet langer onder de wet staat, en twee, de wet niet gericht is tegen de effecten van de geest, zoals de liefde. Leven in de geest van de liefde leidt inherent tot elkaar aanmoedigen, steunen, opbouwen, helpen en ontwikkelen. Een dergelijke geestesgezindheid maakt dat je geen externe wetten nodig hebt om je billijk en beminnelijk te gedragen, aangezien je een nieuw mens bent, niet langer levend naar de wil van het vlees. De liefde verklaart die wet als overbodig. Op basis van zijn eigen, aan het begin van de preek genoemde ervaring, is Paulus ervan overtuigd, dat enkel het aanvaarden van een andere leiding voor het eigen gedrag dan wetten, kan resulteren in een nieuw leven en de effecten van de geest zal voortbrengen.

Om mogelijke misverstanden over de betekenis van de term “vlees” te voorkomen, als Paulus in Galaten 5 vers 13 tot 26 het Griekse woord sarx, vlees, gebruikt, dan bedoelt hij daar iets anders mee dan er in de biologie mee wordt bedoeld. In de context van de Galatenbrief is vlees een psychische categorie, die staat voor negatieve neigingen, ongunstige tendensen die veroorzaakt worden door de wil van een mens en leiden tot destructief gedrag. Paulus presenteert vlees gewild dualistisch als tegengesteld aan geest. Vlees en geest zijn geen ethische categorieën en gaan hier dientengevolge niet over ondeugden en deugden: het zijn waarneembare gedragingen van twee aan elkaar tegengestelde manieren waarop je je leven kunt leiden. Paulus ziet de negatieve daden uit vers 19 tot en met 21 als bewust gekozen handelingen van het vlees, of, moderner uitgedrukt, als beoogde gedragingen van wilsbekwame mensen, en de positieve handelingen uit vers 22 en 23 als aantoonbare gevolgen van een leven in de geest. Paulus stelling is, dat, als je voor je gedrag niet je psyche, maar je geest volgt, deze de invloed van het vlees zal overtreffen. Voor Paulus vormt die stelling een indirecte aansporing, een advies aan de gemeenteleden uit Galatië, die niet alleen onder de druk en dwang van de wet leden, maar ook het risico liepen hun vrijheid te verliezen door te handelen conform het vlees ten gevolge van de conflictueuze situaties waarin zij zich bevinden. Paulus treedt in die situaties op als conflictmanager die de Galaten zowel verlost van de wet, als hen verlost van de boze. Het paulinische christendom uit de Galatenbrief houdt de christenen van zijn tijd voor boven de wet te staan in de zin van er niet aan gebonden te zijn en boven de negatieve emoties en gedrag van de psyche te staan door je er niet aan te onderwerpen. Dat zijn bekwaamheden ten gevolge van de geest, waardoor een nieuw leven mogelijk wordt en je kunt leven in vrijheid. Het zijn ook noodzakelijke voorwaarden voor geestelijke ontwikkeling.

Amen 

Zondag 12 augustus 2018, Adriaen Janszkerk Rotterdam-IJsselmonde & ‘De Hoeksteen’ te Schoonhoven

Preek naar aanleiding van Deuteronomium 10:12-21 uit Tora. De onderwijzing van Mosje(uit het Hebreeuws vertaald door Lineke Buijs en Marianne Storm) en Efeziërs 4:17-25 uit De Groene Bijbel voor de viering op zondag 12 augustus 2018 om 10.00 uur in de Adriaen Janszkerk van de Hervormde Gemeente Rotterdam-IJsselmonde te Rotterdam en om 18.30 uur in de protestantse gemeente De Hoeksteen te Schoonhoven en Willige Langerak

Gemeente,

Wie een bepaald gedachtegoed wil verspreiden, kan zich tot de politiek, religieuze organisaties, scholen en de media wenden om een denkbeeld of ‘systeem’ ingang te doen vinden in de hoofden van mensen. Bij veel ingangen van gebouwen vind je promotiemateriaal, dat jou als mens van een bepaalde visie wil overtuigen. In menig hotelkamer is een nachtkastje te vinden waarin of waarop een boek van een religieus instituut ligt, dat de hotelgast tot lezen aan wil zetten.

