Donderdag 30 mei 2019, ‘De Regenboog’ Leiden & zondag 2 juni 2019, ‘Hervormde Kerk’ Zevenbergen

Preek naar aanleiding van Ezechiël 1:25-28 en 1 Johannes 2:1-6 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Hemelvaart op donderdag 30 mei 2019 om 10.00 uur in het Kerkelijk Centrum De Regenboog te Leiden en voor de viering op zondag 2 juni 2019 om 10.00 uur in de Hervormde Kerk te Zevenbergen

Gemeente,

Hoe kent u ‘de’ werkelijkheid? Welke rol kan de ervaring spelen voor het opdoen van ‘godskennis’? Dit zijn twee vragen die de auteur van het boek Ezechiël en de schrijver van De eerste brief van Johannes je kunnen stellen.

Als je wilt beoordelen of een gekozen methode aansluit bij een kenobject, dan definieer je als onderzoeker eerst de centrale begrippen die in je vraagstelling meekomen. De methode moet garanderen dat het tot bepaalde resultaten leidt, zich kan identificeren met het gekende en de onderzoeker wordt geacht kennis te verwerven of liever nieuwe uitspraken te doen over het onderwerp dat zij of hij bestudeert. Voor het omschrijven van de begrippen hanteer je criteria tot je op een punt komt waarachter je niet verder terug kunt. Dan vallen er besluiten vanuit een eerste persoons perspectief.

Het benaderen van de werkelijkheid en het reflecteren op de toegang tot de werkelijkheid noemen we voor het gemak ‘het algemene’. Het vaststellen van bronnen en hun status met betrekking tot God betitelen we als ‘het bijzondere’. In de theologie leert een student met name theoretisch te reflecteren op de wijze waarop mensen spreken over God door die taal via rationele concepten te analyseren. Die begrippenkaders zijn vaak afkomstig uit de hulpwetenschappen. Als gelovige leer je ‘God’ onder andere ‘kennen’ vanuit de ervaring. Maar aan de ervaring zitten voor een theoloog die analytisch denkt nogal wat haken en ogen: de ervaring is veranderlijk, ze komt en gaat wanneer ze wil, lijkt niet echt een vaststaande structuur te hebben, is een eindeloze stroom en dermate subjectief, dat je er moeilijk een breed gedragen theologie op kunt bouwen. Een analyticus kan geneigd zijn de ervaring als grond te schuwen en een tikkeltje te minachten. Hoe kan nog enige systematiek worden aangebracht in de wereld van ervaringen?

Vandaag de dag lijkt er een kentering te zijn in de waardering van de ervaring als bron van kennis van transcendentie. Een verklaring zou kunnen zijn dat onze tijd, die continu aan verandering onderhevig is, zich leent voor geloof op basis van ervaring. In een leefwereld die dynamisch en mobiel is, ontwikkelen mensen een besef van de werkelijkheid die ook zelf grotendeels een maakbaar construct is. Vaststaande concepten, grote verhalen, permanente structuren, systemen en grenzen voldoen in een dergelijke leefwereld en realiteitsopvatting niet. Van een mens die in een flexibele werkelijkheid leeft, wordt gevraagd dat zij of hij verschillende scenario’s klaar heeft staan, snel kan switchen van de ene naar de andere denkstijl, concepten kan herijken en hervormen.

In zo’n flexibele wereld gaan mensen ook anders naar zichzelf kijken. Het zelfbeeld is minder omlijnd en substantieel, introspectie dat wil zeggen, de blik naar binnen wordt belangrijker en er is aandacht voor intuïties en sensaties. Een meer vloeibare samenleving vraagt denk ik ook om vernieuwing van het denken over geloof. De ervaring zou ook voor de religie in de eenentwintigste eeuw weleens de vindplaats kunnen zijn voor de geestelijke toegang tot God. Ook in protestantse kring is er een herwaardering van ervaring als bron van geloof te zien.