Het toenmalige lezerspubliek van Deuteronomium tien vers twaalf tot eenentwintig staat op het punt om onbekend terrein te verkennen. Het was nog maar zeer de vraag of zij in de nieuwe omgeving die zij betraden, konden terugvallen op de hun bekende bronnen. De auteurs van het boek Deuteronomium waren een situatie voor, waarin een groep mensen in een nieuw land met lege handen zouden staan. In een oratorische stijl stelden zij wetten op, die leken op vermaningen, voordat reizigers de Jordaan overstaken. Die vermaningen vormden geestelijke reisbagage die de transitie van de ene naar de andere omgeving begeleidde.

Wie op de drempel staat van een nieuwe situatie, kan verschillende strategieën toepassen om in een nieuwe omgeving te integreren. Twee voorbeelden daarvan zijn aan te knopen bij de lokale cultuur door deel te nemen aan plaatselijke activiteiten en het ontwikkelen van initiatieven op basis van de eigen expertise, die voorzien in een behoefte van de lokale bevolking. De gemene deler tussen de teksten die vandaag centraal staan, is dat de auteurs hun lezers aansporen niet te participeren in de omringende cultuur, met als doel de eigen identiteit te bewaren. De auteurs van Deuteronomium roepen de groep nieuwkomers op om zich, ook wanneer zij zich eenmaal in hun nieuwe woonplaats hebben gevestigd, oude en enigszins herziene voorschriften te handhaven om assimilatie te voorkomen. Ik zie het behoud van de eigen cultuur als ‘zorg’ van een stad of dorp in Nederland vaak voorkomen waar de sociale cohesie van de oorspronkelijke inwoners sterk is en er weinig ruimte aan andere culturen wordt geboden er te wortelen en op een eigen manier aan het leven vorm te geven.

Nu kunnen we de perikoop Deuteronomium tien vers twaalf tot eenentwintig historisch en geografisch lezen. Allerlei details in de tekst geven ook aanleiding tot die vormen van documentatie en oriëntatie. Een andere leeswijze is de tekst met betrekking tot het eigen geestelijk leven te interpreteren. We zullen dat doen door in te zoomen op een verschil tussen de tekst uit het Oude Testament en de tekst uit het Nieuwe Testament. Het verschil is het laten voortbestaan van een oude levensstijl door eraan vast te houden en op die manier de eigen positie in een groep te verzekeren aan de ene kant. En, de oproep jezelf los te maken van een levensstijl, waarin je volhardt en die je eigen ontwikkeling in de weg staat, aan de andere kant. We houden daarin vooral halt bij het moment van overgang waarin mensen veelal niet weten wat te doen.

Voor het betreden van een onbekende omgeving kunnen mensen routes uitstippelen, methodes verzinnen, overgangsrituelen in het leven roepen en voorschriften bedenken om de stap te kunnen maken van de ene naar de andere wereld. Een doordacht plan moet ervoor zorgen dat we een bepaald doel bereiken. In onze tijd worden er heel wat schema’s geproduceerd, roosters opgesteld en beleidsplannen geschreven om sturing te geven aan een reorganisatie. Het zijn concrete kaders die onze vrijheid structuur kunnen verlenen, maar als onze vrijheid eraan ondergeschikt wordt gemaakt, ervaren we ze als beklemmende middelen. Ze kunnen de genadeslag geven aan de spontaniteit van de levende ervaring of, religieus geformuleerd, een mens vervreemden van het leven van God.

Behalve dat in het boek Deuteronomium de grondslagen van het recht worden gelegd, herinnert de auteur ook aan de periode in Egypte. Egypte kun je allegorisch lezen als een ‘plaats’ waar je niet kunt terugvallen op wat je tot dusver hebt geleerd en in praktijk heb gebracht. Het is een woestijn waar je de herhaling van vertrouwde gedragingen en patronen afremt. Na het stoppen met draven, vormt de woestijn een oase van rust, die om die reden een bron van meditatie kan zijn. De structuren en ruimtes waarin je gewend bent te denken en te bewegen, komen open te liggen. In Egypte wordt je weer even vreemdeling en herinnert aan een ‘oorsprong’ die voorafgaat aan het denken en willen.

Het is misschien wel de grootste verzoeking aan de mens dat open midden niet weer te bestormen met planningen en programma’s, die erop gericht zijn ons vooral bezig te houden. Egypte symboliseert het grote nietsdoen, in de zin, dat het je de gelegenheid biedt ergens rustig voor te gaan zitten, afstand te nemen van externe invloeden en jezelf terug te vinden, wanneer je jezelf onderweg bent kwijtgeraakt en wellicht vergeten bent. In dit grensgebied vast de mens van activiteit, maakt zichzelf leeg en wordt stil. De ontvankelijkheid die dan ontstaat, kan je bepalen bij een onafhankelijke kern die je ‘God’ kunt noemen. ‘God’ ademt een sfeer van vrijheid, waarin jij als mens in je element bent en misschien juist dan jezelf kunt zijn. De wind in deze ruimte kan nog alle kanten opwaaien. Zo minimalistisch als de woestijn is ingericht, zo maximaal kun je er nieuwe creativiteit en een onafhankelijke kern ervaren. Egypte fungeert niet als oversteekplaats met markeringen en haaientanden, waarbij je een oude bestemming verlaat en via een uitgestippelde weg – lees een set voorschriften – kunt laat staan staan moet volgen. Het representeert veeleer een levenshouding van wachten, een blijven waar je bent of niets doen, totdat er iets gebeurt dat je niet zelf in gang hebt gezet.

In het fragment uit de brief aan de Efeziërs vindt er een omkering plaats van de verhouding tussen de eigen bepaling van het zelf en wat ik zal noemen de verlossing van het zelf. In Egypte kom ik tot de ontdekking wie ik ook alweer was. Als ik vervolgens besluit weg te trekken uit Egypte, omdat ik mezelf weer enkele concrete doelen heb gesteld of simpelweg omdat er noodzakelijke behoeften zijn die samenhangen met mijn mens-zijn, die mij nopen uit Egypte weg te gaan, dan kan ik aan het proces van zelfwording weer gestalte geven. Voor ik het weet, begeef ik me dan weer in de ratrace van aspiraties.

In de rite van de doop echter ontvangt een mens het zegel van de geest die een soort egodood inluidt. Tegen de achtergrond van een zedeloze cultuur spoort de auteur de lezer(es) aan zichzelf los te maken van vroegere levenswijzen en sociale banden. Het is een nogal rigoureuze oproep, die je als een besnijdenis van het hart kunt typeren.

In Efeze wordt je weer uitgenodigd tot een basale zachtheid. Word je in Egypte uit de verbrokkeling van het leven weggeleid en opnieuw bij jezelf verzameld, in Efeze wordt je weliswaar verlost van den boze, maar ook uit balans gebracht. Het kopje ondergaan in dit ‘bad’, waarin jij niet langer heer en meester bent over je eigen leven, kun je het afleggen van je oude natuur noemen, opgevat als participatie in de dood en opstanding van Christus. Je stapt dan bewust in een beweging, waarin jij het niet langer voor het zeggen hebt, en die velen voor en met jou al gemaakt hebben.

Het ‘lidmaatschap’ van deze beweging vroeg volgens de auteur van de brief aan de Efeziërs om exclusieve toewijding. Het kwam er na de doop toch wel op aan de betrekkelijkheid van de eigen gedachten en redeneerstijlen in te zien, wanneer die niet doorbloed waren met gevoelens van genegenheid en bewuste keuzes maken: dít wel en dát niet. Je kunt een dergelijke metamorfose uiterlijk onderstrepen met het uittrekken van oude kleding of het niet langer dragen van symbolen en het jezelf aanmeten van een nieuwe kledingstijl of look. De doop is geen kleinigheid. ‘Door God gedoopt worden’, dat wil zeggen een nieuwe gezindheid in de praktijk brengen, is ‘werelds gezien’ een grote stap terug en niet een stap vooruit. De geboorte van de nieuwe mens is een vorm van zelfverlies. Alsof je blijft zitten in groep drie in plaats van een klas overslaat, en toch is dit de manier om echt vooruit te komen.

Amen

De Open Hof Ede, 10 december 2017

Preek naar aanleiding van Exodus 32:7-14 en Lucas 15:1-10 uit de Naardense Bijbel voor de viering op de tweede zondag van Advent op 10 december 2017 om 10.00 uur in De Open Hof te Ede

Gemeente,

In onze cultuur zijn pogingen ondernomen om het verschil tussen transcendentie en immanentie uit te drukken. ‘Immanentie’ staat voor wat binnen onze ervaringswereld ligt – wat we bijvoorbeeld kunnen zien, horen, ruiken, voelen, beleven en vasthouden. ‘Transcendentie’ staat voor wat die waarnemingen overstijgt, wat daar bovenuit gaat, wat dat transcendeert, datgene waarnaar je kunt opklimmen en wat je mogelijk nooit bereikt.