Een ‘evenement’ als hemelvaart en het visionaire karakter van de teksten uit Ezechiël een vers vijfentwintig tot achtentwintig en 1 Johannes twee vers een tot zes passen bij een geloofsbeleving die de ervaring, waaronder je het gemoed en de beleving kunt rekenen, voor vol aanzien. God is te zien als de inhoud van een menselijke ervaring die zich van andere ervaringen onderscheidt, doordat bij de godservaring de realiteit van de inhoud van deze ervaring alleen door de realiteit van de ervaring wordt gewaarborgd. Het tijdelijke en bijzondere karakter van die ervaring maakt het soms moeilijk erover te communiceren en er onderzoek naar te doen. In beschrijvingen van hemelvaarten staan de achtergeblevenen vaak nog wat beteuterd te kijken, praten na en gebruiken beelden als ‘de beslagen ruit’, ‘een wazige spiegel’, ‘nevelen’ of ‘wolken’ om uit te drukken dat ze een sterke ervaring van transcendentie hebben gehad, maar dat niet helder is wat de inhoud van die ervaring behelsde.

In het alledaagse leven doen mensen voortdurend ervaringen met het transcendente op. De handelingen die een mens uitvoert en de spreekwijzen waarvan een mens zich bedient, laten zien dat zij of hij zich daarmee bekent tot een bepaalde werkelijkheid. In de vragen die je stelt, de twijfels die je hebt, ontkenningen, erken je een zekere werkelijkheid. Je doet ze op basis van een beeld van de werkelijkheid. Je vertrekt zogezegd ergens vandaan, spreekt vanuit een plaats die dat spreken mogelijk maakt. Naast de achtergrond waartegen je spreekt, is er de horizon in relatie waartoe je spreekt. Er is de grond, het waarvandaan, dat elke vorm van reflectie mogelijk maakt, en het waarnaartoe, dat iedere beweging tot doel heeft. Die ‘grond’ is een geheim, omdat het niet transparant is. Mensen zijn er op de wereld als op een gemaskerd bal: je kunt de ander vragen haar of zijn motieven te formuleren, maar de vraag is maar of je met die articulaties iemands drijfveren op het spoor bent. Er zitten zoveel kanten aan het gedrag van een mens die voor haar- of hemzelf vaak ondoorzichtig zijn.

Hemelvaart staat voor de onbegrijpelijke volheid van de werkelijkheid. Hemelvaart herbergt oorden van ervaringen met transcendentie die ook hier en nu te beleven zijn: in de helderheid van geestelijke kennis, in de ervaring van radicale twijfel, in de fundamentele impuls tot gewetensverplichting, in de angst, in vreugde en hoop, en in de ervaring van de dood. Al die ‘ervaringsoorden’ voeren terug op of oriënteren zich aan een grond die in de alledaagse ervaring voor mensen onzichtbaar is.

Je kunt die ‘grond’ – ik gebruik de metafoor ‘grond’, maar er zijn vast ook andere metaforen of begrippen voor te bedenken – als mens niet doorzien of ‘bemachtigen’. De mens die zich dit waarnaartoe van deze ervaring al wordend voorstelt, drukt het het stempel ‘God’ op of geeft het de term ‘hoogste wezen’ mee. Als God gerelateerd is aan de innerlijke structuren van de mens en in het bijzonder van de nog niet verwerkelijkte mens, die zich al wordend in de richting van God beweegt en ‘de heerlijkheid ingaat’, dan is God geen vaststaande entiteit.

Dat losse godsbeeld komt ook naar voren bij de auteurs van Ezechiël en 1 Johannes. Wat je je als lezer(es) van het boek Ezechiël mag realiseren, is dat het is nagelaten aan een gemeenschap van gelovigen, die dit werk niet als afgesloten en onveranderlijk beschouwden. Het karakter van de theofanie, met de klassieke onderdelen van wind, vuur en licht, leent zich voor aanvullingen. Wat de profeet in Ezechiël in zijn vergelijkingen doet, is niet ‘het onuitsprekelijke’ of de empirische verschijningsvorm van een object of persoon beschrijven, hij wil een ervaring delen. Hiervoor maakt hij gebruik van het visioen als literaire vorm.

Net als in de priesterlijke traditie was ‘heerlijkheid’ erg belangrijk voor Ezechiël. Heerlijkheid duidt op een vorm van presentie, waarbij ‘de Ene’ tegenwoordig is op vreemde, in dit geval Babylonische, grond. Ezechiël deelt mee dat hij heeft ervaren dat God zonder tempel ‘in het buitenland’ met een mens meereist. Daarmee steekt hij de joden die in de diaspora leefden een hart onder de riem. God is niet gebonden aan een tempel, de institutionele religie of ingekaderde ideeën. Waar een mens zich bevindt, daar mag zij of hij ook haar of zijn God ervaren. Met die uitspraak van Ezechiël is veel duidelijk gemaakt, dingen zijn nu helder, opgelost. Heen en weer geslingerd tussen verschillende werelden met verschillende ‘wetten’, kreeg de in de verstrooiing levende jood nu bevestiging, het zelfvertrouwen dat zij of hij zo nodig had.