Ik wil u uitnodigen de tekst uit Exodus tweeëndertig te herlezen door de bril van een gedicht van Ida Gerhardt, een toneelstuk van Samuel Beckett en het animatiefilmpje Father and Daughter. Die drie kunstuitingen kunnen ons denk ik leren beter te begrijpen wat dat is, wat godzoekers bezighoudt. Het zijn pogingen een verhouding aan te gaan met een ‘werkelijkheid’ waarvan je wel een voorgevoel kunt hebben, maar die zich niet laat waarnemen.

Ida Gerhardt schreef het gedicht Onder vreemden dat luidt als volgt:

Het speelt het liefste ver weg op het strand,
het kind dat nooit zijn eigen vader ziet,
die overzee is in dat andere land.
Het woont bij vreemden en het went er niet.
Zij fluisteren erover met elkaar.
Heimwee huist in zijn kleren en zijn haar.
En altijd denkt het dat hij komen zal:
vandaag niet meer; maar morgen, onverwacht
– en droomt van hem en roept hem in de nacht.
Ik wacht u, Vader van de overwal.

Ik zal het nog een keer voordragen. Het speelt het liefste ver weg op het strand (…).

Het mensenkind dat gelovig op weg is naar wat haar of hem met verlangen vervult, staat dagelijks op de uitkijk. Een kind dat opgroeit op een schippersinternaat en aan den lijve ervaart wat het betekent te leven met een afwezige moeder en vader staat te popelen van ongeduld als er post komt.

In 1952 schrijft de auteur Samuel Beckett het toneelstuk En attendant Godot (Wachten op Godot) en er bestaat discussie over of je Godot kunt laten samenvallen met God. Het decor is minimaal, er staat eigenlijk alleen een boom. In een kale omgeving geeft die boom het tijdsverloop aan – bladeren, het ontbreken van blad, de kleur en grootte ervan. De boom is de ontmoetingsplaats voor de personages Vladimir en Estragon. Terwijl beide vrienden elkaar treffen en wachten – de vraag is op wie of waarop – gaan zij met elkaar in gesprek. Het lijkt erop dat gaandeweg het toneelstuk de vraag of Godot nog aan de einder gaat verschijnen steeds meer naar de achtergrond verdwijnt. In de dialogen die zich tussen de vrienden ontspinnen, is de een voor de ander klankbord en vraagbaak ten overstaan van wie hij zijn eigen visies en daadkracht ontwikkelt. Estragon en Vladimir ontwikkelen hun persoonlijkheid des te sterker, naarmate zij dag in dag uit met elkaar converseren. Ondertussen kunnen zij wachten tot zij een ons wegen, Godot is en blijft de grote afwezige. Frappant genoeg is Godot in het besef van die afwezigheid nadrukkelijk aanwezig. Hij is onderwerp van gesprek en voor Vladimir en Estragon reden genoeg elkaar telkens weer op te zoeken. Dat gegeven van absentie blijkt in het stuk steeds minder van belang, aangezien beide heren zich aan elkaars gezelschap scherpen en warmen, de eigen individualiteit aan de oppervlakte komt en hun vriendschap zich verdiept.

Jaren geleden waren de modeontwerpers Viktor en Rolf te gast in het televisieprogramma Zomergasten. Een van de items die zij de kijker lieten zien en die uitgangspunt vormde voor het tafelgesprek was een filmpje waarin pentekeningen van een fietsende vrouw op een dijk aan elkaar waren gemonteerd. De beginbeelden tonen een meisje dat afscheid neemt van een man in lange mantel die in een roeibootje vertrekt. Energiek, haren in de wind fietst ze als jonge vrouw op een omafiets een heuvel op, volgt een dijk, staat stil en parkeert haar fiets op de plaats waar ze ooit afscheid nam van deze man.