Ook de oude mysticus die wij kennen als Johannes schrijft in het kader van pastorale zorg. De geadresseerden van zijn brief leefden verspreid, enkelen zijn verhuisd en met die verhuizing komen zij in aanraking met hele andere denkwerelden. Wellicht kent u de ervaring dat met veel reizen en het opdoen van buitenlandervaring de kennismaking met andere culturen ertoe kan leiden dat de eigen culturele concepten ter discussie komen te staan en gerelativeerd worden. Dat deden de nieuwkomers die waren opgegroeid in de Johanneïsche gemeente ook. Ze ontkenden de historische en fysieke realiteit van geestelijke ervaringen, zagen geen verband tussen X en Y, stelden kritische vragen over beweringen die niet congrueerden met praktijken en waarmee de geloofwaardigheid in het geding was.

De auteur nu gaat de eenheid bewaren door onderricht te geven in de nuances van het geestelijke leven. Via ‘de wijsheid’ en het oefenen van onderscheidingsvermogen hoopt hij te voorkomen dat zij schade aan de ziel oplopen. Het is een brief waarin hij fundamenteel stelling gaat nemen voor de ervaring als bron van geloof en ‘middel’ voor de manifestatie van God. Deze Johannes gaat geen bijdrage leveren aan bestaande theorievorming, hoeft z’n uitspraken niet wetenschappelijk te verantwoorden en laat z’n overtuiging ook niet door een commissie toetsen. Hij heeft zich wel drie basale vragen gesteld, voordat hij z’n briefje liet circuleren, namelijk: wat is geloof? In welke menselijke mentale capaciteiten vindt geloof z’n oorsprong? En, hoe ontstaat geloof? Een actuele identiteitscrisis en het denken over geloof in het leven van veel van zijn pastoranten had ertoe geleid dat hij zich opnieuw ging bezinnen op de menselijke godsdienst en ging de ervaring als een bijzonder vermogen tot godskennis zien.

Voor Johannes kan een mens ‘God’ of liever ‘de eigen waarheid’ bereiken door innerlijke activiteit, die wordt gevoed door een geestelijk leven. Een mens vormt zich allerlei gedachten, maakt keuzes, doet ervaringen op en beleeft geloof in dagelijkse situaties. In die bestaanswijzen kan God inwoning maken in de gelovige, die op haar of zijn beurt iets van het goddelijke leven naspeelt. Een vraag die bij Johannes’ pastoranten speelt is: representeert het uiterlijke het innerlijke? Grote aandacht besteedt hij dan ook aan de geestelijke verwerving van het goddelijke leven door aandacht voor de innerlijke dimensie van het leven en de uiterlijke daden die mensen verrichten. Hij ‘bestudeert’ de vormen van dynamiek tussen beide en gelooft dat God de verzamelnaam is voor de verbondenheid met elkaar. Die gemeenschap zou wat hem betreft ook op afstand de werkelijkheid van God mogen spiegelen, door het goddelijke leven, moderner vertaald ‘het nieuwe denken’ als uitgangspunt voor het eigen handelen te nemen. Dat vraagt wat hem betreft wel van een mens dat zij of hij uit geest geboren wordt, een metamorfose naar een andere bestaansvorm ondergaat, die je persoonlijkheid verandert.

Wie als moderne gelovige op zoek is naar een standaard voor de aanwezigheid en het genereren van nieuw leven, kan zich richten op een innerlijk principe, waardoor je iets kunt realiseren dat leidt tot ‘godskennis’. God laat zich dan (be)schrijven in je binnenste. Voor die methode is nodig in te stemmen met de ervaring en toestaan dat die ervaring allereerst een weg is met jezelf, om vervolgens te ontdekken dat je wandelt met God de heerlijkheid in, de ultieme vrijheid tegemoet.