Ze houdt daar halt en blijft staan wachten, hopend, aldus de suggestie, op een man die niet komt. De gang naar de uiterwaarden blijft zich herhalen. Het wordt een patroon, een ritueel uit te zien naar de onbekende figuur die niet komt opdagen. De tijd verglijdt, de vrouw wordt ouder, soms fietsen anderen met haar mee of zitten op de bagagedrager. Het filmpje brengt fragmenten van haar levensloop in beeld. Het fietstempo vertraagt, het staal piept en kraakt, de vrouw draagt haar haar inmiddels in een knotje. Ze is nu werkelijk een oma op een fiets en loopt met moeite door het helmgras naar die steevaste plaats. Ze vindt de gestrande, deels door zand overwaaide roeiboot en gaat in gebogen houding tegen de gekantelde flank liggen. Mogelijk is ze aan het einde van haar krachten of wil ze de roeiboot, die tastbaar verbonden is met herinneringen aan de man, ten volle in zich opnemen. En wie verschijnt daar op dat moment op het toneel? De man in de lange mantel die haar in zijn armen sluit. Wie het animatiefilmpje religieus duidt, heeft een verdedigbaar verhaal als zij of hij de vrouw uitlegt als de mens die snakt naar godsontmoeting vanuit het idee van geborgenheid. Laat ons nu naar dit animatiefilmpje kijken.

‘De Ene’ wordt in onze tekst antropomorf geportretteerd als een driftkikker, een mens die nog geen manieren heeft gevonden haar of zijn boosheid te reguleren. Ik citeer: “De Ene spreekt tot Mozes: Ga, daal af! – want die gemeente van jou heeft het verdorven.” En verderop: “(…) gezien heb ik deze gemeente en ziehier, een gemeente hard van nek is het! – welnu, laat me met rust, dan kan mijn toorn tegen hen losbranden en zal ik hen verteren.” Allerlei emoties worden hem toegedicht. Een geraas en getier van jewelste is het. ‘De Ene’ is buiten zichzelf van woede, uitzinnig, nog even en hij slaat helemaal op tilt. Hij krijgt spijt dat hij uit z’n slof is geschoten, dat hij zich zo heeft laten gaan. Kan het menselijker? Het dreigement in vers tien “Laat me met rust, dan kan mijn toorn tegen hen losbranden en zal ik hen verteren (…)” is een beroep op geweld, het uitoefenen van druk dat voor de auteur een retorische functie heeft. Ook de auteur was bekend met het intermenselijke verschijnsel dat wie haar of zijn zin niet krijgt, terrein begint te verliezen, zich mogelijk halsstarrig gaat gedragen.

Wat speelt zich in de tekst nu af? De gemeente vormt een groep mensen die allen hebben ervaren wat het betekent in de vrijheid te zijn gezet. Ik zeg het nadrukkelijk passief, want de traditie waarin dit verhaal staat erkent dat een situatie van in onderdrukking leven, grenzen met zich meebrengt ten aanzien van de mogelijkheden jezelf van die dwingelandij te bevrijden. Ondanks die bevrijding lijkt het nog niet zo gemakkelijk in vrijheid te leven. Wat het betekent vrij te zijn in bewegen en handelen, is voor de gemeente geen eenvoudige opdracht. Zij zal zich dienen af te vragen hoe ze die vrijheid wil invullen en ‘garanderen’. Ze heeft zich verheugd op de komst van een figuur die een tijdperk inluidde waarin de tiran geen poot meer had om op te staan. De langverwachte naar wie gehunkerd werd, heeft zijn entree gemaakt en de deuren naar een verlost leven opengezet. Die verlossing lijkt vervolgens reden te geven het eigen bestaan te beveiligen. Uit ongeloof, wanhoop of de behoefte aan houvast, probeert de gemeente concreet gestalte te geven aan ‘die onzichtbare hand’ die hen weer opgelucht adem deed halen. De schaduwen op de wand van Israëls grot worden dan niet alleen onterecht gehouden voor de werkelijkheid van ‘God zelf’, de devote attitudes van buigen, offeren en aanbidding zouden weleens wederom de portee kunnen vormen voor een gemeente die zichzelf kleiner maakt dan nodig, zich vernedert, wegcijfert en nog meer van die religieus gelegitimeerde houdingen. Het mensbeeld dat impliciet in de tekst naar voren komt en op het spel staat, is dat van een die fier, met rechte rug haar gang in de wereld gaat. Een protestant zou de joodse auteur kunnen zien als een protestant avant la lettre: beelden zouden per definitie verdacht zijn. Het punt is echter dat de gemeente ‘de één niet voor een ander aanziet’ en het resultaat van beeldenverering niet is, dat het beeld een tiran wordt die haar onder de duim houdt en de eigen vrijheid onnodig beknot.