Amen

Zaterdag 12 mei 2018, Novawhere Purmerend

Preek naar aanleiding van Zacharia 8:4-8 en Efeziërs 6:10-20 uit de Bijbel in Gewone Taal voor de viering op zaterdag 12 mei 2018 om 10.15 uur in Novawhere te Purmerend

Gemeente,

Maakt u uw droom waar? De droom als het moment tijdens de slaap waarin het menselijk bewustzijn afneemt en zich op een dieper niveau bevindt dan het rationele verstand, blijkt een broedplaats te zijn voor een goede mare die u na het ontwaken als onderwerp voor een dialoog kunt inzetten. Heeft u periodes beleefd waarin u tot een oud geloof terugkeerde, vervlogen idealen nieuw leven inblies? Al in de voorchristelijke oudheid worden wijzen waarop diffuse ervaringen die zich in de droom voordoen als een oord van mogelijke ‘ervaringen van God’ gezien. Zolang er geen heldere analyses worden geproduceerd die het raadselachtige karakter van een dergelijke psychische activiteit ontrafelen, bevindt de droom zich in een schimmig gebied. In onze tijd bestaan er in navolging van de psychoanalyse instituten die vaak vanuit een klinisch oogmerk empirisch droomonderzoek verrichten.

Als wij de tekst uit Zacharia acht vers vier tot acht lezen, dan nemen wij kennis van Zacharia’s religieuze droom of liever ‘visioen’ om het wat minder psychologisch en wat meer theologisch uit te drukken. Dromen en visioenen: we krijgen ze ’s nachts en je hebt er vaak een gesprekspartner voor nodig om het ontstaan en de betekenis ervan uit te leggen. Dat visioen vormt niet de privé-opinie van een prediker, die er op uit is hoorders te informeren, te overreden of te indoctrineren. Het visioen is een voorbeeld van taal die beoogt de zielsgesteldheid van mensen te veranderen door een geloofsimpuls te instigeren. En Zacharia zou geen profeet zijn als hij dat visioen niet met behulp van metaforen en symbolen heel beeldend zou uittekenen. Het visioen doet geen uitspraken over standen van zaken in de werkelijkheid, maar over hoe een leefwereld er idealiter, gelovenderwijs uit zou kunnen zien. In een verwachtingsvolle vooruitblik kondigt het visioen een nieuwe stand van zaken in de werkelijkheid aan.

In Zacharia’s tijd was dat visioen hard nodig, aangezien de tempel was ingestort en met de tempel ook het geloof van menig jood tot het nulpunt was gedaald. Men kreeg weinig voor elkaar, zat bij de pakken neer, een cultuur die werd aangewakkerd door viriele mensen met grote verwachtingen stond op het punt te verdwijnen. Nu had het Joodse volk al heel wat tegenslagen achter de rug en bleek telkens weer in staat daar bovenop te komen. De geest werd in de strijd beproefd, maar veerde na verloop van tijd weer op. Echter, als tegenspoed blijft komen en niet wordt afgewisseld met ervaringen van voorspoed, dan kan de richtingaanwijzer van het leven naar één kant doorschieten. Dan wordt de geest, ook een assertieve, zwak. Voor een gelovige kan het lijken alsof God zich in de zichtbare dingen van haar of hem gescheiden heeft. Twijfel had Zacharia’s tijdgenoten na de verwoesting van de tempel zo aangegrepen dat het ze stom maakte. Het wachten was op iemand die zou opstaan en zou spreken. Een profeet die het heden van de uit elkaar gevallen wereld van de gelovige vooruit was, juist omdat hij wist hoezeer dat heden aan vergankelijkheid onderhevig was. De profeet Zacharia zocht zijn heil elders: in het toekomstige en het liefst in ideeën die de kwaliteit van het eeuwige bezaten en die hij in bloemrijke beeldtaal kon verpakken.

Dat is wel lef hebben: als eenling temidden van terneergeslagen zielen te getuigen van een toekomst die je voor je ziet en dan bovendien claimen dat je dat niet zelf verzonnen hebt. Bluft Zacharia? Roept hij niet een veel gunstiger beeld op dan de werkelijkheid toelaat? Dat Zacharia met zijn visioen voorspellingen doet die mogelijk niet uitkomen, verwachtingen wekt waarin zijn hoorders teleurgesteld kunnen raken en een geestelijke herleving onder zijn hoorders uitblijft, zijn de risico’s die hij wil nemen. Als zijn optreden achteraf niet het gewenste resultaat zal hebben, dan treedt hij terug. Vooralsnog heeft hij het toekomende voor zich gezien en overwonnen, en dat is precies wat ook de attitude van een gelovige kenmerkt. De gelovige is al klaar met de toekomst in de zin dat zij of hij zich daar al naartoe bewogen heeft en begint dan pas met het heden.