In onze cultuur wijst veel erop dat we het idee van transcendentie hebben opgegeven en menig mens zich volledig verzoend heeft met de zich omringende, zichtbare, empirische werkelijkheid van ‘het kalf’. Nietzsches dolle mens die met een lantaarn in de hand op het marktplein God zoekt, doet dit tegenover toehoorders die het idee van God allang hebben opgegeven. Vandaag de dag is de godszoeker nog net zo dol. Zij of hij is eerder uitzondering dan regel en wie haar of zijn godsidee nog niet heeft verloren, heeft een seculier, atheïstisch publiek wat uit te leggen. Wie echter haar of zijn God is kwijtgeraakt, hoeft niet meteen een andere te omhelzen of die voor God aan te zien. De ruimte die vrij komt na godsverlies kun je ook open, leeg laten. Wilt u in het licht van die woorden het gedicht Deïsme van Gerrit Achterberg beluisteren?

De mens is voor een tijd een plaats van God.
Als je die som aftrekt van iedereen,
blijft er een kerkhof over met een steen,
waaronder ligt, die was gekomen tot deze voleinding,
dit abrupte slot.

Maar God gaat verder,
strijkt over hem heen in zijn miljoenen.
God is nooit alleen,
want hij bestaat uit levensoverschot.

Wij zijn voor hem een vol benzinevat,
dat hij leeg achterlaat en zonder spijt.
Sedert hij voortbeweegt en zich verspreidt,
gingen wij dood en liggen langs het pad.
Als niet de herder Jezus Christus kwam
om ons te vinden als verloren lam.

Ik zal het gedicht herhalen. De mens is voor een tijd een plaats van God. (…)

De dichter brengt een gezichtspunt naar voren dat ook in het Lucasevangelie naar voren komt en wel is uitgelegd als kenosis, ontlediging. De keuze (je) God vaarwel te zeggen, afstand te doen van religieuze overtuigingen en uitspraken waarmee je jezelf kunt behangen om goede sier te maken of jezelf een plaats te verwerven in het bestaan, blijkt een conditie waarin ‘de ene van Nazareth’ om de hoek komt kijken. Het is als met een gevonden voorwerp dat, opgeraapt, langs de kant van de weg door een willekeurige voorbijganger aan een lantaarnpaal of bankleuning is bevestigd, die het op die manier een prominente plaats verleent, in de hoop, dat de eigenaar het alsnog in het oog krijgt.

Een waarde die de evangelist hoog in het vaandel heeft staan, is collectiviteit. Een mens hoeft weliswaar geen kuddedier te zijn, maar als het aan de evangelist ligt, behoeven individuen die al te autonoom opereren enige correctie. Op weg naar volwassenwording speelt individuatie een belangrijke rol – een kind maakt zich los van haar of zijn ouders om ooit zelf op eigen benen te staan. Een ‘natuurlijk’ proces dat past binnen de twee kernwaarden ‘mondigheid’ en ‘zelfstandig denken’ die in West-Europa sinds de verlichting als groot goed worden gezien. In Oosterse culturen wordt een mens, meer dan in West-Europa, gezien als een sociaal wezen dat onderdeel uitmaakt van gemeenschappen. De overtuiging is dat een mens zich ook op individueel niveau beter ontplooit als het verweven is en blijft met een sociaal netwerk. Als ik om me heen kijk, zie ik dat collectieven, zij het in sterk vermagerde vorm, in West-Europa weer mogen. Kleine groepen mensen ontwikkelen rond een gezamenlijk gedroomd ideaal initiatieven met als doel iets van de grond te krijgen. De evangelist zou die vormen van gemeente-zijn vast toejuichen.

De vraag, ongeacht de cultuur, is echter waarom het ene schaap aan de wandel gaat en zich afscheidt van ‘de kudde’. Voor een individualist is een collectief al snel ‘een massa’ – een woord dat voor haar of hem een negatieve connotatie heeft. Ook Jezus is een uitgelezen voorbeeld van iemand die het slachtoffer werd van ‘een systeem’. Een gemeenschap kan fungeren als een alibi niet je eigen weg te durven gaan. En als er ook maar één mens is die lijdt onder het heelal van groepsmoraal, politieke correctheid of ‘wat algemeen redelijk is’, dan zou mijn pastorale advies zijn: maak dat je wegkomt.

Amen