Het volk waartoe Zacharia spreekt is uit zichzelf niet in staat de zinnen te verzetten. U ziet het aan het uitstellen van de wederopbouw van de tempel, het wonen in een land zonder ervan te genieten en de afgematte lichamen. De harde realiteit wint het van de verwachting van het geloof. Herkent u dat, dat je verlangens en idealen stuklopen op de weerbarstigheid van de werkelijkheid? Dat je probeert je goede herinneringen aan te spreken die nieuwe verwachtingen en toekomstvisies scheppen en die dan toch niet bestand zijn tegen wat je om je heen ziet gebeuren?

In een situatie waarin er geen enkel perspectief wordt geboden, mensen niet ergens naartoe kunnen leven, zich niet kunnen verheugen op een in het vooruitzicht gestelde belofte, kan de wanhoop bezit van een mens nemen. Mensen raken in een mineurstemming, bekrachtigen elkaar in een negatieve spiraal, een algeheel gedeeld gevoel dat een situatie niet te veranderen is, gaat overheersen. Het is in zo’n situatie dat Zacharia profetisch optreedt, en je mag hem gerust zien als een figuur die in de lijn van klassieke geloofsgetuigen denkt. Tussen de regels door lees je zijn euforie, en niet zonder strategische redenen, want als hij de feniks uit zijn as wil laten herrijzen, dan heeft hij daar een optimisme voor nodig dat niet reëel is. Wat hij doet is de hoop aankondigen op een finale omwenteling.

Om het belang te onderstrepen van theatrale expressies voor het opwekken van geloof, neem ik u mee naar de ‘Kill the bear-scène’ uit de Amerikaanse film The Edge uit 1997, waarin Anthony Hopkins en Alec Baldwin de hoofdrol spelen. Beiden hebben een vliegtuigcrash overleefd en staan in de wildernis van Alaska, waar ze blootstaan aan de gevaren van onderkoeling, voedselgebrek, desoriëntatie, valpartijen, verwondingen, verlating en beren. Tijdens hun tocht worden ze aangevallen door een beer die hen blijft achtervolgen. Hopkins besluit, in zijn rol, de beer te doden.“I am gonna kill the bear” zegt, roept en schreeuwt hij en vraagt van Baldwin hem na te zeggen. Dat gebeurt eerst aarzelend, met een piepstem. De slogan wordt net zolang herhaald tot hij er overtuigend genoeg uitkomt. Vervolgens herhaalt Hopkins de tactiek met het motto: “What one man can do, another can do”, totdat beide mannen zichzelf voldoende moed hebben ingesproken om de beer aan te kunnen en hem vellen. De beer is te zien als het symbool van elk voorwerp van iemands vrees dat voortvloeit uit een uitdaging die zij of hij niet aan durft te gaan.

Zacharia hanteert het visioen, Hopkins een yell, een geschreeuwde leus om zijn gesprekspartners aan te vuren, en Obama’s credo in 2008 luidde “Yes we can”. Ik veronderstel dat Zacharia niet aan die onderneming zou zijn begonnen, als hij niet uitging van een eeuwige macht, een onvergankelijke kern in elk van zijn hoorders, te weten: geloof. Dat geloof, hoe klein en uitgedoofd soms ook, verwacht de overwinning. Door iets bijzonders te verwachten, de eigen hoop op een mens of concreet object te vestigen, of als een levenshouding. Wat wij van Zacharia, Hopkins en de briefschrijver van Efeziërs zes vers tien tot twintig kunnen leren, is dat het hoogste dat u en ik voor de ander kunnen doen is: in haar of hem geloven en dat laten blijken. De ambassadeur van het geloof is soms in ketenen gebonden, maar zal u aansporen zo niet opjagen om de strijd met uw bear, dat bovenal een spiritueel gevecht is, aan te gaan. Kom tot geloof, kill uw bear, want waartoe de ene mens in staat is, dat kan de andere ook.

Amen